Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/3.2.8:3.2.8 Stand van zaken: de fiscale bestuurlijke boete halverwege de 20e eeuw
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/3.2.8
3.2.8 Stand van zaken: de fiscale bestuurlijke boete halverwege de 20e eeuw
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940515:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Scheltens (losbl.), par. 24.b.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Onderstaand geef ik puntsgewijs een kort resumé van de belangrijkste eigenaardigheden en inconsequenties die inherent waren aan het systeem van verhogingen bij de directe belastingen, zoals dat tot en met de eerste helft van de 20e eeuw heeft gegolden.
De benaming van de sanctie, een ‘verhoging’ van belasting, was niet correct. Het was volgens de wetgever hetzij een strafmaatregel, hetzij een schadevergoeding. De term verhoging impliceerde ten onrechte dat het om een tariefsverhoging ging.1
De verhogingen hebben van de wetgever niet steeds dezelfde onderbouwing gekregen. Bij de vermogensbelasting was de verhoging van 1904 een sanctie met een duidelijk strafkarakter. Tien jaar later werd bij de inkomstenbelasting aangegeven dat er sprake was van een schadevergoedingsmaatregel.
Het wettelijk kader dat bij het karakter van de sanctie hoort, werd niet consequent doorgevoerd. Bij een schadevergoeding past niet dat de omvang van de schade forfaitair werd vastgesteld (op de schade die ter zake van enig jaar was geconstateerd). Bovendien werden steeds verdergaande disculpatiegronden ingevoerd, die eigen zijn aan strafmaatregelen en juist vreemd zijn aan het karakter van de schadevergoeding. Daar waar de verhoging als strafmaatregel werd aangemerkt, viel op dat de mate van verwijtbaarheid aanvankelijk in het geheel niet relevant was. Disculpatiegronden ontbraken en er vond geen individuele straftoemeting plaats: de straf vloeide rechtstreeks voort uit de wet. De vaste straftoemeting werd verdedigd door erop te wijzen dat het voor de schatkist niet uitmaakte of er goede of kwade trouw in het spel was. Dat is echter bij uitstek een argument dat kenmerkend is voor de schadevergoedingsgedachte.
De schadevergoedingsgedachte was bij tijdvakbelastingen nog verdedigbaar, althans voor zover het redelijk was om te veronderstellen dat een gemaakte fout in het ene jaar zich ook in voorgaande jaren had voorgedaan. Bij tijdstipbelastingen is dat aanzienlijk moeilijker voor te stellen, terwijl ook daar vergelijkbare verhogingen voorkwamen.