Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/V.2.5
V.2.5 De deskundige sneuvelt gedeeltelijk in het wetsvoorstel Flex-BV
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS374905:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie in het algemeen over de aanbevelingen van de Commissie Vennootschapsrecht uit 2004: § 11.2.2-3.
De Commissie Vennootschapsrecht sprak in aanbeveling 6 (een feitelijke instantie) en 7 (verplichte deskundige) slechts over de uittreding, omdat zij in haar eerste aanbeveling opperde de uitstoting onder te brengen in het enquêterecht, bij wijze van definitieve voorziening. Deze eerste aanbeveling komt ook niet terug in het wetsvoorstel Flex-BV omdat zij te weinig verband vertoont met het flexibiliseren en vereenvoudigen van het BV-recht. Zie Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 18-20.
Terecht wordt in de toelichting (Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 105) opgemerkt dat art. 195 Rv reeds voorziet in de mogelijkheid een plicht tot storting van een voorschot voor de deskundigen-kosten aan een der partijen op te leggen. De zekerheidstelling voegt dan niets toe. In het wetsvoorstel Flex-BV zijn de regels omtrent de kosten van het deskundigenbericht gewijzigd noch aangepast.
Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 20. Overigens wijkt art. 339 Wv Flex-BV voor de bepalingen over de deskundige niet fundamenteel af van het consultatiedocument voorontwerp Tweede Tranche. Zie Van den Ingh en Nowak (2006), p. 55 en p. 83-84. In het wetsvoorstel Flex-BV ontbreekt de regel dat de deskundigen rekening moesten houden met de waarde in het economisch verkeer, zie art. 339 lid 1 voorontwerp Tweede Tranche. Zie hierover § V.3.4.
Zie Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 104. De Adviescommissie Burgerlijk Procesrecht adviseerde aan te sluiten bij art. 194 lid 2 Rv (`een of meer') en de verwijzing naar art. 200 Rv te schrappen. Het vreemde is dat men niet vindt dat de aard van de deskundige (art. 200 Rv ziet op de `partijdeskundige') de van overeenkomstige toepassing in de geschillenregeling ongeschikt maakt. De minister zei namelijk dat het (mondeling) doen horen niet past in de geschillenregeling, omdat de deskundigen nu eenmaal schriftelijk moeten berichten. Art. 200 Rv ziet echter niet alleen op het horen van de (partij-)deskundige. Zo kan ingevolge lid 4 een nadere schriftelijke toelichting van de deskundige worden gevraagd. Het schrappen van de verwijzing naar art. 200 Rv is juist, de motivering uit de toelichting snijdt volgens mij geen hout. Zie ook § V.2.1.
De overeenkomstige toepasselijkheid van de bevoegdheden van de enquêteur (art. 2:351 en 2:352 BW) stond in het voorontwerp Tweede Tranche (opgenomen in Van den Ingh en Nowak (2006), p. 55) nog in lid 2, maar nu in lid 1 de procesrechtelijke aspecten van de deskundigenbenoeming is opgenomen, is de bepaling 'om redenen van overzichtelijkheid' verhuisd. Zie Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 104.
Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 105. Afwijking van normale procesrechtregels is niet beoogd: `Het spreekt vanzelf dat hier geen reden bestaat om af te wijken van de gedachte dat het partijen zijn die de omvang van de rechtstrijd bepalen.'
In het wetsvoorstel Flex-BV worden de regels over de deskundigenbenoeming, de wijze van waardering en de prijsvaststelling ingrijpend gewijzigd. De Commissie Vennootschapsrecht had in september 2004 enkele aanbevelingen gedaan teneinde de knelpunten uit de geschillenregeling te halen.1
Een aantal aanbevelingen zag op de deskundigenbenoeming. Omdat de Commissie Vennootschapsrecht voorstander was van (slechts) één feitelijke instantie, wilde zij een verplichte inschakeling van deskundigen. In verband met een snelle rechtsgang moest de procedure bij de OK als gespecialiseerde rechter, ondergebracht worden. De wens van de Commissie Vennootschapsrecht was om dan wel vast te blijven houden aan de tussenkomst van de deskundige. De wetgever heeft deze aanbevelingen om twee redenen niet gevolgd. De aanpassing van de procedure tot het terugbrengen naar één feitelijke instantie paste niet binnen het bestek van het wetsvoorstel Flex-BV. De idee van een verplichte waardering door deskundigen als `zorgvuldigheidsmaatregel', omdat er slechts één feitenrechter oordeelt, is zo niet langer opportuun. Hierbij geldt dat de aanbevelingen van de Commissie Vennootschapsrecht dateren uit 2004, derhalve voor de uitspraak van de Hoge Raad inzake Hoffmann, waarin de verplichte deskundigenbenoeming op de helling werd gezet.2
De algemene regels voor de kostenveroordeling konden in 2004 de goedkeuring van de Commissie Vennootschapsrecht wegdragen, zo blijkt uit haar tiende aanbeveling. De rechter behoorde wel de vrijheid te hebben om voor de kosten van de deskundigen een of meer partijen een verplichting tot het stellen van zekerheid op te leggen.3
Tot slot gaf de Commissie in haar twaalfde aanbeveling aan dat er vrijheid moet zijn voor de toepassing van buitenstatutaire geschillenregelingen. De rechter dient wel een toetsingsmogelijkheid te hebben, indien het gebruik van de eigen regeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, en bijvoorbeeld een te lage prijs met zich brengt.
