Einde inhoudsopgave
De verklaring voor recht (BPP nr. XVIII) 2015/52
52 De verklaring voor recht naast de veroordeling tot prestatie vanwege de proceskosten of gefinancierde rechtsbijstand
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens, datum 23-03-2015
- Datum
23-03-2015
- Auteur
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens
- JCDI
JCDI:ADS401746:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Voetnoten
Voetnoten
Tjong Tjin Tai 2012, nr. 416.
Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2011/ 125.
Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2011/ 125.
zie Sluijter 2011, p. 49 over HR 30 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS8376, JOL 2005, 228 (ECC/ CellOne).
Zie hiervoor, nr. 50; Rb. Arnhem 16 juli 2008, ECLI:RBARN:2008:BD8698, RN 2008, 83.
Rb. Leeuwarden 23 mei 2012, ECLI:RBLEE:2012:BX0096.
Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2011/ 180.
Zie hiervoor, nr. 34.
Zie hiervoor, nr. 50.
Tjong Tjin Tai 2012, nr. 416.
Zie art. 4 lid 2 van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegingcriteria.
Zie bijvoorbeeld art. 8.2 van de Polisvoorwaarden bij de rechtsbijstandverzekering voor particulieren van Centraal Beheer Achmea (versie PRB – a920) te raadplegen via http://www.polisvoorwaardenonline. nl/docs/polisvoorwaarden/centraal_beheer/schade_particulier/varia/part.pdf: ‘(…) Indien de verzekerde definitief geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, vergoedt de Stichting de door de verzekerde gemaakte kosten van rechtsbijstand voor zover die voor zijn rekening zijn gekomen.’
Zie over de vraag wanneer sprake is van voldoende belang hiervoor, nr. 34.
In zijn boek over de schadestaatprocedure betoogt Tjong Tjin Tai voor de vordering die strekt tot betaling van schadevergoeding nader op te maken bij staat het volgende. Hoewel het strikt genomen overbodig lijkt om een verklaring voor recht naast verwijzing naar de schadestaatprocedure te vorderen, kan het in het kader van de proceskostenveroordeling (ingeval de verwijzing wordt afgewezen omdat bijvoorbeeld de schade niet aannemelijk wordt gemaakt) toch verstandig zijn om dat te doen. Dan staat namelijk buiten twijfel dat de eiser in zoverre in het gelijk is gesteld.1 Hoewel Tjong Tjin Tai specifiek over de veroordeling tot vergoeding van schade nader op te maken bij staat schrijft, is zijn betoog mijns inziens op elke andere vordering die strekt tot veroordeling tot een prestatie van toepassing: van elke vordering die strekt tot veroordeling tot prestatie is denkbaar dat zij wordt afgewezen terwijl de eiser het gelijk aan zijn zijde heeft als het gaat om voorbeslissingen.
