Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/5.3.3
5.3.3 De twintiger jaren van het Unieburgerschap: naar een ‘echt burgerschap’
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181116:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 6 oktober 2015, zaak C-650/13, ECLI:EU:C:2015:648 (Delvigne), r.o. 20.
Art. 39 lid 1 EU-Handvest luidt: “Iedere burger van de Unie heeft actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement in de lidstaat waar hij verblijf houdt, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat.” Lid 2 van deze bepaling luidt: “De leden van het Europees Parlement worden gekozen door middel van rechtstreekse, vrije en geheime algemene verkiezingen.”
A-G Cruz Villalón, zaak C-650/13 (Delvigne), punt 41.
A-G Cruz Villalón, zaak C-650/13 (Delvigne), punt 43 vervolgt: “In dat verband impliceert het algemeen kiesrecht, als kernbegrip voor de definitie van de inhoud van dat recht, een recht ratione personae, dat in beginsel algemeen is en een onvoorwaardelijke bescherming inhoudt, niet alleen van Unieburgers die een stem uitbrengen in een andere lidstaat van hun nationaliteit, maar ook van de onderdanen van de lidstaat waar de stem wordt uitgebracht.”
A-G Cruz Villalón, C-650/13 (Delvigne), punten 101, 106. De A-G concludeert tot slot dat art. 39 Handvest voor de grondrechten zich niet verzet tegen een nationale regeling als in het geval van Delvigne, mits deze nationale regeling niet ‘in een algemene, onbepaalde en automatische ontneming van het kiesrecht voorziet zonder een voldoende haalbare mogelijkheid van herziening’. A-G Cruz Villalón, zaak C-650/13 (Delvigne), punt 124.
HvJ EU 6 oktober 2015, zaak C-650/13, ECLI:EU:C:2015:648 (Delvigne), r.o. 41.
Idem, r.o. 44.
Zie ook J.W. van Rossem, ‘Political Citizenship in the European Union: What it means, how it came about and which challenges lie ahead’, in: Jan van der Harst, Gerhard Hoogers, Gerrit Voerman (red.), European Citizenship in Perspective. History, Politics and Law, Cheltenham: Edward Elgar 2018, p. 17: “Ostensibly linking up to the notion of ‘universal’ in Article 39(2), the Court in its Delvigne judgment held that this provision constitutes the expression of the right of EU citizens to vote in elections to the EP [European Parliament]. Thus, as was already mentioned in the introduction to this Chapter, EU citizens now can be said to unequivocally possess the important political right of voting for the persons that, according to EU law, represent them.” H. van Eijken, J.W. van Rossem, ‘Prisoner disenfranchisement and the right to vote in elections to the European Parliament: Universal suffrage key to unlocking political citizenship?’, European Constitutional Law Review, 12, 2016, p. 114-132. Zie ook: European Commission, COM(2017)32, Report form the Commission to the European Parliament, the Council, the European Economic and Social Committee and the Committee of the Regions under Article 25 TFEU, On progress towards effective EU citizenship 2013-2016, p. 12.
Zie D. Kochenov, ‘The Essence of EU Citizenship emerging from the Last Ten Years of Academic Debate: Beyond the Cherry Blossoms and the Moon?’, International and Comparative Law Quarterly, 2013, 62, p. 97-136; H. de Waele, ‘EU Citizenship, Revisiting its Meaning, Place and Potential’, European Journal of Migration and Law, 2010, 12, p. 319-336; A. Wiener, ‘Going Home? ‘European’ Citizenship Practice Twenty Years After’, in: D. Kochenov (red.), EU Citizenship and Federalism. The Role of Rights, Cambridge University Press, April 2017.
Voorheen had Deel II VwEU als opschrift ‘Burgerschap van de Unie’. De Commissie stelt dan ook in 2010: “Het Verdrag van Lissabon let een nog nauwer verband tussen burgerschap en non-discriminatie. Het tweede deel van het VwEU heet thans ‘non-discriminatie en burgerschap van de Unie’ en omvat de bepalingen inzake non-discriminatie, zowel op grond van nationaliteit (art 18) als op andere gronden (geslacht, ras, etnische afstemming, godsdienst etc (art 19).” Europese Commissie, COM(2010) 602, Over vorderingen op weg naar een echt EU-burgerschap 2007-2010, p. 3.
