Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/5.1
5.1 Inleiding
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS385812:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
F. Bolkestein, ‘Het oog van de meester maakt het paard vet’ in I.W. Wildenberg & F.J.M. Zwetsloot (reds.), Naar een nieuwe machtsdeling in de Nederlandse vennootschap: over de verhouding tussen aandeelhouders, commissarissen, directieleden en werknemers in de Nederlandse vennootschap, Deventer: Kluwer 1994, p. 39.
F. Bolkestein, ‘The EU Action Plan for Corporate Governance’, voordracht gehouden op 24 juni 2004 te Berlijn, EC SPEECH/04/331.
Een voorbeeld hiervan is de passage uit de meest recente druk van het Handboek (bewerkt door Dortmond) over de achtergrond van het goedkeuringsrecht van de AVA voor belangrijke bestuursbesluiten op grond van artikel 2:107a BW. Dortmond presenteert artikel 2:107a BW als een uitwerking van het in de Code Tabaksblat neergelegde Principe IV dat de AVA een zodanige invloed dient te kunnen uitoefenen op het beleid van het bestuur van de vennootschap dat zij een volwaardige rol speelt in het systeem van ‘checks & balances’. ZieE.J.J. van der Heijden & W.C.L. van der Grinten, Handboek voor de naamloze en de besloten vennootschap, 13e druk, bewerkt door P.J. Dortmond, Deventer: Kluwer 2013, nr. 203.2. Het door Dortmond gelegde verband tussen de Code Tabaksblat en artikel 2:107a BW in de zin dat de laatste een uitwerking zou vormen van de eerste lijkt mij niet juist. Dit kan ook niet vanwege het feit dat het wetsvoorstel voor artikel 2:107a BW reeds in behandeling was op het moment dat de Commissie Tabaksblat aan haar werkzaamheden begon. Zie voor een ander voorbeeld Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2009, nr. 9: “De periode vanaf de eeuwwisseling stond in het teken van een discussie over aandeelhoudersrechten en corporate governance. (…). De corporate governance discussie heeft geleid tot de Corporate Governance Code van 9 december 2003 (…). Mede in het teken van de corporate governance-discussie stond de Wet van 9 juli 2004 tot aanpassing van de structuurregeling. (…).”
In deze zin Assink 2009, p. 22-23 die de totstandkoming van de Code 2003 in het verlengde plaatst van een evaluatie van de naleving van de aanbevelingen uit het Rapport Commissie Peters 1997 door de Nederlandse Corporate Governance Stichting in 2002, welke evaluatie op haar beurt weer (mede) ingegeven zou zijn door “de boekhoudmisstanden bij beursvennootschappen, eerst in de VS (o.a. Enron, Tyco, WorldCom, Qwest en Xerox), later ook in Europa (o.a. Ahold, Lernout & Hauspie, Parmalat en Shell).” Deze koppeling wekt de suggestie dat ook het boekhoudschandaal rond Ahold een directe aanleiding is geweest voor deze evaluatie. Dit is niet het geval, aangezien de eerste berichten over boekhoudmisstanden bij Ahold pas in februari 2003 bekend werden. De koppeling
Mededeling van de Europese Commissie aan de Raad en het Europese Parlement ‘Modernising Company Law and Enhancing Corporate Governance in the European Union – A Plan to Move Forward’ van 21 mei 2003, COM (2003) 284 def.
In deze zin P.A. van der Schee, ‘Concepts underlying regulatory responses to Enronitis’, in P.H.J. Essers et al. (reds.), Met Recht, liber amicorum M.J.G.C. Raaijmakers, Deventer: Kluwer 2009, p. 399-407.
“Het structuurregime heeft de rechten van aandeelhouders verregaand inge perkt. Daarmee past deze regeling in de na-oorlogse neiging afbreuk te doen aan eigendomsrechten. Het is inmiddels wel duidelijk dat de uitholling van eigendomsrechten schadelijk is voor de Nederlandse economie. Met het oog op de concurrentiepositie daarvan is het noodzakelijk de invloed van aandeelhouders op het beleid van de vennootschap in Nederland te herstel len.”1
“Better disclosure will help the markets to play their disciplining role, but only if shareholders can make their voices heard. In consequence, the third element of our Action Plan is to generate shareholder power by strengthening shareholders’ rights in listed companies. I firmly believe that a more accountable relationship between shareholders and directors is necessary in order to control excesses. The flipside of the coin is, of course, that shareholders must also take their responsibilities seriously.”2
Bovenstaande citaten zijn afkomstig uit twee voordrachten van Frits Bolkestein. Tussen beide voordrachten lag een periode van iets meer dan tien jaar. Ten tijde van de eerste voordracht, in het najaar van 1993, was Bolkestein politiek leider van de VVD, de partij die in 1994 in de ‘paarse’ coalitie met de PvdA en D66 de regering van het kabinet Kok I zou vormen. Tien jaar later, ten tijde van de tweede voordracht in juni 2004, was Bolkestein inmiddels lid van de Europese Commissie waarin hij als verantwoordelijk commissaris voor het DG ‘Interne Markt’ onder meer de Europese initiatieven op het gebied van het ondernemingsrecht in zijn portefeuille had. In de tussenliggende periode van tien jaar zouden zich belangrijke wijzigingen voltrekken in het beleid en de wet- en regelgeving met betrekking tot beursvennootschappen, zowel op nationaal- als ook op Europees niveau. De meeste van deze wijzigingen zijn tussen 1999 en 2004 geëffectueerd. Zij vormen het onderwerp van dit hoofdstuk.