Als de eiser alleen schadevergoeding vordert en de rechter die vordering afwijst omdat de gedaagde weliswaar onrechtmatig ten opzichte van de eiser heeft gehandeld maar er geen causaal verband aanwezig is tussen onrechtmatige daad en schade, dan zal de rechter de eiser in beginsel veroordelen in de kosten van de procedure (art. 237 Rv).2 Volgens Van Schaick dient de rechter het petitum van de dagvaarding met het dictum van het vonnis te vergelijken om te bepalen welke partij de in het ‘ongelijk’ gestelde is.3 Volgens Sluijter blijkt dat ook uit de rechtspraak.4 Maar wie is nu de in het ongelijk gestelde partij als de eiser – op basis van dezelfde casus – naast een vordering tot vergoeding van schade een verklaring voor recht vordert en de rechter die verklaring voor recht toewijst, maar de veroordeling tot prestatie afwijst? In de hiervoor besproken zaak van de rechtbank Arnhem van 16 juli 20085 wees de rechter de verklaring voor recht toe en de veroordeling tot prestatie af. De rechtbank compenseerde de kosten in dat geval in die zin dat elke partij de eigen kosten diende te dragen, nu er zowel een vordering was toegewezen als een vordering was afgewezen en er geen duidelijke ‘in het ongelijk gestelde partij’ aan te wijzen was. Maar in een vergelijkbaar geval veroordeelde de rechtbank Leeuwarden de eiser in conventie in de kosten van de procedure.6 Ook in dat geval had de verklaring voor recht betrekking op de voor de veroordeling tot prestatie relevante voorvraag. De rechtbank besliste zowel voor de procedure in conventie als in reconventie dat de eiser in conventie als de meest in het ongelijk gestelde partij moest worden veroordeeld in de proceskosten. De beslissing is niet verder gemotiveerd. Ik kan dus niet beoordelen in hoeverre het feit dat de vorderingen in reconventie allemaal werden toegewezen, eraan heeft bijgedragen dat de rechtbank vond dat de eiser in de procedure in conventie moest worden veroordeeld in de kosten. Strikt genomen zijn de procedure in conventie en de procedure in reconventie immers zelfstandige procedures (met een eigen proceskostenveroordeling).7 Dat de eis in reconventie volledig is toegewezen, zou dus op de proceskostenveroordeling in conventie geen invloed mogen hebben. Het is in elk geval niet zeker dat de eiser met een verklaring voor recht bewerkstelligt dat hij niet in de kosten van de procedure wordt veroordeeld als de gevorderde veroordeling tot prestatie wordt afgewezen. Afgezien daarvan lijkt mij dat het voorkomen van een proceskostenveroordeling onvoldoende belang oplevert voor ontvankelijkheid van de vordering. In hoofdstuk 3 kwam aan de orde dat ‘enig’ belang niet voldoende is in de zin van art. 3:303 BW. Het belang moet ‘voldoende’ zijn om de procedure te rechtvaardigen: het gaat met andere woorden niet alleen om de vraag of de eiser belang heeft bij de vordering, maar ook of dat belang opweegt tegen het belang van de gedaagde en het belang van een goede rechtspleging.8 Als de eiser alleen een veroordeling tot prestatie vordert en de rechter wijst die vordering af, dan wordt de eiser in beginsel veroordeeld in de proceskosten. Als de eiser naast veroordeling tot prestatie een verklaring voor recht vordert en de rechter die vordering toewijst maar de gevorderde veroordeling tot prestatie niet, dan zullen de proceskosten in het gunstigste geval gecompenseerd worden in die zin dat partijen hun eigen proceskosten betalen. Met de verklaring voor recht bewerkstelligt de eiser dan dat kosten ten laste van de gedaagde worden gebracht die anders (wanneer de eiser zou hebben volstaan met het vorderen van een veroordeling tot prestatie) voor zijn rekening waren gekomen.
In dat geval lijkt mij dat de eiser onvoldoende belang heeft bij de vordering. Dit nog afgezien van het feit dat de vordering mogelijk extra werklast voor de rechter oplevert. Zoals hiervoor aan de orde kwam, komt de voorvraag waarop de gevorderde verklaring voor recht betrekking heeft, lang niet altijd in het kader van de beoordeling van de gevorderde veroordeling tot prestatie aan de orde.9
