Einde inhoudsopgave
De verklaring voor recht (BPP nr. XVIII) 2015/49
49 Dragende beslissingen
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens, datum 23-03-2015
- Datum
23-03-2015
- Auteur
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens
- JCDI
JCDI:ADS393494:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Voetnoten
Voetnoten
HR 15 mei 1987, NJ 1988, 164 (Van Huffel/Van den Hoek).
Snijders, Klaassen & Meijer 2011, nr. 61. Zie ook Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2011/ 148.
Asser/Anema &Verdam 1953, p. 355: ‘Onder de beslissingen, die gezag van gewijsde verkrijgen, behoren krachtens het bovenstaande ook de zogenaamde prejudiciële beslissingen, altijd natuurlijk alleen, voor zover ze betrekking hebben op materieelrechtelijke voorvragen; zo eigendom bij vragen van erfdienstbaarheid, bloedverwantschap bij vordering tot levensonderhoud, erfrecht in desbetreffende gevallen bij een eigendomsvordering, schuld bij pandrecht.’ Zie ook Beukers 1994, p. 83 en Veegens 1972, p. 34. Zie verder HR 17 mei 2013, RvdW 2013,687; HR 30 maart 2012, JBPr 2012, 42 (X/KSN), m. nt. G.C.C. Lewin; HR 18 september 1992, NJ 1992, 747 (Keizer/Van Andel); HR 3 juni 1983, NJ 1984, 5(X/Gelderse Tramwegmaatschappij NV) en Hof ‘s’-Gravenhage 24 maart 1976, NJ 1977, 101.
Zie hiervoor, nr. 45.
Het gezag van gewijsde is in Nederland geregeld in art. 236 Rv. Lid 1 van dat artikel bepaalt dat rechterlijke beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen diezelfde partijen bindende kracht hebben. Net als in Duitsland hebben zuivere feitelijke beslissingen,1 zuivere beslissingen over objectief recht en beslissingen ten overvloede in een volgende procedure tussen partijen in Nederland geen bindende kracht.2 Maar er is ook een belangrijk verschil tussen beide stelsels. In de vorige paragraaf beschreef ik dat dragende voorbeslissingen van een uitspraak naar Duits recht geen gezag van gewijsde krijgen. In Nederland krijgen die voorbeslissingen wél gezag van gewijsde, mits deze beslissingen daadwerkelijk genomen moeten worden om tot een beslissing over het gevorderde te komen.3 Mits ze dus, met andere woorden, dragend zijn. Wat dat concreet betekent, bespreek ik aan de hand van het eerder aangehaalde voorbeeld over de vordering tot betaling van huursommen. De verhuurder van een pand vordert betaling van huursommen van de huurder en de huurder verweert zich tegen de vordering door te stellen dat de huurovereenkomst nietig is. De rechter verwerpt het verweer van de huurder en wijst de vordering van de verhuurder toe. In Duitsland krijgt de beslissing over de geldigheid van de huurovereenkomst in dit geval geen gezag van gewijsde, terwijl die beslissing in Nederland wel gezag van gewijsde krijgt.4 De huurder of verhuurder die de beslissing van de rechter over de geldigheid van de huurovereenkomst bindend vastgesteld wil hebben, hoeft dus in Nederland niet te vorderen dat de rechter voor recht verklaart dat de huurovereenkomst geldig respectievelijk nietig is om ervoor te zorgen dat de rechtsverhouding bindend komt vast te staan.