Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/5.5.2
5.5.2 De ontstaansgeschiedenis van de Code
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS388251:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In deze zin ook H.H. Voogsgeerd, Corporate governance codes: markt- of rechtsarrangement?, IVO-reeks nr. 55, Deventer: Kluwer 2006, p. 107. Zie voor een verslag van het betreffende seminar V.A. Cancian, ‘Corporate governance in Nederland 2002’, Ondernemingsrecht 2003, p. 52-54.
Zie voor de inleiding van deze bundel Peters 2002.
Cancian 2003, p. 54.
Ibid.
Opgenomen in Code Tabaksblat 2003, p. 66-68.
Voogsgeerd merkt hierover nog op dat FNV enkele weken na de instelling van de Commissie Tabaksblat alsnog heeft verzocht om een vertegenwoordiger in de Commissie af te mogen vaardigen, maar dat dit op dat moment niet meer mogelijk was. Zie Voogsgeerd 2006, p. 107 (verwijzend naar een bericht in NRC Handelsblad van 27 maart 2003).
High Level Group Report on EU Company Law 2002, p. 73.
Code Tabaksblat 2003, p. 66.
Zie Winter 2002 over de behoefte aan een flexibel ondernemingsrecht vanwege de ‘beperkte houdbaarheid’ van wettelijke bepalingen.
Hierover Smit J. 2004, in het bijzonder p. 273-328.
Redactioneel commentaar ‘Sprong voorwaarts’, Financieele Dagblad 2 juli 2003.
Redactioneel commentaar ‘Een forse stap vooruit’, Volkskrant 2 juli 2003.
Redactioneel commentaar ‘Tandeloos’, NRC Handelsblad 2 juli 2003.
Voorbeelden zijn P.M.L. Frentrop, ‘Stemplicht voor institutionele beleggers’, Financieele Dagblad 26 juli 2003, P. van Schilfgaarde, ‘Structuurregime weg na Tabaksblat’, Financieele Dagblad 14 augustus 2003, A.W.A. Boot & Ph. Wallage, ‘Scherper kiezen kan code Tabaksblat tot een succes maken’, Financieele Dagblad 21 augustus 2003, H.V. Oppelaar, ‘Aandeelhouders moeten bestuur benoemen’, Financieele Dagblad 22 augustus 2003,H.O.C.R. Ruding, ‘Goed bestuur niet bij wet afdwingen’, NRC Handelsblad 27 augustus 2003 en G. van Solinge, ‘Structuurregime moet op de schop’, Financieele Dagblad 1 september 2003. De concept-Code werd in vaktijdschriften onder meer besproken in M.W. den Boogert, ‘Corporate Governance in een stroomversnelling’, Ondernemingsrecht 2003, p. 406-413 en A. de Jong & P.G.J. Rooseboom, ‘De Achilleshiel van Tabaksblat’, ESB 2003, p. 392-393.
Commissie Corporate Governance, concept voor de Nederlandse Corporate Governance Code d.d. 1 juli 2003, te raadplegen op
Voor een overzicht van de aanbevelingen zie Annex 1 bij Code Tabaksblat Concept 2003, p. 32-34.
Zie bijvoorbeeld de reactie namens Kon. KPN N.V. van 1 september 2003, te raadplegen op
Code Tabaksblat Concept 2003, p. 33 (aanbeveling 9). De Commissie stelde voorts in aanbeveling 8 nog een technische wijziging ten aanzien van het voorgestelde artikel 2:107a BW voor over de berekening van de voorgestelde drempelwaardes. Daarnaast formuleerde de Commissie nog een algemene oproep aan de wetgever om het gebruik van beschermingsconstructies in overnamesituaties en de mogelijkheid om beschermingsconstructies na bepaalde tijd te kunnen doorbreken wettelijk te regelen (ibid, p. 34, aanbeveling 15). Wellicht was deze oproep bedoeld als aansporing aan de wetgever om de behandeling van het op dat moment reeds lange tijd hangende Wetsvoorstel betwiste overnames alsnog ter hand te nemen. Een andere interpretatie is dat het de Commissie voor ogen stond om alvast met nationale wetgeving vooruit te lopen op het nieuwe voorstel voor de Dertiende Richtlijn dat op 2 oktober 2002 door de Europese Commissie was gepubliceerd (COM (2002) 534 final). In dit richtlijnvoorstel was overigens wel de door de High Level Group voorgestelde ‘board neutrality rule’ (artikel 9) opgenomen, maar niet de voorgestelde ‘breakthrough rule’ ten aanzien van beschermingsconstructies.
Reactie namens ABN AMRO van 5 september 2003, te raadplegen op <https://www.corpgov. nl>, p. 1-2.
Nadere uitwerking reactie VNO-NCW van 4 september 2003, te raadplegen op
Ruding 2002, slotparagraaf.
