Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/13.4.1.2.2
13.4.1.2.2 Niet-gefaciliteerde certificering
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232904:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 10 februari 1960, ECLI:NL:HR:1960:AY0698, BNB 1960/123. Vergelijk voorts HR 21 september 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3903, BNB 1988/308, en HR 9 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:BH8757, BNB 1994/231, waaruit volgt dat de HR van mening is dat sprake is van een vervreemding door de aanmerkelijkbelanghouder, voor zover hij (tot) zijn aanmerkelijk belang (behorende rechten) vervreemdt.
Rijkers en Van Dijck 2000, pagina 158. De omstandigheid dat de vervreemding van in de aandelen besloten liggende rechten tot belastbare vervreemdingswinst leidt, is eerst met de invoering van de huidige aanmerkelijkbelangregeling per 1 januari 1997 expliciet opgenomen in de wet (zie artikel 20a lid 1 sub b Wet IB 1964). Hiermee is evenwel geen afwijking van de in de jurisprudentie ontwikkelde lijn beoogd, zie Kamerstukken II vergaderjaar 1995/96, 24 761, nr. 3, pagina 41.
Rijkers en Van Dijck 2000, paragraaf 8.3.
Besluit van 9 maart 2018, nr. 2018-27139, StaatscourantStaatscourant nr. 15751, punt 4.3. In voorlopers van dit besluit, zoals het besluit van 4 september 2012, nr. BLKB2012/101M, BNB 2013/22, leek nog te worden uitgegaan van een beoordeling of sprake was van een wijziging in de (aan de) aandelen (verbonden rechten), ongeacht of deze rechten via een andere weg voor de aandeelhouder behouden bleven. De huidige visie van de staatssecretaris sluit aan bij de hiervoor aangehaalde jurisprudentie van de Hoge Raad.
In dit verband merk ik op dat de oude aanmerkelijkbelangregeling, zowel onder de Wet IB 1964, als daarvoor het Besluit IB 1941, aanknoopten bij de realisatie door de aanmerkelijkbelanghouder van zijn aandeel in de door de vennootschap behaalde winsten (en niet zijn aandeel in het kapitaal, zie Rijkers en Van Dijck 2000, pagina 154 en 156, alsmede paragraaf 8.2.8). In latere jurisprudentie is de toets verschoven van winstrealisatie naar vermogensrealisatie, in welk laatste geval ook het te gelde maken van uitsluitend het aandeel van de aanmerkelijkbelanghouder in het kapitaal tot een vervreemding leidt. De lijn uit de jurisprudentie dat, indien de fiscaal economische betekenis van hetgeen de aanmerkelijkbelanghouder houdt door een transactie niet wijzigt, geen sprake is van een vervreemding, blijft echter gelden. Ook de wetswijzing waarbij per 1 januari 1997 de huidige aanmerkelijkbelangregeling werd ingevoerd, heeft er niet toe geleid dat nu wel sprake kan zijn van een vervreemding bij een ongewijzigde fiscaal-economisch positie van rechten (zie Rijkers en Van Dijck 2000, pagina 171).
Deze verandering zit erin dat de aanmerkelijkbelanghouder inkomstenbelasting verschuldigd was ter zake van dividenden en vervreemdingswinsten behaald met de aandelen, terwijl de holding te dier zake de deelnemingsvrijstelling kan toepassen. Ik vind dit een wat kunstmatig verschil, in aanmerking nemend dat van de verschuldigdheid van inkomstenbelasting alsnog sprake is met betrekking tot de verkregen aandelen in de holding. Aannemend dat het economische belang en (eventueel) de zeggenschapspositie ongewijzigd zijn gebleven, hoeft men dit naar mijn mening niet als een (significante) wijziging te beschouwen. Zie in dit verband ook de noot van Dijck onder HR BNB 1993/231, waarin de Hoge Raad met een vergelijkbare beslissing komt. Van Dijck merkt daar op dat deze redenering van de Hoge Raad een drogreden bevat: de economische betekenis van de verkregen aandelen voor de aanmerkelijkbelanghouder wordt niet bepaald door de economische betekenis van de ingebrachte aandelen voor de holding.
Zie de voorgaande noot.
