Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/5.10.2.2.2
5.10.2.2.2 Strafheffing
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291394:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
MvT, Kamerstukken II 1994/95, 24 172, nr. 3, p. 19.
Zie nader over overkill in fiscale wet- en regelgeving: D.B. Bijl en J.A.G. van der Geld, Overkill in fiscale wet- en regelgeving (Geschriften van de Vereniging voor de Belastingwetenschap No. 237), Deventer: Kluwer 2009.
In soortgelijke zin: B.G. van Zadelhoff, ‘Doe maar normaal’, WFR 2005/619.
Besluit Staatssecretaris van Financiën 16 maart 2017, nr. 2017-51500, V-N 2017/20.18, paragraaf 5.
De samenloopvrijstelling mist op grond van art. 15 lid 4 WBR toepassing indien de vergoeding voor de belaste levering van een nieuw gebouw lager is dan de waarde in het economische verkeer en de verkrijger de in rekening gebrachte btw niet voor 90% of meer in aftrek kan brengen. Voor de toepassing van deze bepaling wordt de waarde in het economische verkeer ten minste gesteld op de kostprijs van de (onderliggende) onroerende zaak met inbegrip van de btw, zoals die zou ontstaan bij de voortbrenging door een onafhankelijk derde op het tijdstip van de verkrijging (lees: de actuele kostprijs).
Deze zogenoemde ‘strafheffing’ is bedoeld als een maatregel om btw-besparende constructies met nieuwe gebouwen te voorkomen. Door het in rekening brengen van een lage vergoeding voor de levering van een nieuw gebouw aan een niet of nauwelijks aftrekgerechtigde (gelieerde) koper zou de btw-druk op dit gebouw aanzienlijk kunnen worden beperkt. In die situatie heeft de wetgever het wenselijk geacht de totale belastingdruk op het vastgoed wat ‘op te krikken’ door de samenloopvrijstelling te weigeren.1 De strafheffing is echter niet beperkt tot ‘constructieachtige’ situaties, maar is bijvoorbeeld ook van toepassing indien als gevolg van conjuncturele ontwikkelingen een nieuw gebouw onder de kostprijs wordt verkocht. Dit laat zien dat bij de strafheffing sprake is van onwenselijke overkill.2
Naar mijn mening zou het wenselijk zijn deze strafheffing te schrappen. De btw-besparing door de constructies met de levering van nieuwe en oude gebouwen werd veroorzaakt door de lage vergoeding (zie paragraaf 5.9.5.3). De wetgever had er, zoals in paragraaf 5.9.5.3 reeds is opgemerkt, daarom beter aan gedaan om deze constructies in de kern aan te pakken door (ook) bij de levering van nieuwe gebouwen aan – kort gezegd – gelieerde partijen uit te gaan van de normale waarde als de maatstaf van heffing voor de btw. Hoewel wat laat, zou het naar mijn mening wenselijk zijn als de wetgever deze keuze alsnog zou maken.3 Aan goedkeurend beleid om bepaalde overkill van de strafheffing weg te nemen zou dan geen behoefte meer bestaan.4