Einde inhoudsopgave
Sturen met proceskosten (BPP nr. XII) 2011/6.2
6.2 Selectie
mr. P. Sluijter, datum 31-10-2011
- Datum
31-10-2011
- Auteur
mr. P. Sluijter
- JCDI
JCDI:ADS597898:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Georganiseerd door het Centre for Socio-Legal Studies en het Institute of European and Comparative Law aan de University of Oxford. Zie http://www.csls.ox.ac.uk/european_civil_justice_systems.php, laatst geraadpleegd op 5 april 2011.
De vragenlijst staat in Appendix I van Hodges, Vogenauer & Tulibacka 2009.
Hodges, Vogenauer & Tulibacka (red.) 2010.
Te vinden op http://www.csls.ox.ac.uk/COSTOFLITIGATIONDOCUMENTSANDREPORTS.php; het betreft rapporten van 31 landen, laatst geraadpleegd op 5 april 2011. De namen van de rapporteurs (academic/practitioners) staan in Hodges, Vogenauer & Tulibacka (red.) 2010, p. xiii e.v.
Hodges, Vogenauer & Tulibacka 2009.
Jackson 2009, p. 1-4.
Jackson 2009.
Zelf heb ik het publieke seminar op 27 juni 2009 in Birmingham bijgewoond.
Jackson 2010.
Georganiseerd door de International Academy of Comparative Law en de American Society of Comparative met drie Washingtonse Law Schools als gastheren. Het congres vond plaats van 25 juli t/m 1 augustus 2010.
De rapporten stonden tot en met augustus 2010 op de website http://www.wcl.american.edu/ events/2010congress/welcome.en.cfm. Deze zijn daarna verwijderd in verband met publicatierechten.
Reimann 2010, p. 64-65.
Reimann 2010, op. 64.
Reimann 2010, p. 64. Dit lijkt ook uit de Oxfordse cijfers te volgen, hoewel het sterk per zaakstype kan verschillen, zie Hodges, Vogenauer & Tulibacka 2010, p. 33 e.v en p. 69.
Dit in verband met het feit dat het hoofdstuk al grotendeels op basis van de Engelse rapporten was geschreven, op het moment dat de Amerikaanse conferentie plaatsvond. Van Australië, België, Bulgarije, Canada, China, Denemarken, Duitsland, Engeland & Wales, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hong Kong, Hongarije, Ierland, Italië, Japan, Letland, Nederland, Noorwegen, Polen, Portugal, Roemenië, Rusland, Schotland, Singapore, Taiwan, Tsjechië, Verenigde Staten, Zweden en Zwitserland staan één oftwee rapporten op de website van het Oxfordse project (http:// www.csls.ox.ac.uk/COSTOFLITIGATIONDOCUMENTSANDREPORTS.php, laatst geraadpleegd op 5 april 2011). In Jackson 2009 worden in respectievelijk Chapters 54 t/m 62 behandeld: Schotland, Duitsland, Frankrijk, Nederland, Australië, Nieuw-Zeeland, Verenigde Staten, Canada en de Oost-Caraïben. Van de Washingtonse conferentie worden besproken: Australië, België, Canada, China, Duitsland, Engeland & Wales, Finland, Frankrijk, Griekenland, Italië, Japan, Nederland, Noorwegen, Polen, Rusland, Schotland, Taiwan, Tsjechië, Verenigde Staten, Zweden en Zwitserland. Onbesproken blijven Brazilië, IJsland, India, Israël, Macau, Mexico, Oostenrijk, Servië, Slovenië, Turkije, Venezuela, Zuid-Afrika en Zuid-Korea.
Taruffo (red.) 1999 is een mooie rechtsvergelijkende studie over processuele sancties maar is te gedateerd, terwijl een aantal Europese onderzoeken te weinig relevante informatie over het onderhavige onderwerp bevatten. Zie Reimann 2010, p. 8, voetnoot 8 voor een overzicht. Vermeldenswaard is Pfennigstorf 1984, die veel Europese systemen bespreekt en ook ingaat op de historische achtergronden van de kostenregels.
De Portugese en Griekse landenrapporten (Oxford) blonken bijvoorbeeld niet uit in helderheid op het gebied van kostensancties.
Met beschikbaarheid wordt ook gedoeld op de aanwezigheid van bronnen in de Engelse, Duitse of Franse taal.