Het is uiteraard denkbaar dat de certificaathouder nog zeggenschap van betekenis heeft; zeker de certificerende aandeelhouder zal zich vaak zeggenschap voorbehouden, doordat hij (al dan niet enig) bestuurder is van de STAK. Het lijkt mij dat hiermee echter slechts rekening gehouden moet worden, indien deze zeggenschap verbonden is aan het bezit van de certificaten, met andere woorden dat een opvolgende certificaathouder deze zeggenschap ook zal verkrijgen. Vanuit het perspectief van certificering als beschermingsfiguur ga ik er in dit hoofdstuk vanuit dat van een dergelijke connectie tussen zeggenschap en certificatenbezit geen sprake is.
Vergelijk tevens Rijkers en Van Dijck 2000, pagina 192, die opmerken dat (economische betekenis van) de machtscomponent van de aandelen onder de huidige aanmerkelijkbelangregeling valt, zodat de enkele vervreemding van juridische eigendom ook tot een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling leidt. Zij werpen daarbij, mijns inziens terecht, de vraag op in hoeverre vervreemd wordt. Op dit punt kom ik later in deze paragraaf terug.
Zie De Leeuw 2018, paragraaf 2.4.
Anders Rijkers en Van Dijck 2000, pagina 192 - 193, die van mening zijn dat de ruilgedachte uit de jurisprudentie van de Hoge Raad niet van toepassing kan zijn. Omdat de machtscomponent bij certificaten ontbreekt, zijn zij van mening dat niet aan de toets van eenzelfde economische betekenis wordt voldaan. De conclusie miskent naar mijn mening echter dat voor het zijn van economische eigenaar en het als gevolg daarvan fiscaal behandeld worden als ware men de eigenaar, niet noodzakelijk is dat men zeggenschap heeft. Van Dijck is overigens van mening dat indien men geen rekening hoeft te houden met deze machtscomponent, certificering (evenals decertificering) geen vervreemding is, zoals onder het oude aanmerkelijkbelangregime in beginsel het geval was (zie zijn noot onder HR BNB 1996/164, punt 5).
Dit impliceert voorts dat aan het zeggenschapsaspect in fiscale context geen waarde toegekend kan worden, althans niet zolang men de economische eigendom behoudt.
Artikel 4.12 sub b Wet IB 2001, waaruit volgt dat de vervreemding van een deel van de in de aandelen besloten liggende rechten ook een vervreemding kan zijn, staat hier naar mijn mening niet aan in de weg, aangezien de aanmerkelijkbelanghouder geen fiscaal relevante rechten verliest. In de parlementaire geschiedenis bij artikel 20a lid 1 sub b Wet IB 1964, de voorloper van voornoemde bepaling, worden overigens ook slechts rechten van vermogensrechtelijke aard genoemd (zie Kamerstukken II vergaderjaar 1995/96, 24 761, nr. 3, pagina 10 en Kamerstukken II vergaderjaar 1996/97, 24 761, nr. 7, pagina 11).
Vergelijk tevens J. Ganzeveld, Vervreemding van inkomsten in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, Kluwer Deventer, dissertatie 1994, pagina 387 en 404 – 405. In vergelijkbare zin Hofman en Singh, die evenwel geen scherpe keuze maken tussen het niet aanwezig zijn van een vervreemding als gevolg van de economische eigendom als zodanig, of op grond van de door de Hoge Raad ontwikkelde ruilgedachte (WFR 2017/7174, paragraaf 4.2.2).
Blokland gaat uit van deze benadering (zie Blokland 1999, pagina 104).
In vergelijkbare zin Rijkers en Van Dijck 2000, pagina 192 – 193.
Artikel 4.20 Wet IB 2001.
Als men uit zou gaan van een volledige vervreemding van de aandelen, zijn mijns inziens de certificaten de tegenprestatie. Zoals gezegd lijkt deze benadering mij echter onjuist.
Dit gezien de achtergrond van de regeling, die zich blijkens de parlementaire geschiedenis richt(te) op het bestrijden van een kunstmatige vergroting van verliezen en verkleining van winsten door onzakelijke transacties tussen met name familieleden. Zie in dit verband voorts Rijkers en Van Dijck 2000, pagina 302.
