Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/2.3.4:2.3.4 De vorm van de klacht: wijziging van het Wetboek van Strafvordering
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/2.3.4
2.3.4 De vorm van de klacht: wijziging van het Wetboek van Strafvordering
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946076:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de memorie van toelichting bij het Wetboek van Strafrecht uit 1886 volgt dat – naast de bepalingen in boek I en II van het Wetboek van Strafrecht – het derde deel aan regelgeving betreffende klachtdelicten diende te worden geregeld in het Wetboek van Strafvordering. In de memorie van toelichting werd hierover opgetekend:
‘de vorm der klagt blijft ter regeling overgelaten aan het wetboek van strafvordering’.1
In paragraaf 2.2 omtrent de oorsprong van het klachtdelict in Nederland is reeds aan bod gekomen dat in de strafvorderlijke wetgeving van 1838 aan het uitgangspunt van ambtshalve vervolging de uitzondering van een aantal klachtdelicten is toegevoegd. In dit door de Franse wetgeving geïnspireerde wetboek geschiedde dit door een tweede alinea aan art. 22 toe te voegen die luidde:
‘Echter zal in zaken van overspel, hoon, laster of schennis van vrijwillige bewaargeving het Openbaar Ministerie geen nasporing of vervolging kunnen doen, dan op klachte der beleedigde partij. Deze bepaling is niet toepasselijk op hoon of laster jegens den Koning, de leden van het koninklijk huis, of de openbaar gestelde machten gepleegd’.
Het aanwijzen van klachtdelicten in het Wetboek van Strafvordering strookte echter niet met de wetssystematiek die de wetgever in 1886 voorstond en waarbij slechts de vorm van de klacht in strafvorderlijke bepalingen zou zijn gevat. De Pinto schreef onder meer ten aanzien van art. 22 lid 2 Sv:
‘In het geldende Wetboek van Strafvordering komen vele bepalingen voor, die behooren tot het materieele strafrecht, en die alzoo bij de invoering van het nieuwe Wetboek van Strafrecht, dat de onderwerpen, waartoe zij betrekking hebben, regelt, moeten vervallen’.2
Het bovenvermelde tweede lid van art. 22 kwam dan ook te vervallen bij de invoering van het Wetboek van Strafrecht op 1 september 1886.
In relatie tot ‘de vorm der klagt’ is bij deze wetswijziging tevens een aantal nieuwe artikelen gevoegd in het Wetboek van Strafvordering.3 De Staatscommissie, en in navolging daarvan de regering, meenden dat in het Wetboek van Strafrecht moest zijn geregeld wie een klacht kon indienen en binnen welke termijn indiening (en eventueel intrekking) moest plaatshebben. Daaraan was de gedachte gekoppeld dat in het Wetboek van Strafvordering specifiek zou worden geregeld aan welke ambtenaren een klacht kon worden gericht en in welke vorm dit behoorde te geschieden.4 Het Wetboek van Strafvordering voorzag hierin echter nog niet. Dit leidde ertoe dat in een nieuw art. 13 werd bepaald dat de klacht zowel mondeling als schriftelijk kon geschieden bij de daartoe bevoegde ambtenaar en dat de klacht kon worden ingediend door de daartoe gerechtigde of door een persoon die door de daartoe gerechtigde van een schriftelijke, bijzondere volmacht was voorzien. In art. 14 werd de (hulp-)officier van justitie bevoegd en verplicht verklaard tot het ontvangen van klachten en tot slot werd in art. 15 bepaald dat het intrekken van klachten op dezelfde wijze geschiedt als het indienen daarvan. Bij de voorbereiding van de wetswijziging is de vraag gesteld waarom aan het indienen van een klacht, anders dan bij het doen van aangifte, zulke strenge eisen zouden moeten worden verbonden. Met name de slotzin van art. 13 – ‘Alles op straffe van nietigheid’ – stond ter discussie. Daartoe werd uiteindelijk toch besloten nu een behoorlijke klacht een essentieel vereiste is, waarvan de bevoegdheid van het openbaar ministerie om klachtdelicten te kunnen vervolgen afhankelijk is, terwijl andere delicten ook zonder aangifte kunnen worden vervolgd.5 Het belang van de klacht, en het onderscheid ten overstaan van een aangifte, werd daarmee onderstreept.