Parketnummer 21-000606-22.
HR, 07-10-2025, nr. 23/03550
ECLI:NL:HR:2025:1499
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
07-10-2025
- Zaaknummer
23/03550
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1499, Uitspraak, Hoge Raad, 07‑10‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:745
ECLI:NL:PHR:2025:745, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 01‑07‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1499
Beroepschrift, Hoge Raad, 13‑09‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0310
NJ 2026/27 met annotatie van A.J. Machielse
Uitspraak 07‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Witwassen van contant geldbedrag van € 27.490 (art. 420bis.1.b Sr) en bezit van kinderporno (art. 240b.1 (oud) Sr). 1. Bewijsklacht witwassen t.a.v. “afkomstig uit enig misdrijf”. Is oordeel van hof dat verklaring van verdachte over legale herkomst van geldbedrag niet een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring is, begrijpelijk? 2. Onttrekking aan het verkeer van telefoon, art. 36c.2 Sr. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2018:2352 m.b.t. bewijs van bestanddeel “afkomstig is uit enig misdrijf” in witwasbepalingen. Verdediging heeft ttz. in hoger beroep gesteld dat onder verdachte aangetroffen contant geldbedrag legale herkomst heeft en daartoe aangevoerd dat verdachte € 15.000 van zijn broer en € 10.000 van zijn zus had gekregen, dat resterende € 2.490 deels van verdachte was en deels eerder geleend geld betrof en dat verdachte met zijn broer en zus had afgesproken dat hij met dit contante geldbedrag een stuk bouwgrond zou kopen in Turkije. Ter ondersteuning van deze stellingen heeft verdediging o.m. schermafdrukken van geldopnames van broer en zus van verdachte overgelegd en is gewezen op verklaringen die door zijn broer en zus zijn afgelegd bij Rh-C. Hof heeft overwogen dat verdachte met verklaringen die door hem en ook zijn broer en zus zijn afgelegd, en met door verdachte overgelegde pintransacties, niet concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor legale herkomst van het in bewezenverklaring genoemde geldbedrag. Dit oordeel is niet z.m. begrijpelijk. Verdachte heeft immers concreet aangevoerd wat herkomst is van geldbedrag en verdachte heeft i.v.m. deze verklaring diverse stukken overgelegd. Tot cassatie hoeft dit echter niet te leiden. Uit ’s hofs overwegingen komt namelijk naar voren dat nader onderzoek naar de door verdachte gegeven verklaring heeft plaatsgevonden, dat bestond uit horen van broer en zus van verdachte als getuige door Rh-C. Verder ligt in bewijsoverwegingen besloten dat hof (mede o.b.v. resultaten van dat nader onderzoek) van oordeel is dat ondanks verklaring van verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) betreffend geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is. Dat oordeel geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Daarbij is mede van belang wat hof heeft vastgesteld en overwogen over omstandigheden waaronder geldbedrag bij verdachte is aangetroffen, (laat) stadium van procedure waarin verdachte betreffende verklaring heeft afgelegd en over onaannemelijkheid van het door verdediging geschetste scenario dat verdachte het geld eerst naar Turkije heeft gebracht maar daarna weer heeft meegenomen naar Nederland. Ad 2. Hof heeft inbeslaggenomen telefoon aan verkeer onttrokken o.g.v. art. 36c.2 Sr en heeft in dit verband geoordeeld dat ongecontroleerd bezit van deze telefoon in strijd is met wet en algemeen belang. Dat oordeel geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd, nu hof heeft vastgesteld dat deze telefoon afbeelding bevat van seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken. Volgt verwerping. CAG: anders.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/03550
Datum 7 oktober 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 september 2023, nummer 21-000606-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten N. van Schaik en H. Brentjes bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 3 ten laste gelegde en de strafoplegging, met uitzondering van de beslissingen tot onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen vuurwapens (beslagcode 2561509), de stuks munitie (beslagcode 2561511), de hoeveelheid cocaïne (342,68 gram) en de beslissing tot teruggave van de overige inbeslaggenomen telefoons, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde witwassen van een geldbedrag van € 27.490.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:
“hij op 22 juli 2021 te [plaats] , in de gemeente [...] geld euro 27.490, voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:
“6) Het proces-verbaal van bevindingen, nummer PL0600-2021341796-19 (pagina’s 80 t/m 84), in de wettelijke vorm opgemaakt op 23 juli 2021 door [verbalisant 6] , brigadier, en [verbalisant 7] , inspecteur, [verbalisant 8] , hoofdagent, [verbalisant 9] , hoofdagent, [verbalisant 10] , hoofdagent, [verbalisant 11] , brigadier, en [verbalisant 12] , hoofdagent, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van voornoemde verbalisanten:
Op 22 juli 2021 om 20.30 uur stonden wij, verbalisanten, bij de woning gelegen aan de [b-straat 1] te [plaats]. Het pand aan de [b-straat 1] werd om 21.23 uur betreden. Daarna werd de woning doorzocht. Er werden de volgende goederen aangetroffen.
