Einde inhoudsopgave
Open normen in het huurrecht (R&P nr. VG11) 2019/3.4.3
3.4.3 Terminologie, reikwijdte
J.Ph. van Lochem, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
J.Ph. van Lochem
- JCDI
JCDI:ADS493841:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De gebruiker hoeft niet degene te zijn die de algemene voorwaarden heeft opgesteld.
De aanduiding ‘jegens deze verhuurder’ wordt bewust gebruikt, omdat geen mogelijkheden worden gezien voor een verhuurder om een beroep van een huurder op het onredelijk bezwarend zijn van een beding in tussen partijen van kracht zijnde algemene voorwaarden, te pareren met de stelling dat de huurder in een andere huurrelatie (met een andere verhuurder) dezelfde set algemene voorwaarden zelf heeft voorgedragen.
Rb. Zutphen 2 september 2009, ECLI:NL:RBZUT:2009:BJ6429.
In artikel 6:231 BW gedefinieerd als ‘degene die algemene voorwaarden in een overeenkomst gebruikt’.
Om te weten hoe de in artikel 6:233 BW gehanteerde begrippen dienen te worden uitgelegd, kan gekeken worden naar de definiëring in artikel 6:231 BW. Zo wordt met het begrip ‘algemene voorwaarden’ bedoeld (artikel 6:231 sub a BW):
‘een of meer bedingen die zijn opgesteld teneinde in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen, met uitzondering van bedingen die de kern van de prestaties aangeven, voor zover deze laatstgenoemde bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd’.
Met deze definiëring worden algemene voorwaarden onderscheiden van kernbedingen. Uit de definiëring blijkt dat niet relevant is waarin die bepalingen zijn opgenomen. Ofwel, uitgaande van het voorbeeld van een huurovereenkomst: algemene voorwaarden kunnen ook zijn opgenomen in de huurovereenkomst zelf. Het feit dat een document wordt aangeduid met ‘huurovereenkomst’ of met ‘algemene bepalingen’, wil niet zeggen dat de huurovereenkomst uitsluitend de kernbedingen bevat en de algemene bepalingen uitsluitend de algemene voorwaarden.
Uit het hierboven weergegeven citaat blijkt eveneens dat algemene voorwaarden bedingen zijn (niet zijnde kernbedingen) die kennelijk bedoeld zijn om in verschillende overeenkomsten te worden opgenomen (zie artikel 6:231 sub a BW). Zodra een artikel uit de algemene voorwaarden onderwerp van de onderhandeling is geweest en dit heeft geleid tot aanpassing van het desbetreffende artikel, is het niet meer te beschouwen als een algemene voorwaarde in de zin van artikel 6:231 sub a BW. Het is dan niet meer een standaardbeding dat is opgesteld om in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen, maar een nieuw (aangepast) artikel. Door Hondius1 wordt de vraag aan de orde gesteld of het feit dat een artikel uit de algemene voorwaarden onderwerp van onderhandeling is geweest, zonder dat het artikel vervolgens is aangepast, er ook toe leidt dat het desbetreffende artikel niet meer is aan te merken als een algemene voorwaarde in de zin van artikel 6:231 sub a BW.
Op basis van de tekst van het voornoemde wetsartikel doet het onderhandelen over een bepaling niet af aan het feit dat het onderdeel van de algemene voorwaarden kan zijn. Het artikel definieert algemene voorwaarden immers als ‘een of meer bedingen die zijn opgesteld teneinde in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen, met uitzondering van bedingen die de kern van de prestaties aangeven, voor zover deze laatstgenoemde bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd’. Als de onderhandelingen niet hebben geleid tot aanpassing, dan is het nog steeds het beding dat bedoeld is om in meerdere overeenkomsten opgenomen te worden. Het bereik van de Richtlijn Oneerlijke bedingen (waarover meer in paragraaf 3.4.5) wordt wel mede bepaald door de vraag of over het beding onderhandeld is, ook al heeft er geen wijziging plaatsgevonden. Artikel 3 lid 1 geeft immers als definitie van een oneerlijk beding:
“Een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort”.
Met het in artikel 6:233 BW gebruikte begrip ‘wederpartij’ wordt gedoeld op ‘degene die door ondertekening van een geschrift of op andere wijze de gelding van algemene voorwaarden heeft aanvaard’ (artikel 6:231 sub c BW).
Uit de tekst van artikel 6:231 BW in samenhang met artikel 6:233 BW blijkt dat alleen de wederpartij (zijnde degene aan wie de algemene voorwaarden zijn aangeboden en die deze heeft geaccepteerd) zich kan beroepen op het feit dat een bepaling onredelijk bezwarend zou zijn. De gebruiker (de partij die de algemene voorwaarden in een overeenkomst gebruikt2) kan dit niet. Is het derhalve de (kleine) huurder zelf die aan de verhuurder voorstelt een bepaalde versie van algemene voorwaarden te gebruiken, dan kan deze huurder zich ten aanzien van deze set algemene voorwaarden niet later jegens deze verhuurder3 beroepen op artikel 6:233 BW. Zie in dit kader ook de uitspraak Rechtbank Zutphen 2 september 20094, waarin wordt overwogen:
“4.7. Artikel 6:231 BW geeft als definitie van de term ‘gebruiker’: ‘degene die algemene voorwaarden in een overeenkomst gebruikt’. Dit gebruiken moet worden opgevat als het initiatief nemen tot het opnemen van de algemene voorwaarden in de overeenkomst. Dit betekent dat degene die het initiatief heeft genomen de algemene voorwaarden in de overeenkomst op te nemen als gebruiker van die algemene voorwaarden aangemerkt moet worden.”
Naast het feit dat artikel 6:233 BW bepaalt dat een onredelijk bezwarend beding in de algemene voorwaarden vernietigbaar is, ziet het artikel ook op de terhandstelling van algemene voorwaarden. Dit betreft sub b van dat artikel, waarin is vastgelegd dat een beding in de algemene voorwaarden vernietigbaar is, indien de gebruiker5 aan de wederpartij niet een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen.
Artikel 6:246 BW bepaalt dat artikel 6:233 BW van dwingend recht is.
Kortom: artikel 6:233 BW beslaat zowel de inhoud van algemene voorwaarden (onder meer uitgewerkt in artikel 6:233 BW en de zwarte en grijze lijst in artikel 6:236 en 6:237 BW) als de terhandstelling daarvan.