Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/5.2.3.2:5.2.3.2 Onderscheid tussen privaatrecht en strafrecht
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/5.2.3.2
5.2.3.2 Onderscheid tussen privaatrecht en strafrecht
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946080:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Lette van Oostvoorne 1882, p. 2.
Remmelink 1959, p. 262.
Demeersseman 1985, p. 608-611.
Demeersseman 1985, p. 611.
Demeersseman 1985, p. 612.
Demeersseman 1985, p. 619-643.
Demeersseman 1985, p. 643.
Demeersseman 1985, p. 644-645.
De Hullu 2021, p. 29.
Van Kempen 2009, p. 269-270.
Zie hierover meer uitgebreid Van Kempen 2009, p. 273-276.
Van Kempen 2009, p. 268-270 en 289-291.
Van Kempen 2009, p. 279.
Van Kempen 2009, p. 282-283.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een aantal eeuwen nadien heeft de discussie over de verhouding tussen het privaatrecht en het publiekrecht zich primair geconcentreerd op de vraag of en in hoeverre overheidshandelen bestuursrechtelijk dan wel privaatrechtelijk diende te worden genormeerd. Die vraag bleek voor de rechtspraktijk van wezenlijk belang. Overheidshandelen op het grensvlak van strafrecht en privaatrecht speelde in de praktijk daarentegen veel minder een rol, waardoor de vraag naar de verhouding tussen die rechtsgebieden zich veel minder opdrong. Dit laat onverlet dat het onderscheid tussen het privaatrecht en het strafrecht door verschillende auteurs is geduid. Hierna wordt een aantal van die zienswijzen uitgelicht.
Enkele jaren voor de invoering van het Wetboek van Strafrecht ging Lette van Oostvoorne in de inleidende beschouwingen van zijn dissertatie kort in op de verhoudingen die centraal staan in het burgerlijk recht en het strafrecht. Hij stelde dat in het burgerlijk recht steeds de verhouding tussen burgers onderling op de voorgrond stond, terwijl in het strafrecht steeds de verhouding van de burger tot de maatschappij de doorslag zou geven.1 Het onderscheidende criterium is volgens Lette van Oostvoorne daarmee de verhouding van de ter zake doende belangen, waarbij in het strafrecht een primaire rol aan het algemeen (gemeenschaps)belang wordt toebedeeld.
Remmelink verwoordde het onderscheid tussen privaatrecht en strafrecht een aantal decennia later als volgt:
“Onder erkenning dat er vele grensgevallen, ja grensgebieden zijn, kan men zeggen dat het privaatrecht zich bezig houdt met de verhoudingen tussen particuliere personen en daarmee gelijk te stellen gemeenschappen en in de vraag van gelijk of ongelijk inzake hoofdzakelijk vermogensrechtelijke geschillen oplossingen aan de hand doet, terwijl het strafrecht van bovenaf met misprijzen en leedtoevoeging reageert op bepaalde voor de samenleving onduldbare gedragingen, welke het aan persoonlijke, zedelijke schuld des daders wijt.”2
Het privaatrecht draait zijns inziens primair om geschilbeslechting tussen gelijkwaardige partijen, terwijl het strafrecht ziet op een ongelijkwaardige verhouding waarbij de overheid op publieke gronden het strafwaardig handelen van een burger sanctioneert. Daarmee zijn de (on)gelijkwaardige verhouding tussen de betrokken partijen en de uiteenlopende functie van de procedure volgens Remmelink karakteristiek voor het onderscheid tussen beide rechtsgebieden.
