Wilsdelegatie in het erfrecht
Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/I.3.3.5.3:I.3.3.5.3 Tussenconclusie
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/I.3.3.5.3
I.3.3.5.3 Tussenconclusie
Documentgegevens:
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS624140:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Welke argumenten in de literatuur vóór en tegen de hierboven genoemde opvattingen bestaan, evenals een schets van de overige jurisprudentie ten aanzien van § 2065 BGB, laat ik buiten beschouwing.1 Een behandeling hieromtrent zou namelijk het bestek van dit onderzoek te buiten gaan, omdat dit onderzoek zich niet richt op de mogelijkheden van wilsdelegatie in het Duitse recht, maar op die in het Nederlandse recht. Met bovenstaande uiteenzetting van de wettelijke uitzonderingen op het verbod van Drittbestimmung en korte schets van de rechtspraak van het Reichsgericht en het Bundesgerichtshof wil ik enkel laten zien dat het Verbot niet bikkelhard geldt en relativering mogelijk is. De wet maakt zelf een aantal uitzonderingen, onder andere voor het legaat en de last. In feite ziet § 2065 II BGB dan ook louter op de erfstelling. Maar ook hier wankelt het. De krenkende angel is door de rechtspraak (met name door de uitspraak van het Reichsgericht, waarbij een ‘reines Werturteil’ van een derde werd toegestaan en door de gedeeltelijke ondersteuning hiervan in de literatuur) uit het Drittbestimmungsverbot getrokken. Dit Verbot had overigens mijns inziens sowieso al niet veel omhanden, zo betoogde ik reeds in het eerste hoofdstuk (‘Testeervrijheid’). Met het in kaart brengen van de testeervrijheid en haar grenzen speurde ik, aan de hand van Duitse literatuur, tevens de rechtvaardiging van een delegatieverbod na.2 Tussen de regels door gelezen, werd duidelijk dat achter de Regelungsziele van § 2065 BGB (dat erflater de verantwoordelijkheid over zijn laatste wil niet op anderen mag afschuiven) geen overtuigende rechtvaardiging schuilgaat. Hierover nog enkele aanvullende opmerkingen in de volgende paragraaf.