Europese Commissie, COM(2010) 602, Over vorderingen op weg naar een echt EU-burgerschap 2007-2010, p. 2.
Verdrag van Lissabon, PbEU 17.12.2007, C 306/52, punt 34.
Ook in het Verdrag van Lissabon wordt de vernummering van de artikelen aangaande het Unieburgerschap gewijzigd. De verschillende rechten die waren gekoppeld aan het Unieburgerschap werden voor het Verdrag van Lissabon afzonderlijk weergegeven. Na het Verdrag van Lissabon is het met name art. 20 lid 2 dat verschillende rechten opsomt. Het artikellid vermeldt echter dat de burgers van de Unie ‘onder andere’ de rechten hebben die in het artikellid staan. Daarmee wordt duidelijk gemaakt dat het niet gaat om een limitatieve opsomming. Voor de wijzigingen van Deel II VwEU, zie Verdrag van Lissabon, PbEU 17.12.2007, C 306/52, punt 31-38.
HvJ EU 2 maart 2010, zaak C-135/08 (Rottmann), Jur. I-1467.
A-G Poiares Maduro 30 september 2009, zaak C-135/08 (Rottmann).
A-G Poiares Maduro 30 september 2009, zaak C-135/08 (Rottmann), punt 16.
Ibid.
Ibid.
Idem, r.o. 23. Dit citaat van Poiares Maduro benadrukt de emanciperende werking van het burgerschapsbegrip, waarbij individuele vrijheid en ontplooiing worden gezien als het fundament ervan.
Deze wederkerigheid wordt tevens benadrukt door A-G Sharpston in haar conclusie inzake Ruiz Zambrano. Zij stelt: “Of, om dezelfde vraag vanuit een iets ander oogpunt te stellen: is het Unieburgerschap alleen maar de niet- economische versie van dezelfde algemene soort van rechten van vrij verkeer die al geruime tijd bestaan voor de economisch actieven en voor financieel onafhankelijke personen? Of heeft het een dieper liggende betekenis, van een werkelijk burgerschap, met daaraan verbonden een eenvormig geheel van rechten en plichten, in een waarlijke rechtsunie waarin respect voor grondrechten wel een onverbrekelijke rol moet spelen?” A-G Sharpston 30 september 2010, zaak C-34/09 (Ruiz Zambrano), punt 3.
COM(2004) 695.
Zie Hoofdstuk 2.6.1 (‘De verandering van Hobbes’ mensbeeld en het belang van de individuele vrijheid’).
HvJ EU 2 maart 2010, zaak C-135/08 (Rottmann), Jur. I-1467, r.o. 51.
HvJ EU 2 maart 2010, zaak C-135/08 (Rottmann), Jur. I-1467, r.o. 51. Dientengevolge overweegt het Hof van Justitie in dit arrest dat art. 17 EG zich er niet tegen verzet dat een lidstaat de nationaliteit van de burger die door middel van naturalisatie is verkregen, intrekt indien deze door bedrog is verkregen. Voorwaarde is echter wel dat de intrekkingsbeslissing in overeenstemming dient te zijn met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Zie daarover meer: Bex- Reimert, Karapetian, De Mik 2018.
Zie voor de nadere uitwerking van het evenredigheidsbeginsel HvJ EU 13 september 2016, zaak C-165/14, ECLI:EU:C:2016:675 (Rendón Marin); HvJ EU 21 december 2011, zaken C-411/10 en C-493/10 ECLI:EU:C:2011:865 (NS). Zie ook: A. Evans, ‘Nationality Law and European Integration’, European Law Review, 1991, 190; L. Besselink, J.H, Reestman, ‘(Editorial) Dynamics of European and National Citizenship: Inclusive or Exclusive?’, European Constitutional Law Review, 3, 2007, p. 1-4; D. Kochenov, ‘Ius Tractum of Many Faces: European Citizenship and the Difficult Relationship between Status and Rights’, Columbia Journal of European Law, Vol. 15, no 2, 2009, p. 169-237; D. Kostakopoulou, ‘When EU Citizens become Foreigners’, European Law Journal, Vol. 20, no 4, July 2014, p. 447-463; D. Kochenov, ‘A Real European Citizenship: A New Jurisdiction Test: A Novel Chapter in the Development of the Union in Europe’, Columbia Journal of European Law, Vol. 18, 2011, p. 55-109.