Waar kwam deze nieuwe Code vandaan? De oorsprong van de Code gaat terug tot een seminar aan de Universiteit van Tilburg dat op 18 december 2002 door de Nederlandse Corporate Governance Stichting en de Stichting Corporate Governance Onderzoek Pensioenfondsen (de voorloper van het huidige Eumedion) was georganiseerd.1 Tijdens dit seminar werd de bundel Corporate Governance in Nederland 2002: de stand van zaken van de Nederlandse Corporate Governance Stichting gepresenteerd.2 Het eerste exemplaar van deze bundel werd uitgereikt aan de Minister van Financiën Hoogervorst (VVD). De bundel bevatte naast een aantal artikelen ook de resultaten van een onderzoek naar de mate waarin en de wijze waarop de aanbevelingen van de Commissie Peters uit 1997 vijf jaar later door de Nederlandse beursgenoteerde ondernemingen waren geïmplementeerd. De resultaten van dit onderzoek werden door alle sprekers tijdens het seminar, onder wie de oud-leden van de Commissie Peters Moerland, Snijders en Peters zelf, als teleurstellend aangemerkt. Peters sprak daarbij uit dat er snel een nationale corporate governance code zou moeten komen, een conclusie die blijkens het verslag ook door de andere aanwezigen werd gedeeld.3
Minister van Financiën Hoogervorst sprong blijkens het verslag in op deze opmerking door te stellen dat een nieuwe code niet alleen regels voor bestuurders en commissarissen, maar ook voor institutionele beleggers zou moeten bevatten. Daarnaast zou de nieuwe code volgens Hoogervorst opgesteld moeten worden door een commissie bestaande uit bestuurders, commissarissen en beleggers die zonder last of ruggespraak zouden moeten kunnen opereren. Hoogervorst sloot af met de opmerking dat hij binnen een jaar resultaten wilde zien, omdat anders wetgeving zou volgen.4 Hoogervorst was ten tijde van deze uitspraken niet alleen Minister van Financiën, maar ook Minister van Economische Zaken; hij nam sinds oktober 2002 in het demissionaire kabinet Balkenende I (CDA, VVD, LPF) de portefeuille waar van de opgestapte LPF-minister Heinsbroek. De aansporing van Hoogervorst tijdens het seminar om een brede commissie te formeren teneinde een corporate governance code vast te stellen was dus de “uitnodiging van de Ministers van Financiën en Economische Zaken” waaraan later in de preambule van de Code zou worden gerefereerd.
De Commissie corporate governance, naar haar voorzitter ook wel aangeduid als de ‘Commissie Tabaksblat’, werd op 10 maart 2003 ingesteld. Op diezelfde datum werd de taakopdracht aan de Commissie van haar opdrachtgevers (VNO- NCW, NCD, VEUO, VEB, SCGOP en Euronext) vastgesteld.5 Een opvallende afwezige in de lijst van opdrachtgevende partijen was de vakbeweging.6 Bij de samenstelling van de Commissie Tabaksblat werd, anders dan bij de Commissie Peters, niet gewerkt met een systeem van leden die kenbaar op voordracht van een bepaalde belangenorganisatie werden benoemd. Toch volgt uit het overzicht van de leden van de Commissie via de vermelding van nevenfuncties dat bepaalde leden vanuit een specifieke achterban lijken te zijn aangedragen. Zo hadden bestuurders van VNO-NCW (Westerlaken), de VEUO (Pieterse), Euronext (Möller), de VEB (De Vries) en SCGOP (De Koning) zelf zitting in de Commissie Tabaksblat. De taakopdracht had een nadrukkelijk internationale component: de door de Commissie op te stellen code moest zoveel mogelijk aansluiten bij de internationale ontwikkelingen. Een opvallende naam in de Commissie Tabaksblat was die van Winter. De High Level Group of Company Law Experts onder voorzitterschap van Winter had kort daarvoor in haar eindrapport de aanbeveling gedaan dat iedere Lidstaat een nationale corporate governance code zou moeten opstellen waaraan beursgenoteerde ondernemingen in hun jurisdictie zouden moeten voldoen dan wel uit zouden moeten leggen waarom aan bepaalde onderdelen van die code niet wordt voldaan.7 In de taakopdracht van de Commissie corporate governance werd ook expliciet naar deze aanbeveling van de High Level Group verwezen.8 Winter, die zich eerder ook al in de Nederlandse discussie had uitgesproken voor het verkennen en ontwikkelen van alternatieve vormen van ondernemingsrechtelijke regelgeving,9 kreeg dus de gelegenheid om de Nederlandse opvolging van zijn eigen aanbeveling mede gestalte te geven. Dat de inhoud van de Code dus op een aantal punten grote gelijkenissen vertoonde met de aanbevelingen van de High Level Group zal dan ook geen toeval zijn geweest.
