Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/3.2.2.2
3.2.2.2 Op de actieve gemeenschap toepasselijk recht
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS390621:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
De Groot & Stein 2002, p. 61.
Van Mourik 2011, p. 2-3.
Van Zeben & Du Pon, Boek 3 1981, p. 577.
Van Zeben & Du Pon, Boek 3 1981, p. 622-623.
Van Zeben 1991, p. 1302.
Van Zeben & Du Pon, Boek 3 1981, p. 580.
Van Zeben & Du Pon, Boek 3 1981, p. 581.
Zie ook Van Mourik 2011, p. 24.
Van Zeben & Du Pon, Boek 3 1981, p. 585.
Van Zeben & Du Pon, Boek 3 1981, p. 604.
HR (Belastingkamer) 3 oktober 1984, ECLI:NL:HR:1984:AB8512, NJ 1985/623, m.nt. J.M.M. Maeijer. Meestal wordt de grootte van de aandelen pas na (gedeeltelijke) ontbinding relevant. Art. 3:166 BW is in dat stadium van toepassing op grond van art. 3:189 BW.
Huizink 2011, p. 19.
Boek 3 BW bevat in Titel 7 een regeling omtrent gemeenschap, maar deze geldt volgens art. 3:189 BW niet voor de gemeenschap die is gevormd ten behoeve van de nog niet ontbonden VOF. Voor de vennootschappelijke gemeenschap, die een ruimere betekenis heeft dan louter mede-eigendom,1 gelden specifieke op haar aard toegesneden regels.2
Volgens de memorie van toelichting bij Boek 3 BW was de gemeenschap maar gebrekkig geregeld, waardoor men gedwongen werd om regels te ontlenen aan de maatschap en aan het mede-erfgenaamschap.3 Omdat deze figuren eigenlijk ook niet meer waren dan bijzondere gevallen van gemeenschap, werd het nodig geacht om een algemene regeling over gemeenschap in de wet op te nemen. De tweede afdeling van Titel 3.7 kreeg in het oorspronkelijke wetsontwerp de titel ‘Gemeenschap van een algemeenheid van goederen’. Daarbij werden enkele gemeenschappen gespecificeerd waarop de bepalingen niet van toepassing zouden zijn: onder andere de niet-ontbonden huwelijksgemeenschap (want geregeld in Boek 1 BW) en de stille vennootschap (die geregeld zou worden in Boek 7 BW).4 De wel naar buiten optredende vennootschap werd niet genoemd. Bij de invoering van de Boeken 3, 5 en 6 BW is de titel van de tweede afdeling gewijzigd in ‘Enige bijzondere gemeenschappen’ en is ervoor gekozen om in art. 3:189 lid 2 BW de gemeenschappen te benoemen waarop de gemeenschapstitel wel van toepassing is en in art. 3:189 lid 1 BW de gemeenschappen waarop de bepalingen niet van toepassing zijn. De in lid 2 benoemde gemeenschappen zijn die gemeenschappen waarvoor al werd aangenomen of verdedigd dat zij tot een afgescheiden vermogen leiden:5 onder andere de gemeenschap van de ontbonden personenvennootschap. De gemeenschap van de actieve personenvennootschap bleef wettelijk ongeregeld, maar is tijdens de parlementaire behandeling van Titel 3.7 BW wel enkele malen ter sprake gekomen:
Opgemerkt werd dat uit het Ontwerp BW al volgt dat zaaksvervanging optreedt bij algemeenheden van goederen als de vennootschappelijke gemeenschap.6 Omdat een dergelijke regeling voor alle vormen van gemeenschap zou moeten bestaan, is het huidige art. 3:167 BW opgenomen.
Over de genots-, gebruiks- en beheersovereenkomst (art. 3:168 BW) werd gesteld dat deze naar aard en gevolgen van de vennootschapsovereenkomst moet worden onderscheiden.7 Een vennootschapsovereenkomst omvat namelijk méér dan afspraken over een gemeenschappelijk goed en, zo lijkt bedoeld te zijn, uit de vennootschapsovereenkomst vloeit al een beheersregeling voort zodat art. 3:168 BW overbodig is. Bovendien past de grond ‘onvoorziene omstandigheden’ voor wijziging van de beheersovereenkomst in lid 3 en de discretionaire bevoegdheid8 die de rechter daarbij heeft niet goed bij vennootschappen, omdat vennootschappen een zakelijke basis hebben. De strengere imprévision-regeling van art. 6:258 BW is voorvennootschappelijke gemeenschappen meer geschikt.9
Een bepaling als art. 3:178 BW, welk artikel regelt wie wanneer verdeling van een gemeenschappelijk goed kan vorderen, past niet bij de aard van de niet-ontbonden vennootschap.10 Het zou onwenselijk zijn als vennoten verdeling van de gemeenschap of een gemeenschappelijk goed konden vorderen. Art. 3:175 BW, dat gaat over de mogelijkheid tot beschikking over en uitwinning van een aandeel in een gemeenschappelijk goed, verdraagt zich niet met de beschikkingsgebondenheid van vennoten.
Titel 3.7 bevat grofweg twee categorieën van regels: a) regels die niets toevoegen voor de vennootschappelijke gemeenschap omdat soortgelijke regels op andere gronden al gelden en b) regels die strijdig zijn met de aard van de vennootschap of met een specifieke voor de vennootschap ontworpen regeling. In categorie a) valt ook art. 3:166 BW: de Hoge Raad had vóór de invoering van Titel 3.7 al bepaald dat alle vennoten een gelijk aandeel in de gemeenschap hebben, tenzij uit de rechtsverhouding tussen de vennoten anders voortvloeit.11 Wat categorie b) (strijd met de aard van de gemeenschap) betreft, lijkt van belang te zijn dat vennoten er in beginsel bewust voor kiezen om een vennootschap met bijbehorende gemeenschap aan te gaan en dus in de gelegenheid zijn om vooraf afspraken te maken, hetgeen voor bijvoorbeeld deelgenoten in een nalatenschap anders is. In categorie b) vallen onder andere art. 3:172 BW, handelend over ieders aandeel in de vruchten en uitgaven (want strijdig met de winst- en verliesdeling als bedoeld in art. 7A:1667 BW), en de gebruiksregeling van art. 3:169 BW. Ook art. 3:170 lid 2 BW, dat onder meer bepaalt dat het aannemen van aan de gemeenschap verschuldigde prestaties door de deelgenoten gezamenlijk gebeurt, verdraagt zich slecht met de aard van de actieve VOF en met de vertegenwoordigingsregel uit het Wetboek van Koophandel (WvK).
De rechtsregels voor de vennootschappelijke gemeenschap volgen dus uit de vennootschapsovereenkomst (incl. de eisen van redelijkheid en billijkheid), uit het WvK, uit Boek 7A BW en uit de rechtspraak. Bestaat voor een bepaald onderwerp echter geen specifieke regel, dan meen ik met Huizink dat Titel 3.7 analoog kan worden toegepast, mits en voor zover de betreffende bepaling zich voor analogische toepassing leent.12