De hierboven weergegeven citaten wijzen op een consistentie in de opvattingen van Bolkestein. Deze constatering is niet zonder belang. De wijze waarop de periode 1999-2004 in de Nederlandse ondernemingsrechtelijke handboeken doorgaans wordt weergegeven suggereert dat de belangrijkste ontwikkelingen die zich in deze periode in de Nederlandse context hebben voorgedaan, in het bijzonder de publicatie van de Code Tabaksblat in 2003 en de herziening van de wetgeving met betrekking tot structuurregime en aanpalende onderwerpen in 2004, indertijd zijn ingegeven door veranderde inzichten die in dezelfde periode zijn ontstaan.3 Ook wordt in de tegenwoordige literatuur nog wel eens de indruk gewekt dat de Code Tabaksblat en de wetswijzigingen uit 2004 in feite ‘event driven’ waren, dat wil zeggen dat zij direct door bepaalde gebeurtenissen waren ingegeven. In dit verband wordt wel gewezen op de teruglopende beurskoersen aan het begin van de 21ste eeuw en op de boekhoudschandalen in de Verenigde Staten rond bedrijven zoals Enron in 2001 en 2002.4
Hiermee wordt – wellicht onbedoeld – de suggestie gewekt dat deze gebeurtenissen bij beleidsbepalers een omslag in denken teweeg hebben gebracht, welke omslag in denken zich vervolgens weer in concrete wijzigingen in wetgeving en beleid heeft vertaald. In deze redenering volgen wetten en regels op veranderde ideeën die up hun beurt weer hun oorsprong vinden in veranderde feiten en omstandigheden.
De constante in de opvattingen van Bolkestein laat zien dat de lijnen in ieder geval voor wat betreft de normatieve onderstroom verder teruggaan. Het is dan ook onjuist om initiatieven als de Code Tabaksblat en het EU Action Plan5 te duiden als enkel een reactie op het barsten van de internetzeepbel en de Amerikaanse boekhoudschandalen.6 Achter deze initiatieven ging namelijk ook een element van actie schuil. Zoals ik in hoofdstuk 3 uiteen heb gezet en in dit hoofdstuk verder zal uitwerken, waren de ideeën en opvattingen die aan deze initiatieven ten grondslag lagen in feite voor de eeuwwisseling al gevormd. Gebeurtenissen zoals de boekhoudschandalen bij Enron, Parmalat en Ahold vormden niet zozeer de aanleiding voor het doorvoeren van drastische wijzigingen in beleid en wet- en regelgeving, maar eerder factoren in een totaalpakket aan omstandigheden die momentum en legitimiteit verschaften voor de doorvoering van op dat moment reeds voorgenomen beleidswijzigingen en voor de effectuering van dat nieuwe beleid in wet- en regelgeving. Bolkesteins opvattingen waren niet veranderd, de mate waarin hij en zijn gelijkgezinden gehoor vonden voor hun op basis van deze opvattingen geformuleerde voorstellen wel.
Dit hoofdstuk begint waar hoofdstuk 3 is geëindigd, namelijk in 1999, en bestrijkt de periode tot aan grofweg eind 2004. Achtereenvolgens komen aan bod de ontwikkelingen die zich in deze periode hebben voorgedaan in de Nederlandse beleid (§5.2) en de relevante ontwikkelingen op Europees niveau tussen de evaluatie van de Nederlandse Corporate Governance Stichting en de boekhoudschandalen in de Verenigde Staten is overigens wel terecht, al waren deze schandalen zeker niet de enige aanleiding. Zie J.F.M. Peters, ‘Vijf jaar Corporate Governance in Nederland’, in Nederlandse Corporate Governance Stichting, Corporate Governance in Nederland 2002: de stand van zaken, Amsterdam: Nederlandse Corporate Governance Stichting, p. 7-10, in het bijzonder p. 9 (met verwijzing naar US Sarbanes Oxley Act). Zie in dezelfde zin Cools 2005, p. 15: “Anders dan soms wordt gedacht, waren de financiële schandalen in de Verenigde Staten en de Ahold-affaire niet de belangrijkste aanleiding voor het instellen van de Commissie Tabaksblat. De initiële reden voor het kabinet om een nieuwe corporate governance-commissie in te stellen was het grotendeels mislukken van de ‘Veertig van Peters’.” (§5.3). Paragrafen 5.4, 5.5 en 5.6 behandelen de ontwikkelingen die zich vanuit deze achtergrond voltrokken in achtereenvolgens rechtspraak, zelfregulering en wetgeving. Bij de beschrijving van de achtergrond van al deze ontwikkelingen zal veelvuldig worden teruggegrepen op de in hoofdstuk 3 beschreven gebeurtenissen en ontwikkelingen als ook op de in hoofdstuk 4 beschreven normatieve concepten afkomstig uit de rechtseconomische benadering van het ondernemingsrecht. Aan de hand hiervan zal ik betogen dat er op het normatieve niveau sprake is geweest van zekere constante factoren en dat de ontwikkelingen die zich vanaf 1999 hebben voltrokken in zoverre op die punten geen normatieve wending behelsden. Paragraaf 5.7 bevat enkele afrondende opmerkingen.