Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/II.2.4
II.2.4 Elementen en strafuitsluitingsgronden
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460276:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie uitgebreid De Hullu 2018, hoofdstuk V.
De Hullu 2018, p. 69.
De basis van afwezigheid van alle schuld wordt gevonden in het Melk en water-arrest, HR 14 februari 1916, NJ 1916, p. 681 e.v. Zie uitvoerig De Hullu 2018, par. V.7.
Het beroep op deze schulduitsluitingsgrond is mede te verklaren door het feit dat in het milieustrafrecht geen boos opzet is vereist, waarover meer in par. II.2.7.3.
HR 9 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9919, M&R 2005/16, m.nt. Tubbing (Schiphol). Zie voor andere voorbeelden par. II.2.7.3.
De Hullu 2018, p. 372.
Deze toets werd geformuleerd in HR 13 december 1960, NJ 1960/416, m.nt. Pompe, en is in latere rechtspraak herhaald. Zie onder meer HR 26 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC0813.
HR 4 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4664, NJ 2007/144, m.nt. Schalken.
Rb. Den Haag 20 februari 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:1662, M&R 2018/56 (Sterigenics).
Zie de annotatie bij Rb. Amsterdam 23 juli 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BN2185, JM 2011/29, m.nt. Welschen & De Kok (Bestuurder APS Probo Koala).
Zie bijvoorbeeld Hof ’s-Hertogenbosch 22 april 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1597, NBStraf 2016/124, m.nt. Van Leeuwen (Directeur Chemie-Pack), r.o. 1.2 onder het kopje ‘Strafbaarheid van de verdachte’.
Delictsbestanddelen moeten worden onderscheiden van de elementen wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid. Deze elementen vloeien niet voort uit de delictsomschrijving, maar gelden als algemene aansprakelijkheidsvoorwaarden. Het kan gebeuren dat een verdachte weliswaar alle delictsbestanddelen vervult, maar vanwege bijzondere omstandigheden tóch niet strafbaar is op grond van een strafuitsluitingsgrond. Er zijn twee soorten strafuitsluitingsgronden. Ten eerste zorgt een rechtvaardigingsgrond ervoor dat het element wederrechtelijkheid niet wordt vervuld, en ten tweede neemt een schulduitsluitingsgrond de schuld van een verdachte weg.1
Een bevoegd gegeven bevel (art. 43 lid 1 Sr) is een voorbeeld van een rechtvaardigingsgrond. Bijvoorbeeld, de agrariër die op last van de bevoegde autoriteit zijn pluimvee ophokt om de verspreiding van vogelgriep tegen te gaan, zal met die handeling wellicht bepaalde voorschriften van diens vergunning of het Besluit houders van dieren overtreden, maar heeft vanwege deze rechtvaardigingsgrond niet wederrechtelijk gehandeld en is dus niet strafbaar.
Een voorbeeld van een schulduitsluitingsgrond is het handelen naar aanleiding van een onbevoegd gegeven bevel (artikel 43 lid 2 Sr), bijvoorbeeld het bevel om pluimvee op te hokken gegeven door iemand die zich voordoet als de bevoegde autoriteit. Wanneer de agrariër het bevel te goeder trouw als bevoegd gegeven beschouwt en er uitvoering aan geeft, wordt het element schuld niet vervuld en is de verdachte dus niet strafbaar.
Het onderscheid tussen de aansprakelijkheidsvoorwaarden uit bestanddelen en elementen, is vooral van processueel belang.2 Bestanddelen moeten worden bewezen door het OM, terwijl van de elementen mag worden verondersteld – behoudens aanwijzingen voor het tegendeel – dat ze zijn vervuld. Als de verdachte een geslaagd beroep doet op een strafuitsluitingsgrond, volgt bovendien in beginsel geen vrijspraak maar ontslag van alle rechtsvervolging.