Zie in dit verband HvJ EU 12 maart 2019, zaak C-221/17, ECLI:EU:C:2019:189 (Tjebbes), r.o. 48. Hierin oordeelt het Hof van Justitie dat art. 20 VwEU aldus moet worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een natonale regeling op grond waarvan de nationaliteit van een burger van rechtswege verloren gaat, met als gevolg dat dat het verlies van het Unieburgerschap met zich brengt, ‘mits de bevoegde nationale autorieiten […] incidenteel kunnen onderzoeken welke gevolgen dat nationaliteitsverlies heeft en eventueel ervoor kunnen zorgen dat de betrokken personen met terugwerkende kracht de nationaliteit herkrijgen wanneer zij een aanvraag indienen voor een reisdocument of enig ander document waaruit hun nationaliteit blijkt’. Het Hof van Justitie vervolgt: “In het kader van dat onderzoek dienen die autoriteiten en rechterlijke instanties na te gaan of het verlies van de nationaliteit van de betrokken lidstaat, dat het verlies van het burgerschap van de Unie met zich brengt, in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel wat de gevolgen ervan voor de situatie van elke betrokkene en in voorkomend geval voor die van zijn gezinsleden uit het oogpnt van het Unierecht betreft.”
Zie over het ontbreken van plichten in het Unieburgerschap D. Kochenov, ‘EU Citizenship without Duties’, European Law Journal, Vol. 20, no 4, July 2014, p. 482-498.
Ten aanzien van het verband tussen het kiesrecht voor het Europees Parlement en het Unieburgerschap is de uitspraak inzake Delvigne relevant. Samengevat heeft de uitspraak betrekking op het volgende. Delvigne is in 1988 veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaar als hoofdstraf, en als bijkomende straf wordt hem zijn kiesrecht ontnomen. De voor dit proefschrift relevante prejudiciële vraag, die wordt gesteld door het Tribunal d’instance de Bordeaux aan het Hof van Justitie, is of art. 39 EU-Handvest aldus moet worden uitgelegd dat het de lidstaten van de Unie de verplichting oplegt geen algemeen, onbepaald en automatisch verbod op de uitoefening van de burgerlijke en politieke rechten te stellen, opdat geen ongelijke behandeling van de Unieburgers ontstaat.1 In zijn conclusie gaat A-G Villalón uitgebreid in op het standpunt van het Europees Parlement ten aanzien van de verwevenheid tussen het kiesrecht voor het Europees Parlement en het burgerschap van de Unie. Want, zo is de vraag, brengt het Unieburgerschap automatisch het kiesrecht voor het Europees Parlement met zich voor statische Unieburgers, dat wil zeggen Unieburgers die in de lidstaat verblijven waarvan zij het burgerschap bezitten? In dit kader maakt het Europees Parlement een relevant onderscheid tussen de twee leden van art. 39 EU-Handvest.2 Het Europees Parlement stelt dat art. 39 EU-Handvest voor de grondrechten uit twee grondrechten bestaat: het recht van iedere Unieburger die geen onderdaan is van de lidstaat waar hij verblijft om onder dezelfde voorwaarden deel te nemen aan de verkiezingen van het Europees Parlement (lid 1), en het recht van ieder Unieburger om de leden van het Europees Parlement te kiezen door middel van rechtstreekse, vrije en geheime algemene verkiezingen (lid 2).3 Dit tweede lid van art. 39 EU- Handvest heeft volgens het Europees Parlement enkel nuttig effect indien het ‘een subjectief recht omvat in aanvulling op art. 14, lid 3, VEU’.4 A-G Villalón, hoewel hij stelt dat ‘het samenstel van het kiesrecht dat bij de verkiezing voor het Europees Parlement, […] niet ‘volledig’ feitelijk of rechtens door het Unierecht ‘wordt bepaald”, benadrukt dat het Europees Parlement de eenheid van de vertegenwoordigers van de Unieburgers veronderstelt.5 Het Hof van Justitie is explicieter ten aanzien van de koppeling tussen het kiesrecht voor het Europees Parlement en het Unieburgerschap. Zo stelt het Hof van Justitie dat art. 39 lid 2 EU-Handvest overeenstemt met art. 14 lid 3 VEU en bovendien dat in art. 39 lid 2 ‘de basisbeginselen van het kiesstelsel in een democratisch bestel zijn opgenomen’.6 Het Hof van Justitie vervolgt door te stellen:
