Sturen met proceskosten
Einde inhoudsopgave
Sturen met proceskosten (BPP nr. XII) 2011/6.9:6.9 Conclusie potentiële nieuwe prikkels
Sturen met proceskosten (BPP nr. XII) 2011/6.9
6.9 Conclusie potentiële nieuwe prikkels
Documentgegevens:
mr. P. Sluijter, datum 31-10-2011
- Datum
31-10-2011
- Auteur
mr. P. Sluijter
- JCDI
JCDI:ADS594383:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Jackson 2010, p. xvi-xvii.
Hodges, Vogenauer & Tulibacka 2010, p. 5.
Het Europese civiel procesrecht staat überhaupt nog in de kinderschoenen, aldus Van der Grinten 2007, p. 65, die constateert dat er na Storme (red.) 1994 nauwelijks fundamenteel debat over heeft plaatsgevonden. Freudenthal 2007, p. 282-283, spreekt weliswaar over 'stormachtige ontwikkelingen', maar ziet ook problemen bij de harmonisatie, mede door de veelal incidentele Europese procesrechtelijke wetgeving en een gebrek aan een weloverwogen basisconcept.
Zie ook § 9.2.5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk is gezocht naar buitenlandse alternatieve prikkels die eventueel in het Nederlandse systeem kunnen worden ingepast om vertragend en kostenverhogend gedrag te ontmoedigen. Als startpunt zijn de twee Engelse rechtsvergelijkende studies van Jackson en van Hodges & Vogenauer gebruikt, aangevuld met de landenrapporten van het XVIIIth International Congress of Comparative Law, waarin op basis van de criteria realisme, diversiteit en toegankelijkheid is gezocht naar mogelijke opties. Naar aanleiding van de daarin gevonden aanknopingspunten is een aantal landen uitgebreider aan bod gekomen: België, Duitsland, Verenigde Staten, Engeland & Wales, Canada, Australië en Nieuw-Zeeland. Voor de prikkel ' scherpe normen' zijn bovendien regelingen uit tal van andere landen opgezocht.
Eerst zijn de prikkels in hun buitenlandse context besproken, waarna ze aan het eind van iedere paragraaf zijn samengevat en abstract zijn geformuleerd, zodat ze te toetsen zijn op de verwachte effecten die een implementatie in het Nederlandse systeem zal hebben. Die toetsing vindt in hoofdstuk 8 plaats.
De gevonden alternatieven zijn: (1) minimum- en maximumbedragen, (2) de indemnity basis, (3) geen prikkels, (4) scherpe normen en (5) het eigen beursje. De abstract geformuleerde eigenschappen staan in onderstaande tabel opgenomen.
Prikkel
Eigenschappen
Land(en) van inspiratie
Minimum- en maximum bedragen
— Forfaitaire vergoedingen van advocatenkosten met een basisbedrag en de mogelijkheid voor de rechter om gemotiveerd af te wijken naar een wettelijk bepaald minimum- of maximumbedrag;
België
— De kennelijk onredelijke situatie als criterium om af te wijken;
— Het verbod om die minima of maxima te overschrijden, zelfs bij procesrechtsmisbruik.
Indemnity basis
— Er is een standard basis met forfaitaire tarieven en/of een proportionaliteitstoets (de kostenveroordeling mag niet te hoog zijn ten opzichte van het zaaksbelang), waardoor de kostenveroordeling normaliter niet kostendekkend is;
Engeland & Wales, Canada, Australië, Nieuw-Zeeland
— Er is een indemnity basis die de rechter (uitgebreid) gemotiveerd toepast bij de zwaardere varianten van verstorend procesgedrag;
— Bij de indemnity basis worden de forfaitaire tarieven en/of proportionaliteitstoetsen van de standard basis losgelaten. De ontvanger krijgt daardoor een significant hogere kostenvergoeding dan normaal;
— De eis dat alleen de redelijk gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking komen blijft bij de indemnity basis overeind staan;
— De werkelijk gemaakte proceskosten worden nooit overstegen.
