Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/6.1
6.1 Invloed insolventie op civielrechtelijke administratieplicht
mr. drs. C.M. Harmsen , datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180325:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
S.C.J.J. Kortmann, ‘De curator, de bewindvoerder en de organen van de vennootschap en onderneming’, in: Het faillissement in de tijd van Molengraaff en nu (Preadvies van de Vereeniging ‘Handelsrecht’), Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1993, p. 103.
W.L.P.A. Molengraaff, De Faillissementswet verklaard, ’s-Gravenhage: Gebr. Belinfante 1898, p. 39; vgl. W.L.P.A. Molengraaff, bewerkt door C.W. Star Busmann, De Faillissementswet verklaard, Zwolle: Uitgervers-maatschappij W.E.J. Tjeenk Willink 1951, 4e druk, p. 31.
S.C.J.J. Kortmann, ‘De curator, de bewindvoerder en de organen van de vennootschap en onderneming’, in: Het faillissement in de tijd van Molengraaff en nu (Preadvies van de Vereeniging ‘Handelsrecht’), Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1993, p. 105.
De Faillissementswet regelt drie formele insolventieprocedures: het faillissement, de surseance van betaling en de schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen. Hoewel de Faillissementswet enkele bepalingen bevat die speciaal betrekking hebben op de rechtspersonen, is het uitgangspunt van de wettelijke regeling voor faillissement en surseance van betaling dat de regels voor de natuurlijk persoon en de rechtspersoon identiek zijn.1 Met de inwerkingtreding van de schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen op 1 december 1998 werd aan de Faillissementswet een procedure toegevoegd die uitsluitend open staat aan natuurlijke personen.
De Faillissementswet bevat geen bepaling over de invloed van het uitspreken van het faillissement, de surseance van betaling of de schuldsaneringsregeling op de civielrechtelijke administratieplicht. Dat is op zichzelf niet vreemd omdat de wetgever met de Faillissementswet niet beoogde een uitputtende regeling te geven die in de plaats komt van de buiten faillissement toepasselijke wetgeving. Kortmann vat dit, onder verwijzing naar Molengraaff2, samen door te stellen dat het faillissement de toepassing en uitwerking van de in de artikelen 3:276 BW en 3:277 BW neergelegde hoofdregels van verhaalsrecht is.3 Wanneer de Faillissementswet geen specifieke bepalingen kent, gelden in beginsel de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek of andere wetten onverkort.
Bij gebreke van een bijzondere bepaling in de Faillissementswet zou dan de snelle conclusie kunnen zijn dat artikel 3:15i BW en 2:10 BW ook gedurende een faillissement, een surseance van betaling of de schuldsaneringsregeling gewoon van toepassing blijven. Uit de parlementaire geschiedenis van de bepalingen over de civielrechtelijke administratieplicht blijkt niet dat aandacht is besteed aan de vraag of het uitspreken van een van de drie insolventieregimes invloed heeft op de administratieplicht. Ook in de parlementaire geschiedenis van de Faillissementswet ontbreken aanwijzingen op dit punt. Omdat de Faillissementswet geen bepaling bevat waaruit de invloed van een van de drie insolventieregimes op de toepasselijkheid van de administratieplicht van artikel 3:15i BW en/of artikel 2:10 BW blijkt, zal aan de hand van het doel en de strekking van de drie insolventieregimes moeten worden onderzocht of de voortzetting van de verplichtingen van artikel 3:15i BW en/of artikel 2:10 BW na het uitspreken van een van de drie insolventieprocedures logisch dan wel gewenst is en indien het antwoord op die vraag bevestigend is, op wie de administratieplicht dan rust.