“Uit de overwegingen in punt 41 van het onderhavige arrest blijkt dat artikel 39, lid 2, van het Handvest de uitdrukking is in het Handvest van het stemrecht van burgers van de Unie bij de verkiezingen voor het Europees Parlement, als bedoeld in artikel 14, lid 3, VEU en artikel 1, lid 2 van de Akte van 1976.”7
Waar het Hof van Justitie derhalve met name in de (hierboven behandelde) uitspraken inzake Spanje v. Verenigd Koninkrijk en Eman & Sevinger het standpunt inneemt dat nergens is bepaald wie het kiesrecht voor de leden van het Europees Parlement toekomt, overweegt het Hof van Justitie in de uitspraak inzake Delvigne dat art. 39 lid 2 EU-Handvest het kiesrecht van de Unieburgers uitdrukt. Het burgerschap van de Unie brengt derhalve het kiesrecht voor de leden van het Europees Parlement met zich voor Unieburgers.8
Deze uitspraak inzake Delvigne is ongeveer een decennium na de befaamde uitspraken Spanje v. Verenigd Koninkrijk en Eman & Sevinger gedaan, namelijk in oktober 2015. In de tussentijd is het Verdrag van Lissabon in december 2009 in werking getreden. Dit Verdrag van Lissabon heeft enkele wijzigingen doorgevoerd ten aanzien van het burgerschap van de Unie.9 Om te beginnen is het opschrift van het Deel II VwEU vervangen door ‘Non- discriminatie en burgerschap van de Unie’.10 De Commissie stelt in haar rapport uit 2010 dat met deze wijziging het Unieburgerschap een prominentere plaats heeft gekregen in het VEU, omdat het begrip is opgenomen in de bepalingen inzake de democratische beginselen (art. 9 VEU) en de democratie (art. 10 en 11 VEU).11 Hierdoor, zo stelt de Commissie, wordt er een ‘nauwer verband’ gelegd tussen burgerschap en democratie. Dit verband is tevens gelegd in de klassieke oudheid, bij het ontstaan van de begrippen burgerschap en democratie. Beide begrippen waren destijds onlosmakelijk verbonden met elkaar. De notie van het burgerschap was noodzakelijk teneinde te bepalen wie gerechtigd was deel te nemen aan het democratische proces aan de hand waarvan bijvoorbeeld wetgeving tot stand werd gebracht. Deze koppeling wordt door de Commissie in deze passage genoemd. Opvallend is wel dat ten tijde van het verschijnen van dit rapport, zoals blijkt uit de uitspraken Spanje v. Verenigd Koninkrijk en Eman & Sevinger, het burgerschap van de Unie geen autonoom kiesrecht voor het Europees Parlement met zich bracht. Zoals besproken, veranderde dit na het arrest Delvigne.
Het Verdrag van Lissabon bracht tevens verandering in de relatie tussen het staatsburgerschap en het Unieburgerschap. Zoals hierboven uiteengezet, zorgde de gereserveerde houding van de lidstaten ervoor dat in het Verdrag van Amsterdam werd opgenomen dat het Unieburgerschap het nationale burgerschap aanvult, doch niet in de plaats daarvan komt. Met die bepaling werd tot uitdrukking gebracht dat het Verdrag van Amsterdam de voorkeur geeft aan een Unieburgerschap dat het nationaal burgerschap ‘complementeert’. Deze zienswijze wordt uitdrukkelijk gewijzigd in het Verdrag van Lissabon. Na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon luidt het VwEU dat het Unieburgerschap naast het nationale burgerschap komt doch niet in de plaats daarvan.12 Deze wijziging onderstreept dat het Unieburgerschap niet een ‘aanvullend’, maar juist een zelfstandig karakter heeft.13 De rechtspraak van het Hof van Justitie waarin stapsgewijs is toegewerkt naar een autonoom Unieburgerschap wordt bevestigd in het Verdrag van Lissabon.