Er valt overigens wat voor te zeggen dat dit verlies niet in aanmerking genomen zou moeten worden op grond van artikel 4.24 Wet IB 2001, aangezien de certificaathouder zijn belang bij de activiteiten van de vennootschap in beginsel in voldoende mate behoudt, aangezien hij geen afstand doet van zijn economische belang. Naar de letterlijke tekst is deze bepaling niet van toepassing, nu artikel 4.24 lid 1 Wet IB 2001 spreekt over de vervreemding van aandelen of winstbewijzen en niet van daarin besloten liggende rechten. Een redelijke wetstoepassing leidt in mijn ogen echter tot overeenkomstige toepassing van de bepaling in die situatie.
Zie in dit verband ook Kamerstukken II vergaderjaar 1995/96, 24 761, nr. 3, pagina 10, waar wordt ingegaan op de vervreemding van een deel van in aanmerkelijkbelangaandelen besloten liggende rechten. Er wordt opgemerkt dat in dat geval een evenredig deel van de verkrijgingsprijs in aanmerking genomen moet worden. In gelijke zin Kamerstukken II vergaderjaar 1996/97, 24 761, nr. 7, pagina 11.
Blokland acht in geval van niet-gefaciliteerde certificering belastbaar het verschil tussen de waarde in het economische verkeer van de certificaten en de verkrijgingsprijs van de gecertificeerde aandelen (Blokland 1999, pagina 104; hierbij zij aangetekend dat hij ook uitgaat van de vervreemding van het gehele aandeel). Deze benadering miskent echter dat de certificaathouder (nagenoeg) het gehele economische belang bij de aandelen behoudt. Vanuit een zeker perspectief is het juist het verschil, tussen de waarde in het economische verkeer van de certificaten en die van de aandelen, dat de certificerende aanmerkelijkbelanghouder afstaat (met dien verstande dat men naar mijn mening de waarde van de vervreemde rechten zelfstandig zou moeten bepalen; het verschil in waarde tussen certificaten en aandelen kan daarbij wel een indicatie van de waarde van deze rechten zijn).
Indien aan de in paragraaf 13.4.1.2.1 genoemde voorwaarden voor gefaciliteerde certificering voldaan is, leidt de certificering van aanmerkelijkbelangaandelen in elk geval niet tot een belaste vervreemding. Vraag is dan in hoeverre wél sprake is van een vervreemding, indien niet aan deze voorwaarden is voldaan. De Hoge Raad heeft vervreemding onder de oude aanmerkelijkbelangregeling gedefinieerd als:
[dat onder het begrip vervreemding] moet worden verstaan elke rechtshandeling, waardoor de eigenaar van aandelen of winstbewijzen van een vennootschap […], waarin hij een aanmerkelijk belang heeft, die aandelen of winstbewijzen uit zijn vermogen in dat van een ander doet overgaan;1
Op basis van dit arrest, alsmede latere arresten, komen Rijkers en Van Dijck tot de volgende definitie van vervreemding van aanmerkelijkbelangaandelen:
een rechtshandeling waardoor de aanmerkelijkbelanghouder het economische belang bij tot zijn aanmerkelijk belang behorende vermogensbestanddelen of bij (een deel van de) daarin besloten liggende rechten doet overgaan in het vermogen van een ander en waardoor hij geacht kan worden een aandeel in de winst van de vennootschap gedurende zijn bezitsperiode te hebben gerealiseerd.2
De desbetreffende jurisprudentie is gewezen voor de aanmerkelijkbelangregeling van voor 1997. De relevante elementen uit de hieruit gedestilleerde definitie blijven derhalve grotendeels ongewijzigd, zij het dat sprake is van bepaalde nuanceverschillen. Dit brengt hen tot de volgende definitie van vervreemding voor de huidige aanmerkelijkbelangregeling:
Een aan de aanmerkelijkbelanghouder toerekenbare rechtshandeling waardoor het economische belang bij de rechten van tot zijn aanmerkelijk belang behorende vermogensbestanddelen uit zijn vermogen verdwijnen tenzij daarvoor rechten in de plaats treden die fiscaal en economisch dezelfde plaats innemen in diens vermogen.3
Ook de staatssecretaris onderschrijft met het besluit van 9 maart 2018 overigens dat de eventuele aanwezigheid van een vervreemding beoordeeld dient te worden vanuit het perspectief van de aandeelhouder:
In zijn algemeenheid geldt dat een vervreemding wordt aangenomen indien als gevolg van een rechtshandeling aandelen of winstbewijzen of daarin besloten liggende rechten uit het vermogen van de aanmerkelijkbelanghouder of houder van winstbewijzen overgaan in dat van een ander.4
Deze passage komt in grote lijnen overeen met de definitie van Rijkers en Van Dijck. Een opvallend verschil is overigens dat de staatssecretaris het element van toerekenbaarheid van de rechtshandeling, die leidt tot de overgang van aandelen of rechten, aan de aanmerkelijkbelanghouder niet noemt. Dit element komt wel terug in de jurisprudentie van de Hoge Raad. Het lijkt mij ook terecht om hiermee rekening te houden, omdat het tegendeel impliceert dat men een vervreemding kan aannemen die op geen enkele wijze door de aanmerkelijkbelanghouder is geïnitieerd en wellicht ook niet door hem gewenst is.