Volgens Tjong Tjin Tai kan het ook zinvol zijn om een verklaring voor recht naast een veroordeling tot prestatie te vorderen in het geval van gefinancierde rechtsbijstand.10 Hij licht die stelling niet toe. Voor zover hij doelt op door de Raad voor Rechtsbijstand gesubsidieerde rechtsbijstand, is mij niet duidelijk waarom het zinvol is om een verklaring voor recht naast een veroordeling tot prestatie te vorderen. Om voor een reguliere toevoeging in aanmerking te komen, dient het op geld waardeerbare belang € 500,- of meer te bedragen.11 Voor de vaststelling en mutatie van de toevoeging is niet vereist dat de vordering van de eiser is toegewezen.12
De opmerking van Tjong Tjin Tai kan ook betrekking hebben op de situatie dat de eiser een rechtsbijstandverzekering heeft afgesloten en partijen zijn overeengekomen dat de verzekerde alleen de rechtsbijstandkosten (of een deel daarvan) krijgt vergoed als hij in de procedure (grotendeels) in het gelijk is gesteld. Een dergelijke bepaling komt voor als het gaat om geschillen die ontstaan met de rechtsbijstandverzekeraar zelf over de uitleg en toepassing van de verzekeringsvoorwaarden. Zie bijvoorbeeld de verzekeringsvoorwaarden van Centraal Beheer Achmea Rechtsbijstand:
‘Alle andere geschillen die mochten ontstaan naar aanleiding van de uitleg en de toepassing van de voorwaarden van deze verzekeringsovereenkomst kunnen, met uitzondering van die, genoemd in sub 1 van dit artikel, binnen 6 maanden na mededeling van het standpunt van de Stichting, worden voorgelegd aan de bevoegde rechter. Indien de verzekerde definitief geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, vergoedt de Stichting de door de verzekerde gemaakte kosten van rechtsbijstand voor zover die voor zijn rekening zijn gekomen.’13
De redenering van Tjong Tjin Tai zal zijn dat als de veroordeling tot prestatie wordt afgewezen maar de verklaring voor recht wordt toegewezen, de verzekerde toch gedeeltelijk in het gelijk is gesteld en hij zijn rechtsbijstandkosten vergoed zou moeten krijgen.
Als je alleen naar de tekst van de bepaling kijkt, zou het voor de vergoeding van de rechtsbijstandkosten inderdaad uit kunnen maken of de verzekerde volstaat met een vordering die strekt tot veroordeling tot een prestatie of dat hij die combineert met een vordering die strekt tot een verklaring voor recht. Maar ik vraag mij af of dat een redelijke uitleg van de bepaling is. Me dunkt dat het erom gaat of de verzekerde het door hem beoogde resultaat bereikt. Stel dat een verzekerde meent dat de rechtsbijstandverzekeraar in een geschil dat de verzekerde had met een derde ten onrechte de kosten van rechtsbijstand niet heeft vergoed. De verzekerde meent dat de polisvoorwaarde waarop de verzekeraar zijn standpunt baseert, onjuist heeft uitgelegd. De verzekerde kan een procedure jegens de verzekeraar aanhangig maken met het doel om alsnog de rechtsbijstandkosten die voortvloeien uit de procedure met de derde vergoed te krijgen. Als de verzekerde naast veroordeling tot vergoeding van de gemaakte kosten vordert voor recht te verklaren dat partijen een verzekeringsovereenkomst met elkaar hebben gesloten, en de rechter alleen de gevorderde verklaring voor recht toewijst, lijkt mij dat de verzekerde het door hem beoogde resultaat niet heeft bereikt.
Overigens dient de eiser mijns inziens in zijn vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard wegens ontbreken van voldoende belang als hij alleen met een toewijzing van die vordering zou bewerkstelligen dat zijn kosten van rechtsbijstand zouden worden vergoed. Hiervoor kwam al aan de orde dat wanneer alleen de gevorderde verklaring voor recht wordt toegewezen, de proceskosten in het gunstigste geval worden gecompenseerd. Met de verklaring voor recht bewerkstelligt de eiser dan (naast vergoeding van de rechtsbijstandkosten) dat een deel van de proceskosten niet ten laste komen van de eiser maar van de gedaagde. Daar staat tegenover dat de gedaagde een deel van de proceskosten voor zijn rekening krijgt die hij anders niet voor zijn rekening zou krijgen. Ook staat daar tegenover dat de vordering die strekt tot verklaring voor recht de rechter mogelijk extra werk bezorgt. Afgezet tegen deze belangen van de gedaagde en rechter levert de verklaring voor recht de eiser enig belang op, maar mijns inziens niet voldoende om de procedure te rechtvaardigen.14