Het bestaan van beide burgerschappen (nationaal burgerschap en Unieburgerschap) is een aanleiding voor ingewikkelde vragen. Het geval van Rottmann is een illustratie daarvan.14 Deze uitspraak bouwt voort op de hiervoor behandelde uitspraak inzake Micheletti ten aanzien van de discretionaire bevoegdheid van de lidstaten om vast te stellen wie hun nationaliteit bezit. Het onderwerp van het nationaal burgerschap en het Unieburgerschap krijgt aandacht in de conclusie van A-G Poiares Maduro.15 In zijn conclusie zet hij uiteen dat het concept burgerschap de juridische en politieke situatie beschrijft van de burgers van een bepaalde staat in een politieke gemeenschap.16 Het Unieburgerschap, daarentegen, zo vervolgt Poiares Maduro, geeft de juridische en politieke situatie weer van de burgers van de lidstaat buiten de politieke gemeenschap van hun staat.17 De omstandigheid dat het Unieburgerschap ten opzichte van het nationale burgerschap een afgeleid karakter heeft, komt doordat het Unieburgerschap wordt gekwalificeerd als een ‘interstatelijk burgerschap’ dat de burgers van de verschillende lidstaten rechten verleent in deze lidstaten. Poiares Maduro stelt dan ook dat het ‘volkomen logisch’ is dat de nationaliteit van een lidstaat een persoon burger van de desbetreffende lidstaat en tegelijkertijd burger van de Unie maakt.18 Hiermee verleent de nationaliteit van de lidstaat de burgers ‘een burgerschap dat uitgaat boven de staat’, aldus Poiares Maduro. Hij vervolgt:
“Het gaat om twee begrippen die onlosmakelijk met elkaar verbonden en tegelijkertijd autonoom zijn. Het burgerschap van de Unie veronderstelt de nationaliteit van een lidstaat, maar het is ook een ten opzichte van het begrip nationaliteit autonoom juridisch en politiek begrip. De nationaliteit van een lidstaat geeft niet alleen toegang tot de door het gemeenschapsrecht verleende rechten, zij maakt ons ook tot burgers van de Unie. Het Europees burgerschap is meer dan een complex van rechten die, op zichzelf, ook zouden kunnen worden verleend aan personen die dit burgerschap niet bezitten. Het veronderstelt het bestaan van een band van politieke aard tussen de Europese burgers, al is dit geen band die bestaat uit het behoren tot een volk. Deze politieke band verenigt juist de volken van Europa. Hij berust op hun wederzijdse verbintenis om hun respectieve politieke gemeenschappen open te stellen voor andere Europese burgers en een nieuwe vorm van burgerlijke en politieke solidariteit op Europese schaal in het leven te roepen. Deze band vereist niet het bestaan van een volk, maar berust op het bestaan van een Europese politieke ruimte, waaruit rechten en verplichtingen ontstaan.
[…]
Dit is het mirakel van het burgerschap van de Unie: het versterkt de banden die ons verbinden met onze staten (daar wij Europese burgers zijn juist doordat wij burgers zijn van onze staten) en tegelijkertijd maakt het ons vrij (daar wij nu burgers zijn buiten onze staten om). Het Europees burgerschap wordt bereikt via de nationaliteit van een lidstaat, die wordt geregeld door het nationale recht, maar, zoals elke vorm van burgerschap, is het de basis van een nieuwe politieke ruimte, waaruit rechten en verplichtingen ontstaan die door het gemeenschapsrecht worden bepaald en niet afhankelijk zijn van de staat. Dit legitimeert op zijn beurt de autonomie en het gezag van de communautaire rechtsorde. Dit is de reden dat, hoewel de nationaliteit van een lidstaat voorwaarde is voor toegang tot het burgerschap van de Unie, evengoed de aan dit burgerschap verbonden rechten en verplichtingen niet ongefundeerd door die nationaliteit kunnen worden beperkt. Met andere woorden, de verkrijging en het verlies van de nationaliteit (en dus van het burgerschap van de Unie) worden niet op zich beheerst door het gemeenschapsrecht, maar de voorwaarden voor de verkrijging en het verlies van de nationaliteit moeten verenigbaar zijn met de communautaire voorschriften en de rechten van de Europese burger in acht nemen.”19
