Waarderingsvragen in het ondernemings- en insolventierecht
Einde inhoudsopgave
Waarderingsvragen in het ondernemings- en insolventierecht (O&R nr. 107) 2019/13.1.1:13.1.1 Inleiding
Waarderingsvragen in het ondernemings- en insolventierecht (O&R nr. 107) 2019/13.1.1
13.1.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. S.W. van den Berg, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
mr. drs. S.W. van den Berg
- JCDI
JCDI:ADS613253:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De in paragraaf 4.3.1 genoemde waarderingsdilemma’s zijn als volgt opgesteld. Allereerst is op grond van de juridische literatuur en de jurisprudentie een analyse gemaakt van de mogelijke waarderingsdilemma’s. Om vanuit het perspectief van de waarderingsdeskundigen te toetsen wat de waarderingsdilemma’s zijn, heb ik vervolgens medio 2013 interviews afgenomen met J. Weimer (destijds partner en hoofd van de valuations en modelling praktijk van KPMG Corporate Finance), T. Notenboom (partner bij Mazars Berenschot corporate finance en verantwoordelijk voor de valuation en litigation support praktijk) en W.G.M. Holterman (destijds partner en hoofd van de valuation praktijk van PWC) . Ook zijn de antwoorden in deze interviews gebruikt om de vragen van de enquête op stellen.
Op grond van de bovengenoemde aanpak selecteerde ik de volgende dilemma’s: (1) de te hanteren waardemaatstaf, (2) de te hanteren waarderingsmethode, (3) de eventuele toepassing van discounts, (4) het waarderingsproces en (5) de uiteindelijke prijsvaststelling. Over deze waarderingsdilemma’s is een enquête opgesteld die bestaat uit 20 multiple choice vragen.
Deze Annex geeft de bevindingen van de enquête weer. Eerst wordt de onderzoeksgroep weergegeven (paragraaf 13.1.2). Vervolgens wordt de methodologie die ten grondslag ligt aan de enquête uiteengezet (paragraaf 13.1.3). Daarna volgen de onderzoeksresultaten (paragraaf 13.1.4). De enquête is zowel kwalitatief als kwantitatief van aard en ziet op (i) de wijze waarop waarderingsdeskundigen met waarderingsdilemma’s omgaan en (ii) de hantering van prijsbepalingsformules ten opzichte van de wettelijke blokkeringsregeling.