Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden
Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/II.2.1:II.2.1 Inleiding
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/II.2.1
II.2.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460172:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor een goed begrip van de mogelijkheden om leidinggevenden strafrechtelijk aansprakelijk te stellen voor milieudelicten, is enige kennis vereist van een aantal algemene aspecten van het materiële (milieu)strafrecht. Het antwoord op de vraag of en wanneer een leidinggevende kan worden vervolgd voor een milieudelict kan alleen worden begrepen wanneer de bouwstenen van strafrechtelijke aansprakelijkheid bekend zijn. Om dit hoofdstuk toegankelijker te maken en om rekenschap te geven van hoe ik bepaalde leerstukken begrijp, ga ik in deze paragraaf in vogelvlucht langs een aantal basale maar centrale begrippen in het kader van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden.
Geen milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden zonder milieudelict. Vrijwel ieder milieudelict is via de Wet op de economische delicten (WED) te herleiden tot een bestuursrechtelijke voorschrift. Om de grondslag en de systematiek van het milieustrafrecht te begrijpen, ga ik hierna eerst in paragraaf II.2.2 in op de WED. In dat kader sta ik ook kort stil bij de bevoegdheden en normen met betrekking tot toezicht en opsporing, en bij de mogelijkheden van straffen en maatregelen in het kader van de WED.
Ieder strafrechtelijk delict is opgebouwd uit verschillende bestanddelen. Kennis van de kenmerken van deze bestanddelen kan helpen bij het vinden van een daderschapsvorm die past bij het delict, en bij het beantwoorden van de vraag of een leidinggevende in een concreet geval een milieudelict heeft begaan. Daarom bespreek ik in paragraaf II.2.3 welke bestanddelen kunnen worden onderscheiden. Wanneer is vastgesteld dat een leidinggevende een strafbaar feit heeft begaan, dan kan een strafuitsluitingsgrond toch aan zijn strafrechtelijke milieuaansprakelijkheid in de weg staan. Daarom sta ik in paragraaf II.2.4 kort stil bij strafuitsluitingsgronden.
Verderop in paragraaf II.3-II.5 ga ik in op de vraag wanneer een leidinggevende kan worden aangemerkt als dader van een milieudelict. Maar voordat ik afdaal naar de toepassing van de strafrechtelijke daderschapsvormen in het kader van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden, is het zinvol om eerst het totaalplaatje te schetsen. In paragraaf II.2.5 bespreek ik in vogelvlucht de vereisten en kenmerken van de verschillende daderschapsvormen, waardoor alvast duidelijk is hoe de verschillende daderschapsvormen zich tot elkaar verhouden.
Een van de belangrijkste voorvragen bij het kiezen van een geschikte daderschapsvorm voor een concreet geval bij een specifiek delict, is de vraag of de verplichting uit de norm is geadresseerd aan de aangesproken leidinggevende. In paragraaf II.2.6 leg ik uit wat het zogeheten normadressaatschap inhoudt, bespreek ik enkele voorbeelden, en noem ik een aantal belangrijke milieuvoorschriften die zijn gericht tot leidinggevenden.
Veel milieudelicten bevatten een subjectief bestanddeel, zo is voor vrijwel ieder milieumisdrijf dat valt binnen de reikwijdte van de WED opzet vereist. Daarom sta ik in paragraaf II.2.7 stil bij opzet en schuld (culpa) als bestanddeel. In dat kader geef ik ook antwoord op de vraag of in het milieustrafrecht boos opzet is vereist.