Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/4.3.6:4.3.6 Bewijsgaring
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/4.3.6
4.3.6 Bewijsgaring
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940410:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In paragraaf 4.3.4.1 is aan de orde gekomen dat het zorgvuldigheidsbeginsel meebrengt, dat er een inspanningsverplichting voor het bestuursorgaan bestaat. Het bestuursorgaan moet zorgvuldig onderzoek doen door de relevante feiten te verzamelen, voordat het besluit wordt genomen. Bij beschikkingen op aanvraag bestaat er een meewerkplicht voor de aanvrager. Het vraagstuk van de bewijsgaring wordt voornamelijk tegen deze achtergrond beschouwd. Het gaat dan om de vraag hoe ver de onderzoeksplicht van het bestuursorgaan reikt (hoe actief en spontaan moet het bestuursorgaan handelen) en hoe de wisselwerking tussen de onderzoeksplicht van het bestuursorgaan enerzijds en de (meewerk)verplichtingen van de aanvrager anderzijds precies uitwerkt.1
In de beroepsfase kan de rechter, door gebruikmaking van verschillende bevoegdheden uit hoofdstuk 8 van de Awb, bewijsopdrachten geven. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan het vragen van inlichtingen,2 of het schorsen van het onderzoek na de zitting in afwachting van nader aan te leveren bewijs.3 Daarnaast kan de rechter ook zelfstandig op feitenonderzoek uit gaan.4