In deze vervreemdingsdefinitie komt als element naar voren dat van een vervreemding geen sprake is, indien voor hetgeen het vermogen van de aanmerkelijkbelanghouder verlaat iets anders in de plaats komt dat zowel economisch als fiscaal dezelfde betekenis heeft. Deze ruilgedachte komt reeds naar voren in het hiervoor aangehaald arrest HR BNB 1960/123, dat betrekking had op een aandelenruil en waarin de Hoge Raad tevens opmerkt:
dat in dezen gedachtengang past belastingheffing achterwege te laten in een geval, waarin weliswaar de “overdrachtsprijs” van een tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen de kosten van hun verkrijging overtreft, doch desondanks de transactie het karakter van de realisatie van winst ontbeert;
Ditzelfde principe komt terug in latere arresten van de Hoge Raad. HR 28 juni 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4069, BNB 1990/147 betreft eveneens een aandelenruil, waarbij aandelen werden ingebracht in een houdstermaatschappij, tegen uitgifte van aandelen in die houdstermaatschappij. De Hoge Raad overweegt dat een aandelenruil in beginsel een vervreemding is, maar dat dit uitzondering leidt indien de in ruil verkregen aandelen in het vermogen van de aanmerkelijkbelanghouder economisch dezelfde plaats innemen als de afgestane aandelen, aangezien dan geen realisatie van winst5 geacht wordt te hebben plaatsgevonden. In casu meent de Hoge Raad dat van een dergelijke eenzelfde economische positie geen sprake is, omdat zich een wezenlijke verandering in de fiscale positie6 en daarmee in de economische betekenis van de ingebrachte aandelen heeft voorgedaan. In vergelijkbare zin wordt geoordeeld in HR 19 mei 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5356, BNB 1993/231, HR 26 januari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5578, BNB 1994/304 en HR 6 maart 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1914, BNB 1996/164.
Concluderend is er dus een uitzondering mogelijk, in die zin dat een handeling die civielrechtelijk een vervreemding inhoudt fiscaal niet als zodanig in aanmerking wordt genomen, indien hetgeen verkregen wordt dezelfde fiscale en economische plaats inneemt in het vermogen van de aanmerkelijkbelanghouder, als hetgeen door hem wordt afgestaan. Wat men ook kan vinden van de onderliggende redenering,7 vaste lijn in de jurisprudentie van de Hoge Raad is dat in elk geval niet aan de voorwaarde voor deze uitzondering wordt voldaan, indien men een onmiddellijk belang omruilt voor een middellijk belang.
Toepassing van het voorgaande op de certificering van aanmerkelijkbelangaandelen leidt mijns inziens tot het volgende. Allereerst is de vraag of sprake is van een vervreemding, of er rechten verdwijnen uit het vermogen van de aanmerkelijkbelanghouder op het moment dat de certificering plaatsvindt. Naar mijn mening is dit inderdaad het geval: de aanmerkelijkbelanghouder heeft niet langer de zeggenschap (in de vorm van het stemrecht) over de aandelen, althans niet in zijn hoedanigheid van certificaathouder,8 en daarnaast kan hij beperkt zijn in zijn mogelijkheden om zijn economische belang bij de certificaten te gelde te maken, door niet-royeerbaarheid en/of beperkingen in de overdraagbaarheid.9 Dit hoeft echter nog niet te betekenen dat ook sprake is van een fiscaal relevante vervreemding; zo kan mogelijk de ruilgedachte die de Hoge Raad als uitzondering hanteert bij certificering van toepassing zijn.
