De verklaring voor recht
Einde inhoudsopgave
De verklaring voor recht (BPP nr. XVIII) 2015/50:50 Dragende beslissing of overweging ten overvloede: een kwestie van uitleg
De verklaring voor recht (BPP nr. XVIII) 2015/50
50 Dragende beslissing of overweging ten overvloede: een kwestie van uitleg
Documentgegevens:
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens, datum 23-03-2015
- Datum
23-03-2015
- Auteur
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens
- JCDI
JCDI:ADS393497:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dat geldt ook voor de erkenning van een Nederlands vonnis in het buitenland (voor zover het gaat om een verdragstaat), want art. 26 EEV-Verdrag brengt mee dat de beslissingen het gezag en effect worden verleend die zij genieten in het land, waar zij zijn gewezen, aldus het Rapport- Jenard over art. 26 van het EEX-Verdrag. Zie over de betekenis van het begrip ‘erkenning’ uit art. 26 EEX-Verdrag Freudenthal 2013, p. 21.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zolang de beslissing over de rechtsverhouding een voor de geschilbeslissing dragende is, maakt het voor het gezag van gewijsde dus niet uit of die beslissing is genomen in de overwegingen van de uitspraak (in het kader van een veroordeling tot prestatie) of in het dictum (in het kader van een verklaring voor recht).1 Of een beslissing al dan niet dragend is, is een kwestie van uitleg. HR 12 oktober 2012, NJ 2012, 588 (Terra Nova/Shinn Fu) is in dat opzicht illustratief. Onderwerp van het geschil tussen partijen was de aard van een voortgezette huurovereenkomst. Shinn Fu bleef na opzegging van de huurovereenkomst per 31 maart 2006 het van Terra Nova gehuurde gebruiken tot eind 2006. Terra Nova meende dat Shinn Fu gehouden was om het pand primair nog vijf jaar en subsidiair nog drie jaar te blijven huren, omdat partijen volgens haar per april 2006 een overeenkomst voor bepaalde tijd waren aangegaan. Terra Nova vorderde op grond van die stelling dat de kantonrechter voor recht zou verklaren dat tussen partijen op 1 april 2006 een nieuwe huurovereenkomst tot stand was gekomen voor de duur van vijf, althans drie jaar. Bij vonnis van 7 maart 2007 heeft de kantonrechter die vordering afgewezen. De kantonrechter overwoog dat Terra Nova niet kon worden gevolgd in haar stelling dat met ingang van 1 april 2006 een nieuwe huurovereenkomst voor bepaalde tijd tot stand was gekomen:
‘Die uitleg van Terra Nova wordt dan ook verworpen, zodat ex art. 7:230 BW wordt uitgegaan van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd vanaf 1 april 2006.’
Nadat het vonnis in kracht van gewijsde was gegaan, maakte Terra Nova een nieuwe procedure tegen Shinn Fu aanhangig. Met een beroep op het vonnis van 7 maart 2007 stelde Terra Nova dat partijen een overeenkomst voor onbepaalde tijd waren aangegaan en dat Shinn Fu nog huur aan haar was verschuldigd. Zij vorderde onder andere veroordeling van Shinn Fu tot betaling van de achterstallige huur. De kantonrechter wees de vorderingen van Terra Nova op 23 september 2009 af. Volgens de kantonrechter stond weliswaar op basis van het vonnis van 7 maart 2007 vast dat partijen een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd waren aangegaan op 1 april 2006, maar volgens de kantonrechter was de huurovereenkomst geëindigd op 1 januari 2007 en was daarna geen huur meer verschuldigd. Tegen dit vonnis stelde Terra Nova hoger beroep in. In hoger beroep kwam aan de orde of op grond van het gezag van gewijsde van het vonnis van 7 maart 2007 vaststond dat met ingang van 1 april 2006 sprake was van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd. Volgens het hof was dat niet het geval omdat de overweging van de kantonrechter niet dragend was geweest voor zijn uiteindelijke beslissing. Het hof stelde voorop dat aan dragende overwegingen van het vonnis gezag van gewijsde toekomt. In de procedure die had geleid tot het vonnis van 7 maart 2007 lag aan de kantonrechter de vraag voor, aldus het hof, of tussen partijen per 1 april 2006 een huurovereenkomst tot stand gekomen was voor vijf jaar of voor drie jaar. De overweging van de kantonrechter waarop Terra Nova zich in de procedure voor het hof beriep, was niet dragend voor de geschilbeslissing:
‘De vraag of – indien met ingang van 1 april 2006 van een huurovereenkomst van vijf jaar of drie jaar geen sprake zou zijn – met ingang van 1 april 2006 een andere rechtsverhouding zou bestaan en, zo ja, of dit een huurovereenkomst voor bepaalde tijd zou zijn tot 1 januari 2007 (standpunt van Shinn Fu), dan wel een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd (dit standpunt was destijds door geen van partijen ingenomen) was niet aan de kantonrechter voorgelegd en vormde geen onderwerp van geschil. Dit vormt er een aanwijzing voor dat geen gezag van gewijsde toekomt aan de overweging van de kantonrechter dat uitgegaan moet worden van een overeenkomst voor onbepaalde tijd.’