Demeersseman onderzocht in zijn dissertatie uit 1985 de autonomie van het materiële strafrecht ten opzichte van onder meer het privaatrecht. Hij stelde dat een deelgebied binnen het recht autonoom is indien sprake is van zowel formele autonomie als materiële autonomie. Met formele autonomie wordt daarbij bedoeld dat de rechtsstof is geregeld in één of meerdere aparte wetten. Dat is bij het strafrecht het geval. De materiële autonomie valt volgens Demeersseman uiteen in twee componenten. Ten eerste moet men erkennen dat het deelgebied een eigen, van andere rechtsgebieden afwijkende, functie vervult. Ten tweede moet die functie niet goed vervuld kunnen worden indien men binnen dit deelgebied aan theorie- en begripsvorming uit andere rechtsgebieden gebonden zou zijn. 3De eerste component van het materiële criterium leidt ertoe dat binnen het onderzoek van Demeersseman een belangrijke plaats is weggelegd voor de vaststelling van de onderscheidenlijke doelen van het strafrecht en het civiele recht. Demeersseman duidt het doel van het materiële strafrecht als:
“het kracht bij zetten aan de naleving van, maatschappelijk gezien, belangrijke (gedrags)normen door de schending ervan met straf te bedreigen en deze, wanneer het ongewenste gedrag zich heeft verwezenlijkt, in bepaalde gevallen, namelijk de strafwaardige waarin vervolging opportuun wordt geacht, overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering, daadwerkelijk op te leggen”.4
Het materieelrechtelijke privaatrecht strekt er volgens Demeersseman daarentegen toe (in)direct alle denkbare rechtsverhoudingen tussen rechtssubjecten onderling te regelen, waaronder hij tevens het ongedaan maken van ongewenste verstoringen in die verhoudingen schaart, bijvoorbeeld indien schade is toegebracht.5
De door Demeersseman omschreven uiteenlopende functies – die goeddeels aansluiten bij de beschrijving van Remmelink – uiten zich volgens Demeersseman in fundamentele verschillen tussen beide rechtsgebieden. Daarbij wijst hij erop dat het strafrecht dwingend van aard is, terwijl rechtssubjecten binnen het in het civiele recht veel ruimte hebben om onderlinge rechtsverhoudingen naar eigen believen in te vullen. Ook ziet Demeersseman een belangrijk onderscheid waar het strafrecht – vanwege het legaliteitsbeginsel – fragmentarisch van aard is en voorziet in sanctionering van duidelijk omschreven normstellingen, terwijl het privaatrecht alomvattend de verhoudingen tussen partijen beoogt te reguleren. Demeersseman stelt vervolgens vast dat algemeen is aanvaard dat het strafrecht niet is gebonden aan gezichtspunten uit andere rechtsgebieden, omdat dit zou beletten dat het strafrecht aan het eigen doel van het rechtsgebied kan beantwoorden. 6Dat in de verschillende rechtsgebieden disharmonieën in theorie- en begripsvorming kunnen ontstaan, is zijns inziens geen onvolkomenheid in de rechtspleging. Demeersseman bestempelt dit als een uitvloeisel van de eigen wijze waarop het strafrechtelijk systeem functioneert en de vervulling van het eigen doel van het strafrecht. 7Zijns inziens moet de autonome invulling van het strafrecht niet worden geduid als afwijking van bijvoorbeeld het civiele recht. Dit zou ten onrechte impliceren dat één van de deelgebieden binnen het recht richtinggevend zou zijn voor de invulling van andere deelgebieden.
Deze bevindingen doen volgens Demeersseman echter geen afbreuk aan de idee van eenheid van het recht. Het algehele doel van het recht duidt hij – in navolging van Van Apeldoorn en Leijten – als een vreedzame en rechtvaardige ordening van de samenleving en aan dit doel wordt zijns inziens juist invulling gegeven door de verschillende deelgebieden binnen de rechtspleging op eigen wijze zo goed mogelijk te laten beantwoorden aan de onderscheidenlijke doelen van die rechtsgebieden. 8
Meer recent schetste De Hullu dat het strafrecht zich onderscheidt door de sanctie die aan overtreding van de delictsomschrijving kan worden verbonden, de doeleinden van die sanctionering en de manier waarop en de organen waardoor die sanctie kan worden vastgesteld. Zijns inziens tekent dit het belangrijke verschil met vooral het civiele recht waarin horizontale schaderegeling tussen burgers onderling centraal staat. Het strafrecht ziet zijns inziens op een verticalere, meer vergeldende sanctionering van overheid jegens burger.9
In de hierboven beschreven visies voert de vergelijking van de materieelrechtelijke functie van beide rechtsbieden de boventoon. In relatie tot het strafrecht wordt daarbij echter meermaals benoemd dat de bestraffing dient plaats te hebben op bij wet voorgeschreven wijze. Dat maakt duidelijk dat – bij een zoektocht naar het onderscheid tussen het strafrecht en het privaatrecht – het procesrecht binnen die rechtsgebieden niet onbelicht dient te blijven.
Van Kempen duidt het hoofddoel van het burgerlijke procesrecht als:
“het door de rechter beslechten van het werkelijke geschil tussen de partijen door de in het geding zijnde materiële rechten en verplichtingen op zodanige wijze te effectueren, te wijzigen, te beëindigen of vast te stellen dat van die partijen, maar in latere instantie ook van anderen waarvoor de beslissing van belang is, ten minste mag worden verwacht dat zij de rechtspleging, waarvan het dictum van de uitspraak uiteindelijk het belangrijkste onderdeel is, als geheel genomen aanvaarden.”