Geen prikkels
— De proceskosten volgen uit rigide tariefschalen, zonder beslissingsruimte voor de rechter;
Enige inspiratie ontleend aan Duitsland (zie uitleg in § 6.6)
— De verliezer van de procedure betaalt de kosten van de winnaar;
— Bij gedeeld gelijk worden de kosten gecompenseerd of proportioneel verdeeld aan de hand van de mate van gelijk;
— De rechter mag bij zijn kostenbeslissing geen rekening houden met gedrag voor of tijdens de procedure of met andere elementen die met de proceshouding te maken hebben.
Scherpe normen
— Kostenconsequenties worden aan specifieke verstorende gedragingen gekoppeld.
17 landen
Eigen beursje
— De advocaat kan rechtstreeks in de (gedeeltelijke of gehele) proceskosten van de wederpartij (en in die van de eigen cliënt) worden veroordeeld bij (ernstig) onbehoorlijk, onredelijk of nalatig gedrag;
Meerdere landen, met name Engeland en Verenigde Staten (federaal)
— De rechter kan de sanctie ambtshalve of op partijverzoek toepassen, maar de te treffen advocaat moet wel gelegenheid hebben tot verweer;
— De getroffen advocaat moet in hoger beroep kunnen tegen de sanctie;
— Het eigen beursje dient (mede) ter preventie van verstorend procesgedrag (dus niet alleen ter compensatie van de getroffen eigen cliënt en/of de wederpartij).
Bovenstaande tabel met potentiële nieuwe prikkels was het beoogde resultaat van dit hoofdstuk. De bestudering van buitenlandse systemen heeft echter ook andere vermeldenswaardige zaken duidelijk gemaakt.
Wat uit die rapporten en uit de landenbeschrijvingen in voorgaande paragrafen het meest naar voren komt, zijn de grote verschillen tussen de kostensystemen, op welk gebied ook geen convergerende ontwikkelingen zijn waar te nemen. Jackson heeft in het Preliminary Report bijvoorbeeld wel gekeken naar de buitenlandse systemen, maar de aanbevelingen in het Final Report voor Engelse hervormingen leiden niet tot imitatie van een heel buitenlands systeem, ondanks de duidelijke sympathie van Jackson voor de voorspelbaarheid en efficiëntie van de Duitse kostenpraktijk. Jackson doet uiteindelijk vooral aanbevelingen die hier en daar wat bijschaven en de drastische aanbeveling om success fees voor advocaten en after the event insurance-premies geen onderdeel meer uit te laten maken van de kostenveroordeling, gecombineerd met hogere schadevergoedingen en one way fee shifting in letselschadezaken.1 Die veranderingen zijn echter slechts deels geïnspireerd door buitenlandse regelingen, dus het Engelse systeem blijft vooral erg Engels. Ook België en Portugal hebben recent hun kostensystemen aangepast; in die landen is eveneens gekozen voor geheel eigen invullingen, zonder aan te sluiten bij andere landen.2
Het staat dus vast dat het in ieder geval een stevige kluif wordt voor Europese beleidsmakers, indien zij het gebied van de proceskostenveroordeling willen gaan harmoniseren.3 Welke keuze in dat geval ook wordt gemaakt; altijd zal dit een grote verandering betekenen voor een groot deel van de Lidstaten.
Bij het specifieke onderdeel waarover dit onderzoek gaat, de kostenconsequenties ten aanzien van verstorend procesgedrag, is het de vraag of de verschillen überhaupt overbrugbaar zijn. In het overzicht met scherpe normen in § 6.7 is te zien dat er tussen de wetsbepalingen vaak wel overeenkomsten zijn, maar het is uiteindelijk vooral de vraag hoe snel en hoe streng rechters in de praktijk een dergelijke wetsbepaling toepassen. Ook kunnen er per land verschillen zijn in de aard en omvang van de problemen met verstorend procesgedrag. De Nederlandse rechters blijken terughoudend te zijn met kostensancties, maar geldt dat ook voor hun buitenlandse collega's en zo ja, in welke mate?4 Invoering van een Europese regeling met geharmoniseerde kostensanctiebepalingen zou de verschillen op papier dus overbruggen, maar in de praktijk zal het blijven afhangen van de lokale mate van terughoudendheid om de sancties toe te passen.