Gedurende 2009 hebben er twee Engelse studies over de kosten van de civiele rechtspleging plaatsgevonden, waarvan er één puur rechtsvergelijkend is en de andere een belangrijke rechtsvergelijkende component heeft. Het gaat in de eerste plaats om het Oxfordse project 'Costs and mechanisms of funding of litigation' onder leiding van Christopher Hodges en Stefan Vogenauer.1 Zij hebben naar rapporteurs in 34 landen een questionnaire gestuurd met als onderwerp de nationale regels en praktijken omtrent de financiering en de kosten van het civiele rechtssysteem. Deze vragen dienden door een nationale praktijkjurist te worden beantwoord, waarna een academicus die informatie moest voorzien van achtergronden, nationale context en een kritische beschouwing.2 Medio2010ishetboek3 uitgekomen, maar ik heb voor die tijd gebruik gemaakt van de verschillende landenrapporten4 en een artikel met eerste resultaten.5
De andere Engelse studie was in het kader van de grootschalige Review of Civil Litigation Costs, waarin Lord Justice Jackson de taak had om met voorstellen te komen om de toegang tot het recht van het Engelse rechtssysteem te verbeteren en de kosten naar een proportioneel niveau te brengen. De Woolf-reforms in de jaren '90 hadden namelijk wel de doorlooptijden van procedures weten te verkorten, maar de kosten zijn sinds die tijd alleen maar verder gestegen.6 Jackson heeft in een lijvig Preliminary Report de kostenstructuren van het Engelse systeem in kaart gebracht en ook enkele buitenlandse systemen laten onderzoeken.7 De daarin geformuleerde tijdelijke conclusies werden in de eerste helft van 2009 onderwerp van meerdere publieke debatten, seminars8 en publicaties. Jackson en zijn team hebben daarna het Final Report geschreven met tal van concrete aanbevelingen voor de Engelse praktijk.9 De aanbevelingen zijn zeer lezenswaardig, maar voor de zoektocht naar potentiële nieuwe prikkels is hier vooral het rechtsvergelijkende deel in Part 11 van het Preliminary Report van belang.
Medio 2010 vond er nog een derde rechtsvergelijkend project plaats. In het kader van een sessie over 'Cost and fee allocation rules' tijdens het XVIIIth International Congress of Comparative Law10 verschenen van 35 landen rapporten over de plaatselijke kostenregels.11 Vermeldenswaard is het overkoepelende rapport van Reimann, met daarin een moedige poging om enige algemene lijnen te vinden in de verschillende systemen.12 Tot een overtuigende indeling komt hij niet, maar enige lijn in de kostenstelsels weet hij wel te vinden. De Centraal-Europese en Scandinavische landen vertonen onderling grote overeenkomsten, net zoals het enigszins plausibel is om te spreken van een Commonwealth-groep en een Iberische groep (Spanje, Portugal en Latijns-Amerikaanse landen).13 De klassieke verdeling tussen common law en civil law is vrijwel niet te maken op het gebied van proceskosten. Reimann ziet als enig verband dat de advocatenkosten in common law-landen hoger en onvoorspelbaarder zijn dan in civil law-landen, wat te verklaren valt door de hogere werklast die in het common law in de pre-trial-fase bij advocaten wordt neergelegd. In civil law-systemen is de rechter actiever in het proces en het sturen van de bewijsgaring, met als gevolg meestal lagere advocatenkosten.14
Er is voor gekozen om in dit onderzoek de zoektocht naar alternatieve prikkels te beperken tot de landen die in minstens één van bovengenoemde Engelse studies aan bod zijn gekomen; van het Amerikaanse project zijn slechts de rapporten gebruikt van landen die ook in minstens één van de Engelse studies aan bod zijn gekomen.15 Er zijn naast de drie genoemde studies nog andere rechtsvergelijkende onderzoeken geweest, maar die zijn te gedateerd of bevatten onvoldoende accurate informatie over kostenconsequenties.16
Hoewel in het Oxfordse onderzoek bij sommige landen de rapporten van ofwel de praktijkjurist ofwel de academicus ontbreken en de kwaliteit en begrijpelijkheid van de Oxfordse en Washingtonse rapporten soms gebrekkig zijn,17 kon over vrijwel alle landen relevante informatie worden verkregen. De delen uit de rapporten die gaan over het gebruik van de kostenveroordeling als prikkel tot wenselijk gedrag zijn verzameld en nader bekeken. Als daarbij relevante aanwijzingen werden gevonden, zijn de in de rapporten genoemde literatuur en wetgeving opgezocht en is aanvullende informatie (zoals jurisprudentie) verzameld.
Het selecteren van potentiële prikkels is gebeurd op basis van de criteria diversiteit, haalbaarheid en toegankelijkheid. Met diversiteit wordt bedoeld dat van meerdere prikkels die op elkaar lijken er slechts één is uitgekozen en beoordeeld. Uit hoofdstuk 5 volgde dat verschillende oplossingsrichtingen mogelijk zijn, namelijk zowel in de richting van een nóg kleinere rol voor kostenprikkels -dus toegeven aan de rechterlijke terughoudendheid - als in de richting van sterkere of andere kostenprikkels, waarmee juist wordt gepoogd om de rechterlijke terughoudendheid weg te nemen. Diversiteit tussen de alternatieven zorgt daardoor voor een zo breed mogelijke blik. Haalbaarheid betekent dat een potentiële prikkel wel in een westerse samenleving moet kunnen passen18 en dat die op het eerste gezicht wel enige potentie moet hebben om een verbetering te vormen in het Nederlandse systeem. De toegankelijkheid houdt in dat de voorkeur is uitgegaan naar prikkels uit landen waarvan (verwacht werd dat) bronnen beschikbaar19 waren die details bevatten omtrent de werking van de betreffende prikkels.