De Commissie publiceerde op 1 juli 2003 een conceptversie van de voorgestelde Code. In de tijd die sinds de ‘uitnodiging’ van Hoogervorst was verstreken, was inmiddels het boekhoudschandaal rond Ahold na de bekendmaking ervan op 24 februari 2003 in volle omvang publiek geworden.10 Net zoals de schandalen rond Enron, Ahold en Parmalat een zekere impuls gaven aan de Europese beleidsagenda op het terrein van het ondernemingsrecht in de vorm van het EU Action Plan 2003 (zie §5.3) gaven de ontwikkelingen rond Ahold een zekere urgentie aan het werk van de Commissie Tabaksblat. Deze urgentie kan worden afgeleid uit de vele reacties die na publicatie van de concept-Code op 1 juli 2003 in de media verschenen. Een redactioneel commentaar in het Financieele Dagblad van 2 juli 2003 bestempelde het werk van de Commissie als een adequate reactie op “de vertrouwenscrisis waarin het Nederlandse bedrijfsleven verkeert en de maatschappelijke onvrede daarover.”11 De Volkskrant noemde de concept-Code in een redactioneel commentaar een ‘forse stap vooruit’. In het commentaar werd nog opgemerkt: “De strenge voorstellen van de commissie komen geen moment te vroeg. Het voorstel sluit een periode af waarin veel tumult is geweest over wanordelijk concernbestuur, slecht controlerende accountants en frauderende bestuurders. Althans, het is de hoop van veel politici, vakbondsbestuurders, bedrijfsbestuurders en werknemers dat deze periode nu voorbij is. Ook Tabaksblat zelf gaf aan dat het de hoogste tijd was om excessen van topondernemers een halt toe te roepen.”12 Volgens het commentaar in NRC Handelsblad ging de concept- Code zelfs niet ver genoeg: in hun visie zou niet-naleving van de Code niet enkel met de “schandpaalfunctie” van het pas toe of leg uit-systeem, maar ook met boetes moeten worden gesanctioneerd.13 Al deze berichten geven blijk van een duidelijk negatief sentiment ten aanzien van het toenmalige ‘establishment’ bij Nederlandse beursgenoteerde ondernemingen.
De concept-Code maakte ook bij juristen, economen en ervaringsdeskundigen veel reacties los die veelal in de vorm van ingezonden stukken in de kranten werden gepubliceerd.14 Vrijwel alle schrijvers waren van mening dat de voorstellen van de Commissie Tabaksblat in de concept-Code ter versterking van de positie van aandeelhouders niet ver genoeg gingen vanwege het feit dat de concept-Code de structuurregeling ongemoeid liet. De Commissie Tabaksblat was bij het opstellen van de concept-Code blijkens de preambule uitgegaan van het bestaande wettelijk kader en van de op dat moment aanhangige voorstellen tot wijziging daarvan, waaronder de toenmalige versie van het Wetsvoorstel structuurregeling (zie hierna §5.6).15 De Commissie had in de concept-Code ook geen aanbevelingen aan de wetgever met betrekking tot de structuurregeling opgenomen.16 Deze opstelling was in overeenstemming met de taakopdracht van de Commissie, maar werd in de reacties op de concept- Code toch als onbevredigend ervaren. Bij de toenmalige stand van het Wetsvoorstel structuurregeling zou aan aandeelhouders in structuurvennootschappen namelijk nog altijd niet het recht zijn toegekomen om rechtstreeks bestuurders te kunnen benoemen of ontslaan. De teneur uit de reacties was dat de door de Commissie Tabaksblat nagestreefde herpositionering van de AVA bij gebreke van deze bevoegdheid bij structuurvennootschappen illusoir zou blijken. Ook een aantal ondernemingen liet in hun reacties op de concept-Code blijken dat ze graag hadden gezien dat de Commissie Tabaksblat zich ook over de structuurregeling zou hebben uitgesproken.17
De reacties waren overwegend positiever over het feit dat de Commissie Tabaksblat wel een aanbeveling had gedaan ten aanzien van het voorgestelde artikel 2:118a BW uit het Wetsvoorstel structuurregeling (zie wederom §5.6), namelijk om het voorgestelde onderscheid tussen ‘vredestijd’ en ‘oorlogstijd’ in de regeling van volmachtverlening van een STAK aan de certificaathouders om op een bepaalde AVA het stemrecht uit te kunnen oefenen te schrappen.18 Op dit punt mengde de Commissie Tabaksblat zich dus wel nadrukkelijk in de parlementaire discussie rond het Wetsvoorstel structuurregeling. ABN AMRO sprak zich in reactie op de concept-Code uit tegen deze gang van zaken en verzocht de Commissie Tabaksblat om zich in de definitieve Code te onthouden van uitspraken over het voorgestelde artikel 2:118a BW.19 Ook VNO-NCW betrok in reactie op de concept-Code het standpunt dat certificering als specifieke beschermingsconstructie niet in de Code uitgebannen zou moeten worden.20 Met dit standpunt waren zij evenwel niet in de meerderheid, zeker aangezien prominente deelnemers aan de discussie uit bestuurlijke kringen, zoals oud-Minister van Financiën Ruding,21 juist hun steun voor de opvatting en aanbeveling van de Commissie Tabaksblat over certificering uitspraken.