Einde inhoudsopgave
Overeenkomst tot arbitrage (BPP nr. 13) 2011/10.2.2.4
10.2.2.4 Buitencontractuele geschillen
Mr. G.J. Meijer, datum 20-07-2011
- Datum
20-07-2011
- Auteur
Mr. G.J. Meijer
- JCDI
JCDI:ADS502230:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Burg. Rv (SNIJDERS), art. 1020, aant. 1 met referte aan arbitrale jurisprudentie en SNIJDERS, preadvies, no. 2.21 (met betrekking tot onrechtmatige daad, met als voorwaarde dat de vordering uit hoofde van onrechtmatige daad onlosmakelijk met de hoofdovereenkomst samenhangt); zie ook NOLEN, blz. 26 (noot 2) (zij het met betrekking tot onverschuldigde betaling) en RAB 9 december 1985, BR 1986, blz. 384 (eveneens met betrekking tot onverschuldigde betaling); vgl. ook de overwegingen van Hof Amsterdam in de zaak Esmil International/Enka Arabia c.s. met betrekking tot onrechtmatige daad, zij het voor de reikwijdte van een forumkeuzebeding: '5.4. (...). Partijen hebben (...) gekozen om alle geschillen die in verband met hun overeenkomst tussen hen kunnen ontstaan voor te leggen aan de rechter in Saudi Arabië. Een redelijke uitleg van een dergelijke expliciete jurisdictieclausule brengt mee dat ook de onrechtmatige daadsacties die nauw samenhangen met het contract, zoals de onderhavige vorderingen van Esmil tegen Enka voorzover deze zijn gebaseerd op gesteld onrechtmatig handelen van Enka en B&B, door de clausule worden omvat' [cursief toegevoegd] (zie HR 17 december 1993 (Esmil Int ernational/Enka Arabia c.$), NJ 1994, 348, m.nt. JCS); zie ook REDFERN & HUNTER, 2.22-2.24.
Vgl. in dezelfde zin Court of Appeal 29 februari 1980, [1983] 2 Lloyd 's Law Reports, blz. 171 e.v., i.h.b. blz. 182 (veelal aangeduid met The Playa Larga) en Court of Appeal 17 mei 1994, Yearb. Comm. Arb. 1997, blz. 838-848, [1995] 1 Lloyd's Law Reports, blz. 87-97 (veelal aangeduid met The Angelic Grace); vgl. ook al LEW, MISTELIS & KRUL, no. 7-67 alsook D. JOSEPH, Jurisdiction and Arbitration Agreements and their Enforcement, Londen 2010, 4.57 in fine, die als enige uitzondering op de 'presumption in favour of one-stop arbitration' wijst op een 'tort claim', zij het wel (alleen) bij een arbitraal beding dat expliciet (slechts) geschillen aangaande de 'interpretatie van de overeenkomst' aan arbitrage onderwerpt, en bijgevolg kennelijk niet (ook) bij een arbitraal beding dat geschillen `onder' of 'arising out of' een bepaalde rechtsbetrekking aan arbitrage onderwerpt (zie ook 10.2.2.1).
Vgl. ook House of Lords 17 oktober 2007 (Fiona Trust/Privalov), Yearb. Comm. Arb. 2007, blz. 654-682, nos. 44-45 (LORD HOFFMANN) (zie voor de volledige tekst www.parliament.uk, nos. 11-12) ten aanzien van het onderscheid in terminologie tussen 'under', 'out of' en 'in relation to' en 'in connection with': 'I do not propose to analyse these and other such cases [in which various forms of words in arbitration clauses have been considered] any further because in my opinion the distinctions which they make reflect no credit upon English commercial law.' [tekst toegevoegd].
Vgl. ook de in noot 34 genoemde bronnen.
Vgl. voor Engels recht in dezelfde zin Court of Appeal 29 februari 1980, [1983] 2 Lloyd's Law Reports, blz. 171 e.v., i.h.b. blz. 182 (veelal aangeduid met The Playa Larga) en Court of Appeal 17 mei 1994, Yearb. Comm. Arb. 1997, blz. 838-848, [1995] 1 Lloyd's Law Reports, blz. 87-97 (veelal aangeduid met The Angelic Grace), waarin een tamelijk strikte band tussen de onrechtmatige daad en de overeenkomst wordt verlangd.
Vgl. ook de uiteenlopende jurisprudentie bij REDFERN & HUNTER, 2.22-2.24.