Poiares Maduro benadrukt in dit citaat het autonome en zelfstandige karakter van het Unieburgerschap. Daarnaast wordt herhaaldelijk gesteld dat de band tussen de Unieburger en de unitaire rechtsorde berust op een wederzijdse verhouding waaruit verschillende rechten en verplichtingen voortvloeien.20 Deze rechten en plichten vloeien voort uit de rechtsorde van de Unie en zijn niet afhankelijk van de lidstaat. Niettemin kan de lidstaat, zoals de Commissie stelt in haar rapport uit 2004, niet geheel uit het oog verdwijnen, omdat het de lidstaten van de Unie zijn die deze rechten en verplichtingen mogelijk moeten maken.21 De rechtsverhouding die de Unie aangaat tot de Unieburgers, die mogelijk wordt gemaakt door het Unieburgerschap, legitimeert de rechtsorde van de Unie. In de hiervoor geciteerde passage kan een argument worden gevonden dat Constant naar voren heeft gebracht in zijn De la liberté des Anciens comparée à celle des modernes, zoals aan bod is gekomen in Hoofdstuk II. Hierin stelt Constant dat met de intrede van de notie van politieke representatie de burgers ‘vrij’ worden. Dit baseerde Constant op de omstandigheid dat de burgers doordat zij politiek werden gerepresenteerd een belangrijke taak uit handen hebben gegeven aan de representant, waardoor zij meer tijd hebben om zich op andere terreinen te ontwikkelen.22 Poiares Maduro gebruikt een vergelijkbaar argument als hij stelt dat het Unieburgerschap de burgers ‘vrij’ maakt. Hoewel deze gedachte van Poiares Maduro niet direct betrekking heeft op de notie van politieke representatie, is het doel achter het vrij maken van de burger eenzelfde als bij Constant, namelijk de burger mogelijkheden verschaffen om zich te ontwikkelen door middel van gebruikmaking van bijvoorbeeld het vrije reis- en vestigingsrecht binnen de Unie.
In zijn arrest inzake Rottmann erkent het Hof van Justitie het wederkerige karakter van de verhouding tussen de burger en zijn nationale rechtsorde.23 Deze wederkerigheid van de rechtsverhouding tussen de burger en de desbetreffende rechtsorde vormt, zoals gesteld in Hoofdstuk II, een van de wezenlijke elementen van burgerschap. Deze wederkerigheid van de rechtsverhouding, zoals uitgevonden in de klassieke oudheid en heruitgevonden gedurende de jaren van de Renaissance en de Franse Revolutie, wordt voor wat betreft de verhouding tussen de burger en zijn staat in de volgende bewoordingen tot uitdrukking gebracht door het Hof van Justitie:
“Een besluit tot intrekking van de naturalisatie ten gevolge van bedrog vindt immers zijn rechtvaardiging in een reden van algemeen belang. Dienaangaande is het rechtmatig dat een lidstaat de bijzondere band van solidariteit en loyaliteit tussen hem en zijn onderdanen, evenals de wederkerigheid van rechten en plichten, die de grondslag vormen van de nationaliteitsverhouding, wil beschermen.”24
Het Hof van Justitie, zich bewust van het afgeleide karakter van het Unierecht, oordeelt in Rottmann dat de lidstaten bij het vaststellen van de voorwaarden ter verkrijging en intrekking van de nationaliteit het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel in acht dienen te nemen.25 Hiermee geeft het Hof van Justitie nadere invulling aan het in Micheletti gemaakte voorbehoud dat de lidstaten bij het vaststellen van de regels omtrent de verkrijging en intrekking van de nationaliteit het – destijds geldende – gemeenschapsrecht in acht dienen te nemen.26
Opvallend is dat, hoewel het Hof van Justitie in de hiervoor opgenomen rechtsoverweging de wederkerigheid van de nationale burgerschapsverhouding erkent, het zich niet uitlaat ten aanzien van de mogelijke wederkerigheid van de rechtsverhouding die in het leven is geroepen door het Unieburgerschap. Indien de verdragstekst ten aanzien van het Unieburgerschap wordt bestudeerd in Deel II VwEU dan valt op dat de verdragstekst, net als de passage van Poiares Maduro, uitgaat van een wederkerige verhouding tussen de Unieburger en de Unie.27 Desalniettemin ontbreken in beginsel plichten jegens de Unie in de praktijk. Anders dan art. 20 lid 2 VwEU stelt, brengt het Unieburgerschap namelijk in beginsel geen verplichtingen met zich voor Unieburgers.28 Hierdoor kunnen vraagtekens worden geplaatst bij de wederkerigheid van de rechtsverhouding tussen de Unieburger en de rechtsorde van de Unie. Zoals blijkt uit het voorgaande, zijn enkel rechten gekoppeld aan het Unieburgerschap. Deze variëren van het reis- en vestigingsrecht tot – na Delvigne – het kiesrecht voor de leden van het Europees Parlement (ook in de lidstaat waarvan de Unieburger de nationaliteit bezit). Daartegenover staan in beginsel geen verplichtingen. De enige verplichting van de EU-burger is dat hij zich aan het EU- recht houdt. Om deze reden kan gesteld worden dat de rechtsbetrekking die het Unieburgerschap met zich brengt niet als wederkerig is te beschouwen, maar in beginsel eenzijdig is.
