Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen
Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/14.3:14.3 Aanmerkelijkbelangschuldvorderingen
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/14.3
14.3 Aanmerkelijkbelangschuldvorderingen
Documentgegevens:
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS456566:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 15.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals in hoofdstuk 4, onderdeel 4.2.1 is uiteengezet, geldt op het uitgangspunt dat een aanmerkelijkbelanghouder sedert 1 januari 1997 enkel nog met de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' wordt geconfronteerd één belangrijke uitzondering en dat betreft de schuldvorderingen die tot een aanmerkelijk belang behoren. Schuldvorderingen kunnen op grond van de meetrekregeling van art. 20a, vierde lid, Wet IB of de afgeleid-aanmerkelijkbelangregeling van art. 20a, vijfde lid, Wet IB tot een aanmerkelijk belang behoren. Dit geldt echter alleen voor de vervreemdingsvoordelen van de schuldvorderingen en niet tevens voor de reguliere voordelen. Dit volgt uit art. 20a, eerste lid, Wet IB, alwaar in onderdeel a de schuldvorderingen niet worden genoemd en in onderdeel b wel. Voorts kan dit worden afgeleid uit de regeling van art. 24, derde lid, Wet IB, ingevolge welke de bron 'inkomsten uit vermogen' vóórgaat op de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' als voordelen getrokken uit aanmerkelijkbelang-schuldvorderingen onder beide bronnen zouden kunnen vallen. Zoals aldaar is uiteengezet, is de achtergrond van deze ingrijpende inbreuk op de bronnenvolgorde gelegen in het feit dat reguliere renten van schuldvorderingen aftrekbaar zijn van de winst van de vennootschap en daarop aldus geen voordruk vennootschapsbelasting drukt, waardoor een proportioneel tarief van 25% schromelijk tekort zou schieten.
De vraag is echter of de gekozen oplossing, t.w. de reguliere rente van aan-merkelijkbelangschuldvorderingen uitsluiten van de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' en belasten volgens de bron 'inkomsten uit vermogen', nu wel de meest logische en efficiënte oplossing is. Ik meen dat dit niet het geval is. Mijns inziens was het logischer geweest om ook de reguliere voordelen uit aanmer-kelijkbelangschuldvorderingen via de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' te verwerken, doch voor deze voordelen een specifieke uitzondering te maken op het 25%o-tarief in art. 57a, derde lid, Wet IB. Iets soortgelijks is immers geschied met betrekking tot de (zakelijke) borgtochtvergoedingen. Ook deze vergoedingen zijn immers aftrekbaar van de winst van de vennootschap, zodat een aanmerkelijkbelangheffing van 'slechts' 25%o te gering is. Daarom zijn de borgtochtvergoedingen in art. 57a, derde lid, onderdeel c, Wet IB uitdrukkelijk uitgesloten van het bijzondere tarief van 25%o. Een vergelijkbare regeling voor de reguliere voordelen van tot een aanmerkelijk belang behorende schuldvorderingen had mijns inziens evenzeer voor de hand gelegen. Hierbij dient de uitsluiting van het bijzondere tarief van 25%j beperkt te worden tot de reguliere voordelen uit aanmerkelijkbelangschuldvorderingen en niet tevens de vervreemdingsvoordelen van aanmerkelijkbelangschuldvorderingen te omvatten. Deze laatste voordelen dienen wel het bijzondere aanmerkelijkbelangtarief van 25%o deelachtig te worden. Op deze wijze wordt mijns inziens een meer op de problematiek toegesneden oplossing verkregen.
Tevens wordt met deze oplossing bereikt dat de andere in hoofdstuk 4, onderdeel 4.3.1 gesignaleerde verschillen tussen de verschaffing van eigen vermogen en vreemd vermogen door de aanmerkelijkbelanghouder aan de vennootschap worden beëindigd. Eén van de redenen om schuldvorderingen eveneens tot het aanmerkelijk belang te rekenen, was immers, naast de beëindiging van de turboproblematiek (zie hoofdstuk 3, onderdeel 3.3.2), de wens om een grotere gelijkheid tussen de verschaffing van eigen vermogen en vreemd vermogen aan de vennootschap te bereiken.1 Zoals aldaar is aangegeven, kent de huidige regeling een aantal in het oog springende verschillen tussen de fiscale behandeling van schuldvorderingen die tot een aanmerkelijk belang behoren en aandelen en -winstbewijzen die tot een aanmerkelijk belang behoren:
toepassing van de defiscaliseringsregeling van art. 25, zestiende lid, Wet IB in geval van de vestiging resp. toescheiding krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht van een tijdelijk genotsrecht op aanmerkelijkbelangschuld-vorderingen;
toepassing van de forfaitaire rendementsregeling van art. 25a Wet IB op blote eigendommen van aanmerkelijkbelangschuldvorderingen;
(financierings)kosten in verband met renten van aanmerkelijkbelangschuld-vorderingen;
toepassing van de met ingang van 1 januari 1999 ingevoerde bijzondere regeling van art. 38, zevende lid, Wet IB op aanmerkelijkbelangschuldvorderingen;
toepassing van de rentevrijstelling van art. 42b Wet IB op renten van aan-merkelijkbelangschuldvorderingen.
De door mij voorgestane oplossing heeft als bijkomend voordeel dat de verschaffing van eigen vermogen en de verschaffing van vreemd vermogen door een aanmerkelijkbelanghouder aan de vennootschap zoveel mogelijk op dezelfde wijze in de aanmerkelijkbelangheffing wordt betrokken.