Voorts zal een arbitraal beding (dat betrekking heeft op een bepaalde overeenkomst) zich ook kunnen uitstrekken tot acties die niet zijn gegrond op de overeenkomst waarin het beding is opgenomen indien de desbetreffende acties geschillen met betrekking tot de genoemde overeenkomst betreffen. Ik denk bij dit soort geschillen "buiten de overeenkomst" bijvoorbeeld aan een vordering uit onrechtmatige daad of een vordering uit onverschuldigde betaling. Zulks lijkt a priori het geval als de overeenkomst tot arbitrage zich niet beperkt tot geschillen (voortvloeiend) uit de desbetreffende (hoofd)overeenkomst, doch expliciet bepaalt dat (ook) geschillen "met betrekking tot", "in verband met" of "naar aanleiding van" de desbetreffende (hoofd)overeenkomst aan arbiters moeten worden voorgelegd (zie ook 10.2.2.7).1 Nochtans kan worden aangenomen dat een overeenkomst tot arbitrage zich ook tot buitencontractuele geschillen uitstrekt zelfs als de tekst van de overeenkomst tot arbitrage niet (expliciet) de uitbreiding kent tot alle geschillen met betrekking tot de (hoofd)overeenkomst (of iets dergelijks) en (slechts) ziet op geschillen (voortvloeiend) uit de (hoofd)overeenkomst. Zulks wordt met name aangenomen als het gaat om een actie uit hoofde van onverschuldigde betaling.2 Ook bij onrechtmatige daad kan zich dit voordoen, doch zal mijns inziens wel een voldoende verband tussen de onrechtmatige daad en de overeenkomst moeten bestaan (zie ook 10.2.2.2).3
Zulks betekent dat in beginsel niet langer onderscheid in betekenis wordt gemaakt tussen arbitrageovereenkomsten waarin partijen het voorzetsel "onder" of "(voortvloeiend) uit" gebruiken en arbitrageovereenkomsten waarin zij de voorzetsels "met betrekking tot", "in verband met" of "naar aanleiding van" gebruiken voor de aanduiding van de relatie tussen de geschillen en de rechtsbetrekking waarop de arbitrageovereenkomst ziet (zie ook 10.2.2.1).4 Het vorenstaande strookt mijns inziens met de formulering in art. 1020 lid 1 Rv, dat bepaalt dat partijen bij overeenkomst geschillen die uit een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan aan arbitrage kunnen onderwerpen. Deze bepaling sluit geenszins uit dat partijen in hun overeenkomst tot arbitrage geschillen "met betrekking tot", "in verband met" of "naar aanleiding van" een bepaalde overeenkomst aan arbitrage onderwerpen. Kennelijk bestrijkt het voorzetsel "uit" in art. 1020 lid 1 Rv alle zojuist genoemde voorzetsels, die — zo wordt algemeen aangenomen niet op een al te strikte relatie tussen de "geschillen" en de desbetreffende "overeenkomst" duiden. Vraag is dan waarom wij, als partijen zelf in hun arbitrageovereenkomst het voorzetsel "uit" voor de aanduiding van de relatie tussen de "geschillen" en de "overeenkomst" gebruiken, wij dit voorzetsel, op grond van de ogenschijnlijk daartoe strekkende taalkundige betekenis ervan, strikt zouden moeten uitleggen (zie voorts 10.2.2.7).
Mijns inziens kan worden aangenomen dat ook een separate vordering uit hoofde van onrechtmatige daad onder het arbitraal beding valt, en dat het niet nodig is dat naast de vordering uit hoofde van onrechtmatige daad een vordering uit hoofde van de desbetreffende overeenkomst wordt ingesteld.5 Wel zal voldoende verband tussen de onrechtmatige daad en de overeenkomst moeten bestaan.6 Zo zal een arbitraal beding waarin partijen alle geschillen uit een bepaalde overeenkomst aan arbitrage onderwerpen mijns inziens tevens een actie uit hoofde van onrechtmatige daad die betrekking heeft op de uitvoering van de desbetreffende overeenkomst kunnen bestrijken, ook als niet tevens een vordering uit hoofde van de overeenkomst wordt ingesteld. Ook dit strookt, al lijkt het op het eerste oog anders, met het genoemde uitgangspunt van de wens dat alle geschillen in (één) arbitrage en niet gesplitst (in arbitrage en bij de gewone rechter) worden afgedaan (zie 10.2.2.1). Immers, het is heel wel mogelijk dat de wederpartij een tegenvordering instelt uit hoofde van de overeenkomst waarop het arbitraal beding ziet. Ook is een eiswijziging, ertoe strekkend dat (tevens) een vordering uit hoofde van overeenkomst wordt ingesteld, niet denkbeeldig. Aldus bezien, moet het "alles-in-één-vermoeden" in bepaalde mate abstract worden bezien. Het gaat om een vermoeden van de intentie van partijen dat alles in arbitrage (en niet gesplitst in arbitrage en bij de gewone rechter) wordt afgedaan. Dit betekent dat het vermoeden ook kan worden toegepast als slechts één punt in de arbitrage aan de orde is waaromtrent de vraag bestaat of de overeenkomst tot arbitrage zich daartoe uitstrekt. Op grond van het vermoeden kan worden aangenomen dat het de bedoeling is geweest van partijen ook dit ene punt in arbitrage te doen beslechten en dit daarvan niet uit te zonderen (zie ook 10.2.2.1). Ten slotte vormt het genoemde uitgangspunt dat alles in (één) arbitrage wordt afgedaan niet het enige uitgangspunt bij de uitleg van de overeenkomst tot arbitrage.
Overigens is niettegenstaande vorenstaande uiteenzetting geenszins uitgesloten dat in bepaalde gevallen op grond van uitleg moet worden aangenomen dat partijen de overeenkomst tot arbitrage hebben willen beperken tot (alleen) geschillen (voortvloeiend) uit overeenkomst en niet met betrekking tot de desbetreffende overeenkomst (zie ook 10.2.2.1).7 Indien partijen dit wensen, is het overigens raadzaam dat zij dit expliciet in hun overeenkomst tot arbitrage bepalen.
Indien de reikwijdte van de overeenkomst tot arbitrage is beperkt tot bepaalde geschilpunten of vorderingen, is het heel wel mogelijk dat moet worden aangenomen dat zij zich niet (tevens) uitstrekt tot buitencontractuele acties. Zo zal het arbitraal beding dat alle geschillen betreffende de uitleg van de (hoofd)overeenkomst aan arbitrage onderwerpt zich in het algemeen niet uitstrekken tot acties uit hoofde van onrechtmatige daad met betrekking tot de uitvoering van de overeenkomst. Een arbitraal beding dat zich uitstrekt tot vorderingen "uit hoofde van" een bepaalde overeenkomst zal in het algemeen een separate actie uit hoofde van onrechtmatige daad uitsluiten (zie daartoe 10.2.2.2).