Een specifieke schulduitsluitingsgrond die hier bespreking verdient, is ‘verontschuldigbare rechtsdwaling’. Verontschuldigbare rechtsdwaling, ook wel bekend als verschoonbare rechtsdwaling, is een schulduitsluitingsgrond die behoort tot de in de rechtspraak ontwikkelde restcategorie ‘afwezigheid van alle schuld’.3 Een geslaagd beroep op deze schulduitsluitingsgrond leidt tot ontslag van alle rechtsvervolging. Er is sprake van verontschuldigbare rechtsdwaling als de verdachte geen verwijt kan worden gemaakt dat hij onbekend was met de ongeoorloofdheid van diens handelen.
In het milieustrafrecht wordt met enige regelmaat een beroep gedaan op deze schulduitsluitingsgrond.4 Vaak wordt dan betoogd dat de vergunningsvereisten of milieuregelgeving dusdanig technisch of onduidelijk zijn, dat het de verdachte niet kwalijk kan worden genomen dat deze in strijd met de milieunorm heeft gehandeld. Dit verweer is niet kansrijk. In het Schiphol-arrest oordeelt de Hoge Raad in resolute bewoordingen dat verontschuldigbare rechtsdwaling niet kan worden aangenomen op de enkele grond dat de verdachte meent dat “de norm niet helder is”.5
Een beroep op verontschuldigbare rechtsdwaling is slechts mogelijk indien de verdachte adequate inspanningen heeft verricht om de relevante regelgeving te kennen.6 De verdachte mag daarbij niet lichtzinnig afgaan op inlichtingen van anderen; er moet sprake zijn van een advies dat ‘werd verstrekt door een persoon of instantie, aan wie zodanig gezag valt toe te kennen dat de verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies mocht vertrouwen’.7 Een relevante factor is of het advies afkomstig is van een onpartijdige adviseur of instantie.8
Een voorbeeld van een succesvol beroep op verontschuldigbare rechtsdwaling is te vinden in een uitspraak van Rechtbank Den Haag van 20 februari 2018.9 Het ging daar om de overschrijding van de emissienorm voor Ethyleenoxide door het bedrijf Sterigenics. De senior milieu-inspecteur en de gemeente waren op de hoogte van de stelselmatige overschrijding van een emissienorm, maar hebben de norm niet gehandhaafd. Integendeel: ze prezen Sterigenics om hun inspanningen voor het reduceren van hun uitstoot. De milieu-inspecteur heeft verklaard dat de emissienorm van meet af aan niet haalbaar is geweest en dat de te hoog gestelde norm een stimulans was voor de verdachte om de ethyleenoxide-emissies te verminderen. De gemeente had bovendien expliciet toestemming gegeven voor het gebruik van de calamiteitenpijp bij een storing, hetgeen voor de nodige overschrijding heeft gezorgd. De rechtbank achtte het aannemelijk dat de verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging.
Ook Amsterdam Port Services en diens bestuurder zijn ontslagen van alle rechtsvervolging voor hun aandeel in de giframp van de Probo Koala. Voor het terugpompen van gevaarlijk afval in het schip Probo Koala hadden zij toestemming gekregen van de met de handhaving van de milieuwetgeving belaste ambtenaren van de gemeente. De gemeente had hier echter een fout gemaakt, want de afgifte was weliswaar niet in strijd met de vergunning, maar wel met andere wettelijke bepalingen. De bevoegdheid voor de (strafrechtelijke) handhaving van de betreffende bepaling lag bovendien niet bij de gemeente, maar bij het OM. Toch was de toezegging van de gemeente voldoende voor een geslaagd beroep op verontschuldigbare rechtsdwaling. Dit heeft in de literatuur wel de nodige kritiek uitgelokt; volgens de auteurs had een professioneel afvalverwerkingsbedrijf op basis van een onbevoegd gegeven toestemming niet verschoonbaar mogen dwalen over de ongeoorloofdheid van diens gedragingen.10
Dat het bevoegd gezag niet handhavend opgetreden heeft tegen eerdere normschendingen, is op zichzelf voor de verdachte geen grond om aan te nemen dat in overeenstemming met de vergunning werd gehandeld. Op het bedrijf rust de verplichting om zich op de hoogte te stellen van hetgeen was vergund en, bij een eventuele onduidelijkheid, zich daarover bij de bevoegde instanties afdoende te laten informeren. De eigen verantwoordelijkheid van het bedrijf staat hierbij voorop.11