Daar kwam volgens het hof bij dat in het vonnis ook werd gesuggereerd dat Terra Nova had geaccepteerd dat de huurovereenkomst tot 31 december 2006 zou doorlopen. Die overweging was volgens het hof tegenstrijdig aan de overweging van de kantonrechter dat tussen partijen een overeenkomst voor onbepaalde tijd tot stand was gekomen en die tegenstrijdigheid beschouwde het hof als indicatie voor de conclusie dat de overweging niet als dragend moest worden beschouwd. Ook het feit dat geen van de partijen tegen het vonnis van de kantonrechter van 7 maart 2007 hoger beroep had ingesteld, pleitte daarvoor. In cassatie klaagde Shinn Fu dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat aan de overweging van het vonnis van 7 maart 2007 geen gezag van gewijsde toekwam. De Hoge Raad verwierp de klacht van Shinn Fu. Hij overwoog dat de uitleg van een overweging uit een eerder vonnis of arrest is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en in cassatie slechts op begrijpelijkheid en toereikendheid van de motivering kan worden onderzocht. De Hoge Raad vond de motivering van het hof niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.
Niet alleen de vraag of een beslissing dragend is of niet, wordt door middel van uitleg beantwoord. Ook de inhoud van de beslissing wordt bepaald door uitleg ervan. In HR 28 oktober 1988, NJ 1989, 412 (Bossers/Kennis) betrof de beslissing waarvan de inhoud moest worden bepaald, een beslissing uit het arrest van het hof ’s Hertogenbosch van 31 januari 1984. In de procedure die daaraan vooraf was gegaan, vorderde Bossers nakoming van een koopovereenkomst. Kennis deed een beroep op de in de koopovereenkomst opgenomen ontbindende voorwaarde dat aan hem geen vergunning zou worden verleend om op het gekochte een transportbedrijf te exploiteren. Op dat moment stond nog niet vast dat de voorwaarde niet vervuld zou worden omdat tegen de verlening van de vergunning op grond van de Hinderwet nog administratief beroep hangende was. Het hof verwierp alle weren van Kennis tegen de vordering van Bossers en wees de vordering van Bossers toe. Met betrekking tot het verweer van Kennis dat de vergunning in het administratieve beroep alsnog zou kunnen worden geweigerd, overwoog het hof dat het aanhangige administratieve beroep tegen de verlening van de Hinderwetvergunning geen rol speelt, nu het beroep geen schorsende werking heeft. Ook overwoog het hof voor zover hier relevant dat de in de koopovereenkomst opgenomen ontbindende voorwaarde de verplichting impliceerde om binnen een redelijke termijn de nodige vergunningen aan te vragen. Het hof stelde vast dat Kennis daaraan in het onderhavige geval niet had voldaan zodat hem een beroep op de ontbindende voorwaarde niet meer kon toekomen. Op 28 februari 1985 werd de vergunning die Kennis had aangevraagd, alsnog afgewezen. Naar aanleiding daarvan maakte Kennis de onderhavige procedure jegens Bossers aanhangig waarin hij een verklaring voor recht vorderde dat de koopovereenkomst tussen partijen was ontbonden. Daarnaast vorderde Kennis terugbetaling van de koopsom inclusief rente. Bossers stelde dat de vorderingen van Kennis moesten worden afgewezen in verband met het feit dat het hof ’s-Hertogenbosch op 31 januari 1984 had beslist dat Kennis geen beroep meer kon doen op de ontbindende voorwaarde omdat Kennis niet binnen een redelijke termijn de vergunning had aangevraagd. Die beslissing van het hof had volgens Bossers gezag van gewijsde gekregen. De rechtbank honoreerde het verweer van Bossers en wees de vorderingen van Kennis af. Het hof meende evenwel dat in het eerdere arrest van 31 januari 1984 niet was beslist dat, wanneer alsnog zou komen vast te staan dat de vereiste vergunningen niet verleend zouden worden, de ontbindende voorwaarde geen werking meer zou hebben. Volgens de Hoge Raad was de rechtsopvatting van het hof niet onjuist en de toepassing daarvan niet onbegrijpelijk. Het beroep op het gezag van gewijsde kwam dus helemaal niet meer aan de orde. Overigens moest de beslissing uit het arrest van 31 januari 1984 volgens A-G Biegman-Hartogh worden aangemerkt als een beslissing die niet dragend was voor de geschilbeslissing. Voor toewijzing van de vordering had het hof, aldus Biegman-Hartogh, kunnen volstaan met de overweging dat de ontbindende voorwaarde niet was vervuld zodat aan toewijzing van de vordering niets in de weg stond.