Deze ruilgedachte is niet van toepassing bij de omzetting van een onmiddellijk in een middellijk aanmerkelijk belang. Bij certificering is naar mijn mening evenwel sprake van een onmiddellijk belang bij de gecertificeerde aandelen, althans aannemend dat de voorwaarden van certificering zodanig zijn dat de certificaathouder als economisch eigenaar van deze aandelen beschouwd kan worden. Dat betekent dat de aanmerkelijkbelanghouder die zijn aandelen certificeert één vorm van onmiddellijk belang (de aandelen) verruilt voor een andere vorm van onmiddellijk belang (de certificaten). De fiscale positie van de aanmerkelijkbelanghouder is daarmee ook ten opzichte van beide belangen dezelfde. Voorts heeft een certificaathouder die economisch eigenaar is het gehele economische belang bij de gecertificeerde aandelen, zodat ook vanuit dit perspectief zijn positie geen wijziging ondergaan heeft. De beperkingen zijn met name gelegen in (i) het zeggenschapsaspect en (ii) de mogelijkheden om het economische belang te verzilveren, maar deze elementen zijn bij het beschouwen van de fiscaal-economische positie naar mijn mening van ondergeschikt belang. Bovendien heeft economische eigendom tot gevolg dat men als fiscaal eigenaar wordt aangemerkt, ook al ontbreken zeggenschap en beschikkingsmacht,10 hetgeen onderstreept dat de positie van de aandelen en certificaten in het (fiscaal beschouwde) vermogen van de aanmerkelijkbelanghouder dezelfde is.11 Derhalve verliest de aanmerkelijkbelanghouder weliswaar bepaalde rechten, maar heeft toepassing van de ruilgedachte tot gevolg dat dit geen vervreemding inhoudt.12
In het geval van de certificaathouder die economisch eigenaar is heeft men naar mijn mening een beroep op de ruilgedachte evenwel niet eens nodig om tot de conclusie te komen dat het certificeren van de aandelen geen vervreemding inhoudt. Vanuit het perspectief dat de economisch eigenaar de fiscale eigenaar van de aanmerkelijkbelangaandelen is, leidt de certificering niet tot het verlies van fiscaal relevante rechten.13 In zoverre blijft de positie van de aanmerkelijkbelanghouder derhalve ongewijzigd: men was voorafgaand aan de certificering fiscaal eigenaar en daarna is dat nog steeds zo, zodat geen sprake is van een vervreemding.14 Beide benaderingen leiden overigens tot hetzelfde resultaat, dat de certificering niet leidt tot een vervreemding door de certificerende aanmerkelijkbelanghouder van (een deel van) zijn aanmerkelijk belang.15
Het voorgaande ligt echter anders indien de voorwaarden, waaronder certificering heeft plaatsgevonden, zodanig restrictief zijn dat de certificaathouder niet de economische eigenaar is van de gecertificeerde aandelen. De vervreemding die het gevolg is van de certificering wordt in dat geval niet weggenomen, aangezien noch gezegd kan worden dat de aandelen en certificaten dezelfde fiscale en economische betekenis hebben in het vermogen van de aanmerkelijkbelanghouder, noch de aanmerkelijkbelanghouder de economische eigendom van de gecertificeerde aandelen behoudt. De vraag die dan rijst, is in hoeverre sprake is van een vervreemding. Hierbij zijn twee benaderingen denkbaar:
Men neemt een vervreemding van het volledige aandeel in aanmerking. Logischerwijs zou men dan de in ruil voor de aandelen verkregen certificaten als tegenprestatie zien.16
De vervreemding betreft slechts die rechten die verdwijnen uit het vermogen van de certificaathouder, hetgeen doorgaans met name zeggenschapsrechten zal betreffen. Het inperken van het economische belang van de certificaathouder ligt althans bij certificering ter bescherming van vermogen, waarbij men economische waarde wil overdragen maar geen zeggenschap, minder voor de hand. Een tegenprestatie voor deze rechten ontbreekt.