In het wetsvoorstel Flex-BV is inspiratie geput uit de bovengenoemde aanbevelingen die zien op de deskundige en de wijze van waarderen van de aandelen, omdat zij 'een goede grondslag (bieden) voor aanpassingen in de geschillenregeling.'4 De regels voor de deskundige en de prijsvaststelling staan in art. 339 en 340 Wv Flex-BV:
Art. 339 Wv Flex-BV
1. Indien de vordering wordt toegewezen benoemt de rechter een of meer deskundigen die over de prijs schriftelijk bericht moeten uitbrengen. De artikelen 194 tot en met 199 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn voor het overige van toepassing. De artikelen 351 en 352 zijn van overeenkomstige toepassing. Van het vonnis waarbij de vordering wordt toegewezen kan hoger beroep slechts worden ingesteld tegelijk met dat van het vonnis, bedoeld in artikel 340 lid 1, tenzij de rechter anders heeft bepaald. Tegen de deskundigenbenoeming staat geen hogere voorziening open.
2. Indien tussen partijen op grond van de statuten of een overeenkomst in de zin van artikel 337 lid 1 bepalingen omtrent de vaststelling van de waarde van de aandelen gelden, stellen de deskundigen hun bericht op met inachtneming daarvan.
3. De rechter kan in afwijking van lid 1 de benoeming van deskundigen achterwege laten, indien tussen partijen overeenstemming bestaat over de waanlering van de aandelen, alsmede indien de statuten of een overeenkomst in de zin van artikel 337 lid 1 een duidelijke maatstaf voor de bepaling van de waarde van de aandelen bevatten en de rechter aan de hand daarvan de prijs zonder meer kan vaststellen.
Art. 340 Wv Flex-BV
1. Zijn deskundigen benoemd, dan bepaalt de rechter de prijs van de aandelen nadat de deskundigen hun bericht hebben uitgebracht. Bij hetzelfde vonnis bepaalt hij tevens wie van de partijen de kosten van het deskundigenbericht moet dragen. Hij kan ook bepalen dat de vennootschap de kosten moet dragen na deze ter zake te hebben gehoord. Hij kan de kosten verdelen tussen partijen onderling of tussen partijen of een van hen en de vennootschap.
2. Vindt geen benoeming van deskundigen plaats, dan bepaalt de rechter de prijs van de aandelen in het vonnis waarbij de vordering wordt toegewezen.
3. Met bepalingen in de statuten of een overeenkomst omtrent de vaststelling van de waarde van de aandelen houdt de rechter geen rekening voorzover dat tot een kennelijk onredelijke prijs zou leiden.
4. Het vonnis houdt tevens een veroordeling in van de eisers tot contante betaling van de hun zo nodig na toepassing van artikel 341 lid 5 over te dragen aandelen. Indien artikel 341 lid 6 van toepassing is, omvat die veroordeling mede de certificaathouders die met het instellen van de vordering hebben ingestemd.5
Art. 339 lid 1 Wv Flex-BV is in vergelijking met het thans geldende artikellid op ondergeschikte punten gewijzigd. Niet langer is verplicht 'een of drie' deskundigen te benoemen, doch 'een of meer'. Dit sluit aan bij art. 194 lid 2 Rv. Ook is de ongelukkige verwijzing naar de 'partijdeskundige' van art. 200 Rv geschrapt.6 In verband met de overzichtelijkheid is de van overeenkomstige toepasselijkheid van de bevoegdheden van art. 2:351 en 2:352 BW verplaatst van lid 3 naar lid 1.7 De regel dat tegen een deskundigenbenoeming geen hogere voorziening openstaat, blijft ongewijzigd (lid 1 laatste zin). Dit betekent niet dat indien de rechter de benoeming achterwege laat en zelf de prijs vaststelt, de aandeelhouder in hoger beroep niet kan klagen over het niet-benoemen.
