Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/17.4.3.3.1:17.4.3.3.1 Precieze grondslag bewijsuitsluitingsregel belastingkamer HR is onduidelijk
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/17.4.3.3.1
17.4.3.3.1 Precieze grondslag bewijsuitsluitingsregel belastingkamer HR is onduidelijk
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS492307:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Die regel is weliswaar verdragsconform, maar zij is mijns inziens tekenend voor het gebrek aan fundamentele discussie over de geldingskracht van het recht tegen gedwongen zelfbelasting in Nederlandse fiscale boetezaken. Zie § 19.6.1 hierna.
Zie § 10.3.3 hiervoor.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Niet duidelijk is op welke grondslag de door de HR in zijn arrest van 27 juni 2001, nr. 35 889, geformuleerde bewijsuitsluitingsregel steunt, te weten het EVRM-zwijgrecht of het (meeromvattende) niet-meewerkrecht.1 De raad laat dit in zijn overwegingen in het midden; in ieder geval voor wat betreft de uitsluiting van verklaringen ex art. 47, lid 1, onder a AWR voor de boeteoplegging. Een waarschijnlijke verklaring hiervoor is dat explicitering van de grondslag waarschijnlijk zou (moeten) steunen op een uitleg van nog niet uitgekristalliseerde beslissingen van het EHRM over bewijsuitsluiting (op grond van art. 6 EVRM of anderszins).2 Een dergelijke uitleg zou afbreuk doen aan de geldingskracht van de bewijsuitsluitingsregel. In feite zou de raad dan een discussie over de omgang met het recht tegen zelfbelasting in punitieve belastingzaken starten, die hij tot op heden mijns inziens juist heeft willen voorkomen (of beslechten) door de formulering van een gebiedende bewijsuitsluitingsregel.3
De onduidelijkheid over de precieze grondslag van de onderhavige bewijsuitsluitingsregel is ook zonder belang. Uit de arresten van het Hof betreffende bewijsuitsluiting kan overigens worden afgeleid dat alleen telt, dat de van de verdachte afgedwongen medewerking niet voor het punitief bewijs of anderszins op belastende wijze wordt gebruikt. Deze uitsluiting hoeft niet op art. 6 EVRM te steunen.4