De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland
Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/3.1:3.1 Inleiding
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/3.1
3.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS392099:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het positiefrechtelijke landschap van de strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting is gecompliceerd, zoals dit hoofdstuk nader duidelijk zal maken. Arbeidsuitbuiting is in Nederland niet als zelfstandig delict gecriminaliseerd. Het wordt tegengegaan met de strafbaarstelling van mensenhandel in artikel 273f Sr. Ook al is dit onderzoek gericht op arbeidsuitbuiting, gelet op de verwevenheid met het delict mensenhandel, is het noodzakelijk in te gaan op de gehele mensenhandelbepaling en de totstandkoming daarvan. Aangezien artikel 273f Sr betrekking heeft op drie verschillende vormen van mensenhandel, komen naast arbeidsuitbuiting eveneens de mensenhandel die ziet op seksuele uitbuiting en de gedwongen orgaandonatie aan de orde.
Uit § 3.2 volgt dat de geschiedenis van de criminalisering van mensenhandel in Nederland is op te delen in drie fasen: de 19e eeuw, de 20e eeuw en de 21e eeuw. In de 19e eeuw is de Trans-Atlantische slavenhandel verboden. In de 20e eeuw zijn verbodsbepalingen van de handel in witte seksslavinnen ontwikkeld. En in de 21e eeuw (in 2005) zijn in Nederland de seksuele uitbuiting en arbeidsuitbuiting onder één strafbepaling geschaard binnen het overkoepelende delict mensenhandel. De vormgeving van deze mensenhandelbepaling is voornamelijk gebaseerd op de strafbaarstelling van seksuele mensenhandel uit de 20e eeuw. De formulering hiervan is op zijn beurt nauw verbonden aan het prostitutiebeleid door de jaren heen. Om grip te krijgen op de inhoud van de huidige mensenhandelbepaling, is het aldus van belang nadrukkelijk in te gaan op de totstandkoming van de strafbaarstelling van mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting. Na uiteenzetting van de wetsgeschiedenis, komt in § 3.3 de huidige betekenis van arbeidsuitbuiting in relatie tot mensenhandel aan bod. Vervolgens gaat § 3.4 gedetailleerd in op de hedendaagse delictsomschrijving in artikel 273f Sr. Tot slot brengt § 3.5 aanverwante delicten tegen arbeidsuitbuiting in kaart en stelt § 3.6 de bestuursrechtelijke mogelijkheden ter wering van arbeidsuitbuiting centraal. De informatie in § 3.5 en § 3.6 is zinvol voor de toetsing aan het subsidiariteitsbeginsel en het coherentiebeginsel die in hoofdstuk 6 volgt.
De vragen die dit hoofdstuk uiteindelijk beantwoordt zijn: wat is arbeidsuitbuiting en op welke manier is het strafbaar gesteld in Nederland?