Naar mijn mening kan slechts sprake zijn van vervreemding van de rechten die de aanmerkelijkbelanghouder als gevolg van de certificering verliest. Voor zover de certificaten aanspraak geven op het economische belang bij de aandelen (of andere aan de aandelen gerelateerde rechten verschaffen), verlaten deze rechten het vermogen van de aanmerkelijkbelanghouder niet. Dat het na certificering een obligatoire aanspraak betreft, in plaats van een juridische gerechtigdheid tot het aandeel, doet hier mijns inziens, zeker gezien de economische benadering die bij de aanmerkelijkbelangregeling gekozen is, niet aan af. Het in aanmerking nemen van een partiële vervreemding past bovendien het beste bij het vervreemdingsbegrip zoals ontwikkeld in de jurisprudentie. In dit verband zij gewezen op HR 21 september 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3903, BNB 1988/308, waarin de Hoge Raad oordeelt dat een aanmerkelijkbelanghouder, die zijn aandelen tegen een te lage prijs laat inkopen door de vennootschap, zijn aanmerkelijk belang niet vervreemdt voor zover hij zijn belang in de vennootschap heeft behouden. Hetzelfde principe volgt uit HR 9 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:BH8757, BNB 1994/231, in welk arrest de Hoge Raad van oordeel is dat, bij uitgifte van aandelen tegen een te lage prijs aan de (klein)kinderen van de aanmerkelijkbelanghouder, sprake was van een vervreemding voor zover rechten overgingen uit diens vermogen in het vermogen van een ander. Derhalve kan ook certificering leiden tot een vervreemding van dat deel van de in de aandelen besloten rechten dat de certificerende aandeelhouder prijsgeeft.17
Vervolgens rijst de vraag wat de omvang is van de eventuele met deze vervreemding behaalde vervreemdingswinst. In het algemeen wordt het vervreemdingsvoordeel berekend als de overdrachtsprijs minus de verkrijgingsprijs voor de aandelen.18 De overdrachtsprijs is in beginsel de tegenprestatie bij vervreemding, verminderd met de ten laste van de vervreemder gekomen kosten,19 maar dit ligt anders indien bij de vervreemding een tegenprestatie ontbreekt of deze is bedongen bij een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst. In dat geval wordt de waarde in het economische verkeer van de aandelen op het moment van de vervreemding als de overdrachtsprijs aangemerkt.20
Certificering kan, althans als men uitgaat van een partiële vervreemding,21 althans naar de tekst onder deze correctieregeling vallen. De certificaathouder krijgt immers niets terug in ruil voor de rechten die hij opgeeft, althans niet in zijn hoedanigheid van certificaathouder. In HR 25 juni 2004, 2004/348 heeft de Hoge Raad echter geoordeeld dat de voorloper van artikel 4.22 lid 1 Wet IB 2001, artikel 20c lid 4 Wet IB 1964, niet van toepassing was indien de vervreemder niet beoogde om de verkrijger te bevoordelen.22 Gezien de ratio van de regeling is deze uitzondering mijns inziens echter niet toepasbaar: zonder correctie zou de overdrachtsprijs nihil zijn en zou zich een verlies uit aanmerkelijk belang voor kunnen doen.23 Dat leidt tot het stellen van de overdrachtsprijs op de waarde in het economische verkeer van de rechten waarvan men afstand doet,24 welke veelal niet eenvoudig te bepalen zal zijn. Voor wat betreft de verkrijgingsprijs: naar mijn mening dient een evenredig deel hiervan aan de vervreemde rechten toegerekend te worden.25 Oftewel: indien de waarde in het economische verkeer van de aandelen 100 is en die van de vervreemde rechten 5, dan dient bij het berekenen van het vervreemdingsvoordeel ook 5% van de verkrijgingsprijs in aanmerking genomen te worden.26 De resterende 95% blijft dan achter als verkrijgingsprijs van de certificaten.
Het lijkt mij gezien het besluit van 9 maart 2018 overigens waarschijnlijk dat de belastingdienst steeds van mening zal zijn dat zich een vervreemding van het aanmerkelijk belang heeft voorgedaan, of men als certificaathouder nu economisch eigenaar van de aandelen is of niet.