Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/10.2.3
10.2.3 Rome 1
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS298219:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement van 17 juni 2008, PbEG 2007, L 177/6.
Het EVO zal nog wel een rol blijven spelen voor zover het overeenkomsten betreft waarbij de rechtssfeer van Denemarken betrokken is, omdat ten aanzien van Rome I geldt dat Denemarken niet daaraan deelneemt en de Verordening daarom voor Denemarken verbindend noch op haar van toepassing is (zie de overwegingen voor Rome I nrs. 45 en 46 en de tekst van art. 1 lid 4 van de Verordening).
Ik verwijs daarvoor met name naar het preadvies van Van Wechem voor de Nederlandse Vereniging voor Internationaal Recht (Van Wechem 2008).
Van Wechem 2008, p. 24.
COM (2005) 650 def , 2005/0261 p. 5.
Op 17 juni 2008 is een nieuwe Verordening door het Europees Parlement goedgekeurd als vervanging van het EVO. Zij is van toepassing op overeenkomsten die 18 maanden na haar aanname zijn gesloten (Rome I) en treedt aldus in werking op 17 december 2009.1 Rome I vervangt, zoals gezegd, voor de meeste lidstaten het EVO.2 Het voert in het kader van dit boek te ver om alle specifieke verschillen tussen de conflictenregels van Rome I en het EVO te bespreken3 Desalniettemin een paar korte opmerkingen over de uitgangspunten van Rome I.
Uitgangspunt bij Rome I is dat in beginsel op internationale overeenkomsten het recht van toepassing is van het land waarmee die overeenkomst het nauwst is verbonden. Het is daarmee de bedoeling dat de rechter het "zwaartepunt" van de overeenkomst bepaalt.4 In lid 2 van art. 4 van het EVO is opgenomen dat een internationale overeenkomst vermoed wordt het nauwst verbonden te zijn met het land waar de partij die de kenmerkende prestatie verricht, ten tijde van het sluiten van de overeenkomst haar gewone verblijfplaats heeft of haar hoofdbestuur heeft. In art. 4 van Rome I is nu voor een achttal typen overeenkomsten het daarop toepasselijke recht van te voren vastgesteld. Het betreft hier onder meer de navolgende overeenkomsten: de overeenkomst voor de verkoop van roerende zaken, overeenkomsten inzake dienstverlening, overeenkomsten die een zakelijk recht op een onroerend goed of de huur van een onroerend goed tot onderwerp hebben, de franchiseovereenkomst, de distributieovereenkomst en de veilingovereenkomst. Voor de ongeduide overeenkomsten blijft het criterium van de kenmerkende prestatie gelden; voor zover de overeenkomst niet valt onder de reikwijdte van lid 1 of de bestanddelen van de overeenkomst vallen onder meerdere noemers van de in lid 1 geduide overeenkomsten moet van die overeenkomst de kenmerkende prestatie worden vastgesteld. Dit alles tenzij de overeenkomst een kennelijk nauwere band heeft met het recht van een ander land (art. 4 lid 3 van de Verordening). Hoewel de verwijzingsregels van Rome I zeer zeker de nodige vragen oproepen,5 zal de uitkomst ten opzichte van de toepassing van de verwijzingsregels van het EVO in veel gevallen gelijkluidend zijn.
Opvallend is de expliciete uitsluiting van het toepassingsgebied van Rome I op verbintenissen voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst zoals deze is opgenomen in art. 1 onder i. Uit de toelichting van het voorstel van de Commissie kan hieromtrent het volgende worden afgeleid.6 Dergelijke verbintenissen worden geacht exclusief te vallen onder de reikwijdte van Rome II, de Verordening betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen, welke hierna uitvoerig zal worden besproken. Een en ander sluit aan bij de uitleg die het Hof van Justitie heeft gegeven aan art. 5 lid 1 van de EEX-Vo (ook wel aangeduid als "Brussel I") voor wat betreft het begrip "overeenkomst".
Het hierna nog uitvoerig te bespreken art. 12 van Rome II kent als hoofdregel dat de niet-contractuele verbintenis die voortvloeit uit onderhandelingen voorafgaand aan het sluiten van een overeenkomst, ongeacht of de overeenkomst al dan niet daadwerkelijk is gesloten, wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op de overeenkomst of dat op de overeenkomst van toepassing zou zijn geweest indien zij was gesloten. Het kennelijke uitgangspunt dat ook verbintenissen uit onderhandelingen ten aanzien van overeenkomsten die wél tot stand zijn gekomen, worden bestreken door Rome II (en dus: expliciet niet door Rome I) zou de vraag kunnen doen rijzen hoe moet worden geoordeeld met betrekking tot een vordering tot dooronderhandelen die voortvloeit uit een rompovereenkomst. Wij hebben gezien dat, althans naar Nederlands recht, een dergelijke vordering een, zo men wil: "zuiver", contractuele grondslag heeft. Moeten nu op een dergelijke vordering de verwijzingsregels van Rome II worden toegepast, louter en alleen omdat de vordering voortvloeit uit onderhandelingen? Dat lijkt mij niet de bedoeling. Het zou een m.i. juridisch dogmatisch onwenselijk rechtsgevolg zijn en bovendien nogal gekunsteld zijn om het recht dat van toepassing is op een contractuele verbintenis bij wijze van uitzondering via de verwijzingsregels van Rome II te laten vaststellen. Bovendien geeft de tekst van art. 12 Rome II ook niet direct aanleiding voor deze veronderstelling, de Verordening spreekt van:
"de niet-contractuele verbintenis die voortvloeit uit onderhandelingen voorafgaand aan het sluiten van een overeenkomst" (cursivering MR).
Reeds daarin lijkt mij besloten te liggen dat niets eraan in de weg staat om het recht dat van toepassing is op verbintenissen die voortvloeien uit onderhandelingen (of, beter gezegd: uit de weigering om die voort te zetten) na de totstandkoming van de overeenkomst, gewoon door Rome I te laten bepalen.