In lid 2 staat een aanwijzing voor de waardering door de deskundige. De huidige wettekst verwijst naar de blokkeringsregeling (art. 2:339 lid 3 BW), maar de verplichte blokkeringsregeling vervalt voor de Flex-BV. Daarom spreekt het wetsvoorstel van een waarderingsmaatstaf die in de statuten of overeenkomst is afgesproken. De toelichting benadrukt dat de prijsbepalingen 'tussen partijen' moeten gelden. Een overeenkomst waarbij bijvoorbeeld een uit te stoten aandeelhouder of de vennootschap geen partij is, kan derhalve niet dienen als uitgangspunt voor de waardering door de deskundige in de zin van lid 2. Dit geldt evenzeer voor statutaire bepalingen (zie bijvoorbeeld art. 195 lid 4 Wv Flex-BV) die niet gelden voor een aandeelhouder omdat hij er niet mee instemde. Leidt de eigen prijsbepalingsregeling volgens de rechter echter tot een 'kennelijk onredelijke prijs', dan kan hij de regeling op grond van art. 337 lid 1 of 340 lid 3 Wv Flex-BV buiten werking stellen en alsnog een waardering door deskundigen gelasten. Dit geldt ook indien de deskundigen ex art. 339 lid 2 Wv Flex-BV de tussen partijen geldende waarderingsmaatstaven hanteerden, maar de uitkomst een onbillijke prijs is. Ik ben van mening dat de rechter op dit punt lijdelijk optreden past. Slechts indien een van de partijen de juistheid van de prijs gemotiveerd betwist, kan de rechter onderzoeken of inderdaad sprake is van een kennelijk onredelijke prijs. Ik acht het niet juist dat wanneer de aandeelhouders de erg lage prijs allen voor lief nemen omdat zo aan een jarenlange conflictsituatie een einde komt, de rechter zelf actief gaat sleutelen aan de door hen overeengekomen prijs.
Een van de belangrijke aanpassingen van de geschillenregeling ziet op het vervallen van de verplichte deskundigenbenoeming. Dit is de codificatie van de Hoffmann-uitspraak van de Hoge Raad, zie hierover § V.2.2.b. De in dit arrest neergelegde regel wordt in art. 339 lid 3 Wv Flex-BV uitgebreid. De waarde van de aandelen behoeft niet enkel uit de statutaire blokkeringsregeling te volgen. De waardering mag ook ondubbelzinnig blijken uit een overeenkomst. Partijen kunnen ook aangegeven dat er — desnoods mondeling — overeenstemming bestaat over de prijs. Het wetsvoorstel zegt dat er 'een duidelijke maatstaf voor de bepaling van de waarde van de aandelen' voor handen moet zijn. Hiermee sluit de nieuwe wettekst aan bij de hierboven besproken twaalfde aanbeveling van de Commissie Vennootschapsrecht.8
Ik vind de nieuwe regels omtrent de deskundige in het wetsvoorstel Flex-BV een vooruitgang. Zoals ik al aangaf, zou ik graag zien dat met de bepalingen nu reeds, bij wijze van anticiperende werking, rekening wordt gehouden indien een geschillenregelingvordering aanhangig is. Ik plaats wel een kanttekening bij het schriftelijkheidsvereiste. De prijs van de aandelen is, zoals gezegd, 'een zaak van gewicht', doch dat is zij volgens mij bij de uitkoop niet minder. In die laatste procedure is het wel standaardpraktijk dat de deskundige een schriftelijk waarderingsrapport uitbrengt, maar dwingendrechtelijk voorgeschreven is dit niet. In het kader van de flexibiliteits- en vereenvoudigingsgedachte had de wetgever het schriftelijkheidsvereiste bij de geschillenregeling dus beter kunnen schrappen. Een tweede kanttekening ziet op de van overeenkomstige toepassing van art. 2:351 en 2:352 BW uit het enquêterecht. Hier gelden dezelfde bezwaren als bij de huidige wettekst. Ik verwijs naar § V.2.3.
Vanwege de samenhang met de waardering van de aandelen (zie § V.3) en omwille van de overzichtelijkheid heb ik mijn conclusies en aanbevelingen over de benoeming, de taak en de bevoegdheden van de deskundige in de geschillenregeling in de laatste paragraaf van dit hoofdstuk opgenomen. Hierin staat eveneens een door mij geconcipieerde nieuwe wettelijke regeling.