Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.II.B.2.a
a. Wettekst
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS478596:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Met B.F. Preller, ‘Commentaar op het wetsvoorstel Wet inrichting landelijk gebied (Wilg) met betrekking tot kavelruil’, p. 504 ben ik van mening dat i.p.v. de woorden ‘betrokken zijn’ beter de in het inhoudelijk vergelijkbare art. 121 Liw gebruikte woorden ‘het kunnen toetreden tof kunnen worden opgenomen.
Zie onderdeel b. hierna Terzijde: bij mij gaan bij de term ‘toetreden’ de gedachten onmiddellijk naar de toetredersregeling uit het huwelijksvermogensrecht (1:90 lid 4 BW). Zie hierover nader onderdeel C.2 van dit hoofdstuk.
Zie onderdeel c. hierna.
Aldus B.F. Preller, ‘De Wet inrichting landelijk gebied en kavelruil’, in: JBN 2007/10. In gelijke zin: B.F. Preller, ‘Ontwikkelingen in rechtspraak en wetgeving rond kavelruil’, p. 16. Zie nader onderdeel C.4.f hierna.
Zie in dit verband D.L. Rodrigues Lopes, ‘De inbreng in de herverkaveling’.
Zie Asser/Perrick 4*. Erfrecht en schenking, Deventer: Kluwer 2009, nr. 495. Zie tevens G.M. de Weerd, M.A. Baeten, ‘De (betrekkelijke) eenvoud van inbreng’, in: Tijdschrift relatierecht en praktijk 2013/5.
In artikel 85 lid 2 heeft de wetgever de eis dat er in elke kavelruil ook daadwerkelijk ‘geruild’ dient te worden nader proberen uit te werken. Helaas blinkt de wettekst niet uit in helderheid. De letterlijke tekst luidt:
“Bij een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid kunnen mede partijen betrokken zijn1 die tegen inbreng van een geldsom onroerende zaken of tegen inbreng van onroerende zaken een geldsom bedingen, met dien verstande dat overeenkomsten waarbij niet meer dan drie partijen zijn betrokken slechts als ruilverkaveling bij overeenkomst worden aangemerkt indien alle partijen onroerende zaken inbrengen en ten hoogste één van hen daartegen slechts een geldsom bedingt.”
De wetgever heeft in dit artikellid twee vliegen in een klap willen slaan: in het eerste gedeelte vinden we de oude ‘toetredersregeling’ uit artikel 121 Liw terug, 2 terwijl in het vervolg van de tekst (vanaf ‘met dien verstande…’) de ‘drie-in-twee-uit’ regeling te ontwaren is.3
Opvallend is overigens het gebruik van de term ‘inbreng’. De fiscaal geschoolde reiziger veert bij het horen van dit woord op: inbreng, ruisend of geruisloos, de inbrengvrijstelling in de overdrachtsbelasting, artikel 15, lid 1, onderdeel e, Wet op belastingen van rechtsverkeer, artikel 3.165 Wet IB 2001… al deze fiscale begrippen passeren in gedachten de revue. Ook de reiziger, werkzaam op ondernemingsrechtelijk gebied is plotseling een en al oor: de gedachte aan inbreng van een gehele onderneming in een BV, inbreng in personenvennootschappen en de oneigenlijke inbreng lijken binnen het onbekende WILG-terrein toch enige herkenningspunten op te leveren. Toch is het ‘feest der herkenning’ slechts schijn, getuige de navolgende woorden van Preller:
“(…) Er is geen sprake van ‘inbreng’ in de gebruikelijke zin, noch juridisch, noch economisch. 4
De kavelruil-wetgever bedient zich derhalve van een ‘eigen’ inbrengbegrip, 5 qua ratio (zij het met de nodige voorbehouden en zeker niet qua juridische inhoud en vormgeving) enigszins vergelijkbaar met de inbreng van de waarde van giften door een erfgenaam ex artikel 4:229 en volgende BW.’Inbreng’ in erfrechtelijke sfeer betekent dat bij de verdeling van de nalatenschap de waarde van de gift in mindering komt op het aandeel van de tot inbreng verplichte erfgenaam.6 Door de inbreng wordt de massa, de nalatenschap, vergroot, waarna tot verdeling van de nalatenschap kan worden overgegaan.’Inbreng’ in kavelruilsfeer betekent het toevoegen van onroerende zaken casu quo geldsommen aan de te verkavelen massa, waardoor de massa wordt vergroot en er vervolgens kan worden ‘verkaveld’.
De uiteindelijke optelsom van alle ingebrachte zaken bepaalt derhalve de definitieve omvang en samenstelling van de te verkavelen massa. Zie voor nadere analyse van het inbrengvraagstuk onderdeel C.4.f hierna.