Gedurende de twintiger jaren van het Unieburgerschap vult het Hof van Justitie dit begrip derhalve nader in. Dat doet het Hof van Justitie door onder meer te oordelen dat de lidstaten bij het vaststellen van de voorwaarden ter verkrijging en intrekking van de nationaliteit de Unierechtelijke evenredigheidstoets in acht dienen te nemen en dat krachtens art. 39 lid 2 EU-Handvest iedere Unieburger het kiesrecht toekomt voor de verkiezingen van het Europees Parlement. Al met al brengt het Unieburgerschap in beginsel een eenzijdige rechtsbetrekking met zich tussen de Unieburger en de Europese Unie, bestaande uit verschillende rechten.
Geconcludeerd kan worden dat het Unieburgerschap door de jaren heen institutioneel is ingevuld door het Hof van Justitie in zijn rechtspraak. In de eerste levensjaren van het Unieburgerschap, na de inwerkingtreding van het Verdrag van Maastricht, valt op dat in de rechtspraak van het Hof van Justitie nauwelijks expliciet wordt ingegaan op de notie van het Unieburgerschap. Hierbij wordt wel erkend dat het Unieburgerschap een van de in het oog springende onderdelen van het Europese construct is. De Unie is door middel van dit concept namelijk expliciet een band aangegaan met de Unieburger. Vanaf het einde van de twintigste eeuw, met het arrest inzake Martínez Sala, begint het Unieburgerschap zelfstandige betekenis te krijgen. Het concept wordt in ’s Hofs rechtspraak beschouwd als de grondslag die rechten toekent aan de Unieburgers die economisch niet actief zijn. Bovendien wordt het Unieburgerschap door het Hof van Justitie gekwalificeerd als de primaire hoedanigheid van de Unieburger. Het Unieburgerschap behoudt echter zijn derivatieve karakter: enkel de verkrijging van de nationaliteit van de lidstaat zorgt voor de verkrijging van het Unieburgerschap. Andersom geldt dat het verlies van de nationaliteit van de lidstaat automatisch zorgt voor het verlies van het Unieburgerschap. Bij de vaststelling van de voorwaarden voor de verkrijging en intrekking van de nationaliteit dient de lidstaat het Unierecht en daarbij in het bijzonder het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel in acht te nemen, aldus het Hof van Justitie. Hoewel het Hof van Justitie erkent dat de nationaliteitsverhouding in de lidstaat is gebaseerd op een wederkerige rechtsbetrekking, kleurt het Hof van Justitie het Unieburgerschap zodanig in dat dit in beginsel een eenzijdige rechtsbetrekking met zich brengt tussen de Unieburger en de EU. Deze rechtsverhouding bestaat immers alleen uit rechten van de Unie, toegekend aan de Unieburger. Het Unieburgerschap brengt in beginsel geen plichten met zich voor de Unieburger. In de twintiger jaren wordt in zowel de rechtspraak als de Unieburgerschapsverslagen van de Commissie toegewerkt naar een ‘echt burgerschap’. Kenmerkend aan de politieke component van het Unieburgerschap is dat voor het eerst in 2015 in de uitspraak Delvigne wordt erkend dat het kiesrecht voor het Europees Parlement, zoals vervat in art. 39 lid 2 EU-Handvest onlosmakelijk verbonden is met het Unieburgerschap.