Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid voor ongeschikte medische hulpzaken (R&P nr. CA19) 2018/4.5.2
4.5.2 Hulpzaken
mr. J.T. Hiemstra, datum 01-07-2018
- Datum
01-07-2018
- Auteur
mr. J.T. Hiemstra
- JCDI
JCDI:ADS368739:1
- Vakgebied(en)
Gezondheidsrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, p. 2.
Individualisatie van een object in maat of gewicht is nodig om het als zaak te kwalificeren en voorwerp te maken van rechten als eigendom: HR 10 februari 1978, ECLI:NL:PHR:1978:AC1257, NJ 1979, 338, m.nt. W.M. Kleijn (First National City Bank/EASCO); Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, p. 3.
Loos 1998, p. 56-59; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, p. 3.
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, p. 3.
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, p. 3.
Broekema-Engelen, GS Verbintenissenrecht, art. 6:77 BW, aant. 6.
‘De plicht tot het verrichten van de overeengekomen prestatie rust op de debiteur, en hij mag deze niet onder uitschakeling van eigen externe aansprakelijkheid overdragen op ingeschakelde hulpkrachten. Anders uitgedrukt: schuld van die hulpkrachten wordt gelijkgesteld met schuld van de debiteur zelf. Bij hulpzaken wordt deze redenering iets moeilijker, maar ook hier is het falen van de zaak – waarbij men ook wel spreekt van schuld, vgl. ‘schuld van het schip’ in art. 536 WvK – vaak terug te voeren tot een persoonlijk verzuim bijv. van degene die een werktuig fabriceerde of repareerde.’ (Annotatie H.K. Köster bij HR 5 januari 1968 & HR 13 december 1968, AA 1969, p. 437-438).
Het in artikel 6:77 BW gebezigde begrip ‘zaak’ verwijst naar artikel 3:2 BW. Volgens dit artikel zijn zaken alle voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten. Deze omschrijving geeft het ruime toepassingsbereik van het begrip zaak aan. Voor de kwalificatie van een stoffelijk object als een zaak is niet vereist dat deze voor het recht van betekenis is, een bijzondere vermogenswaarde vertegenwoordigt of aan iemand toebehoort.1 Het begrip ‘object’ geeft aan dat het toepassingsbereik van dit artikel zich niet slechts uitstrekt tot voorwerpen, maar ook tot bij maat of gewicht aangeduide zaken, zoals een (geïndividualiseerde) kilo suiker.2 Het toepassingsbereik strekt zich echter niet zo ver uit dat ook gedachten, uitvindingen, verhalen, merken, modellen of elektriciteit onder het begrip zaak vallen.3 Dit laatste is te herleiden uit het begrip ‘stoffelijk’ in artikel 3:2 BW: een zaak is een concreet en waarneembaar stoffelijk iets.4 Daarnaast stelt het artikel als eis dat de stoffelijke objecten voor menselijke beheersing vatbaar moeten zijn. Dit houdt in dat bijvoorbeeld de lucht en de zee als zodanig niet aangemerkt worden als zaken. Dit is anders indien bijvoorbeeld zeewater geïndividualiseerd wordt door het op te slaan in een tank.5 Artikel 3:2 BW biedt kortom veel ruimte bij de kwalificatie van een object als zaak en er bestaat over het algemeen weinig discussie over de vraag of een object als zaak gekwalificeerd kan worden. Bij de behandeling van de aansprakelijkheid krachtens artikel 6:77 BW zal de vraag naar de kwalificatie van het gebruikte object als zaak doorgaans niet problematisch zijn.
De vervolgvraag is of de zaak als hulpzaak aangemerkt kan worden. Artikel 6:77 BW wordt namelijk begrensd doordat niet alle zaken onder het toepassingsbereik vallen, maar slechts hulpzaken. Derhalve kan niet volstaan worden met de in de vorige alinea uiteengezette goederenrechtelijke betekenis van het begrip zaak bij de vaststelling van de toepasselijkheid van artikel 6:77 BW. De parlementaire geschiedenis biedt weinig aanknopingspunten voor de beantwoording van de vraag wat een hulpzaak is. Volgens Broekema-Engelen gaat het om ‘alle duurzame en verbruikbare hulpmiddelen die de schuldenaar aanwendt om aan zijn verbintenis te voldoen’.6 Het woord ‘hulp’ in het begrip hulpzaak duidt op de link die bestaat met de verbintenis van de schuldenaar. De hulpzaak is een middel om het met de verbintenis beoogde doel te bereiken. Deze link rechtvaardigt dat de schuldenaar het aan de zaak verbonden risico draagt: als de schuldenaar zich tot het verrichten van een bepaalde prestatie verbindt en hij besluit ter uitvoering van die prestatie ‘hulp’ van bepaalde zaken te gebruiken, dan komt het in beginsel voor zijn rekening als hij daardoor tekort schiet. Deze rechtvaardiging geldt in vergelijkbare zin voor de aansprakelijkheid voor hulppersonen en werd door Köster aangeduid als het beginsel van de niet-overdraagbaarheid.7