Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/3.3.4.3:3.3.4.3 Geen veroordeling in de nationale strafprocedure
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/3.3.4.3
3.3.4.3 Geen veroordeling in de nationale strafprocedure
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS483380:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
ECRM 1 juli 1992 (Byrn t. Denemarken).
EHRM 21 december 2000 (Heaney en McGuinness t. Ierland), § 43.
EHRM 25 maart 1983 (Minelli t. Zwitserland).
EHRM 25 augustus 1993 (Sekanina t. Oostenrijk).
EHRM 10 februari 1995 (Allenet de Ribemont t. Frankrijk), § 35.
Vgl. diverse redelijke-termijnzaken na vrijspraak zoals EHRM 13 november 2008 (Ommer t. Duitsland), NJB 2009, 128.
§ 45.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Niet ieder vooronderzoek mondt uit in een strafgeding waarin de gegrondheid van de criminal charge wordt bepaald (‘the determination of a criminal charge’). Wanneer dat wel zo is, dan resulteert dat niet steeds in een schuldigverklaring van de betrokkene. Een strafzaak kan bijvoorbeeld eindigen in vrijspraak.
In de zaak Heaney en McGuinness overweegt het Hof onder verwijzing naar de zaak Bym1dat een vrijspraak in het algemeen uitsluit dat een verdachte bij hem kan klagen over schending van de procedurele waarborgen in art. 6 EVRM.2 Het Hof wijst erop dat het dit uitgangspunt in bepaalde omstandigheden heeft genuanceerd. Zo is art. 6, lid 2 al toegepast in de zaken Minelli3 en Sekanina4, hoewel de nationale rechter de strafprocedure had beëindigd vanwege termijnoverschrijding respectievelijk vrijspraak. Zie ook de zaak Allenet de Ribemont.5Daarinverklaart het Hof art. 6, lid 2 toepasselijk op publieke uitlatingen van politieagenten over de schuld van de betrokkene, terwijl de strafzaak tegen betrokkene nadien voortijdig was beëindigd.
In de zaak Funke werd de aanvankelijk voorziene strafzaak tegen de betrokkene nimmer geïnitieerd. Toch oordeelt het Hof de bestraffing vanwege diens weigering om aan het onderzoek mee te werken in strijd met art. 6 EVRM.6 Zie nadien de zojuist genoemde zaak Heaney en McGuinness. Volgens het Hof belet de vrijspraak van de betrokkenen van de ten laste gelegde feiten niet, dat zij bij hem kunnen klagen over de opgelegde gevangenisstraf vanwege hun weigering om in strijd met het in art. 6 belichaamde recht tegen gedwongen zelfbelasting rekenschap te geven over hun verplaatsingen (‘movements’).7
Daarmee wordt wel duidelijk dat het ontbreken van een veroordeling niet in de weg staat aan de toepassing van art. 6 op het vooronderzoek. art. 6 is er óók (en wellicht zelfs: juist) voor onschuldige verdachten.