Van Kempen voegt toe dat het algemeen belang daarmee niet buiten beschouwing blijft in de burgerlijke rechtspleging, maar dat het in de kern draait om een geschil tussen gelijkwaardige partijen ten behoeve van hun private belangen. Daarentegen vindt het strafproces zijn inziens voornamelijk plaats in het kader van het algemeen belang “als correctieve reactie op de door het strafbare feit verstoorde rechtsorde”. Het doel van het strafproces omschrijft Van Kempen meer precies als:
“het op zodanige wijze reageren op een strafbaar feit dat niet alleen in de gemeenschap algemeen bezien het gevoel bestaat dat op een voldoende adequate manier is gereageerd op het strafbaar feit, maar ook van de verdachte en het eventuele slachtoffer van het delict ten minste mag worden verwacht dat zij de rechtspleging in de strafzaak accepteren”.10
Ik kan mij goeddeels vinden in de beschrijving van de doelen van de procesvoering in beide rechtsgebieden, al meen ik dat de (subjectieve) acceptatie van de procesvoering en uitkomst door de betrokken partijen van secundair belang is en dat het – zowel in het privaatrecht als het strafrecht – primair draait om het (objectief) creëren van duidelijkheid omtrent de rechtsposities van de betrokkenen.
Voorts stipt Van Kempen aan dat het strafproces – anders dan het civielrechtelijke proces – dubbel asymmetrisch van aard is doordat de posities van het openbaar ministerie en de verdediging ongelijkwaardig zijn en deze partijen ook ongelijksoortige belangen behartigen. Bij de verdachte staat immers zijn persoonlijke belang centraal, terwijl het openbaar ministerie zorgdraagt voor de behartiging van publieke belangen. Deze asymmetrie uit zich ook in de uiteenlopende wijze waarop art. 6 EVRM zijn uitwerking vindt in de civiele en strafrechtelijke procesvoering. 11Zo biedt art. 6 EVRM in de strafrechtspleging alleen de verdachte bescherming en is het openbaar ministerie juist (mede) verantwoordelijk voor de verwezenlijking van een eerlijk proces, terwijl in de civiele procesvoering beide partijen aanspraak kunnen maken op bescherming van hun positie op grond van art. 6 EVRM. Voornoemd recht op een eerlijk proces waarborgt in de civiele procesvoering dus met name de gelijke rechten en verplichtingen van partijen, terwijl in het strafproces rechtsbescherming van de enkeling tegen de Staat vooropstaat. In die zin draagt het EVRM bij aan een verschil in het procesrecht in beide rechtsgebieden nu in het privaatrecht gelijkwaardigheid wordt beschermd, terwijl in het strafproces de ongelijkwaardige positie tot uitgangspunt wordt genomen en die ongelijkwaardigheid nadrukkelijk bijdraagt aan een verschil in rechten en verplichtingen voor de betrokken partijen.
Van Kempen concludeert dat de uiteenlopende doelen van de procesvoering in het privaatrecht en het strafrecht en het verschil in de aard van de betrokken partijen en aard van de relaties daartussen maken dat volledige uniformering van het procesrecht vanuit dogmatisch oogpunt niet wenselijk en niet mogelijk is. Dit laat onverlet dat Van Kempen op onderdelen een vergelijkbare ontwikkeling ziet in de procesvoering, waarbij de positie van de rechter minder formalistisch is verankerd en meer verantwoordelijkheden worden neergelegd bij de procespartijen. Van Kempen stelt vast dat hieraan veelal een beoogde verbetering van de doelmatigheid van de procedure ten grondslag ligt en dat dit zich niet steeds goed verhoudt met de uiteenlopende mate waarin rechtsbescherming een rol speelt in de verschillende rechtsgebieden.12 Vanwege de ongelijke verhouding tussen de betrokken partijen is rechtsbescherming van groter belang in het strafrecht dan in het burgerlijk procesrecht. Dit zou zijns inziens nopen tot een actieve(re) rechter in de strafrechtspleging, terwijl in de civiele rechtspleging een meer lijdelijke rechter zou volstaan.13 Daarop voortbordurend stelt Van Kempen dat de rechter een grotere verantwoordelijkheid heeft voor de bewijsgaring ten behoeve van de beslissing naarmate het algemeen belang meer centraal staat bij de procesgang en -uitkomst, terwijl binnen de civiele procesvoering – die is geënt op partijbelangen – de feitenvergaring hoofdzakelijk aan de betrokken partijen kan worden overgelaten.14
In de beschouwingen van voornoemde auteurs over het onderscheid tussen het privaatrecht en het strafrecht gaat nagenoeg steeds aandacht uit naar een verschil in functie van beide rechtsgebieden, de soort belangen die daarbinnen centraal staan en de (on)gelijkwaardigheid van partijen die daarbij betrokken zijn. Deze duiding van onderscheidende factoren tussen het strafrecht en het privaatrecht zijn fundamenteel van aard en bieden daarmee aanknopingspunten voor elementen die (mede) invulling geven aan het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht. De duiding van de publiekrechtelijke aard van het strafrecht komt hierna in paragraaf 2.4 uitgebreider aan bod.