01. Patroon (in het TV-meubel)
08. Vuurwapen (werkblad in de keuken)
09. Zakje met drugs (ovenhandschoen in de keuken)
10. Zakje met drugs (in de afzuigkap)
13. Schoenendoos met drugs (in het keukenrek)
14. Pers (naast het keukenrek)
19. Geldtelmachine (in de vensterbank naast koelkast)
20. Boekje met administratie (in de vensterbank naast koelkast)
23. Pers (in de vensterbank naast koelkast)
24. Drugs (in tasje in meterkast)
25. Zakje met drugs (afgesloten ruimte boven meterkast)
26. Bus met (vermoedelijk) versnijdingsmiddel (keuken).
Verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats]
(...)
12) Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 25 augustus 2023 voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van verdachte:
Het klopt dat ik bij de rechtbank heb verklaard dat ik de verantwoordelijkheid neem voor het aangetroffen wapen en munitie en de drugs omdat het in mijn huis is gevonden. Ik woonde alleen in mijn woning.
13) Proces-verbaal van bevindingen, nummer PL0600-2021341796-58 (pagina’s 165 t/m 166), in de wettelijke vorm opgemaakt op 5 augustus 2021 door [verbalisant 10] , hoofdagent, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant:
Op maandag 26 juli 2021 was ik belast met het veiligstellen en analyseren van data uit een inbeslaggenomen Iphone 11. Deze telefoon was inbeslaggenomen onder verdachte [verdachte] . Ik zag onder het kopje images diverse afbeeldingen staan.
Verdovende middelen:
Ik zag op éénentwintig afbeeldingen vermoedelijk verdovende middelen. Ambtshalve herken ik de brokken, wit van kleur, als vermoedelijk cocaïne. Ik herken dit ambtshalve door de wijze van verpakken en de structuur/stempels op deze brokken.
Chatgesprekken:
Ik zag in de veilig gestelde data van deze telefoon meerdere chatgesprekken. Ik zag dat dit gesprekken waren die betrekking hebben op de handel van vermoedelijk verdovende middelen.
14) Het proces-verbaal van bevindingen, nummer PL0600-2021341796-2 (pagina’s 49 t/m 51), in de wettelijke vorm opgemaakt op 22 juli 2021 door [verbalisant 1] , brigadier, en [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , beiden hoofdagent, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van voornoemde verbalisanten:
Aanleiding
Op 22 juli 2021 omstreeks 20:45 uur zagen wij een Nederlands voertuig rijden voorzien van kenteken [kenteken] . Wij zagen dat het voertuig de A1 richting Apeldoorn opreed. Wij, [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , zagen dat het voertuig een defect remlicht had. Hierop besloten wij het voertuig aan een controle te onderwerpen.
Controle
Wij zetten het voertuig stil op verzorgingsplaats [A] gelegen langs de Rijksweg A1 ter hoogte van [plaats] .
Ik, [verbalisant 3] , liep naar het bestuurdersportier en legitimeerde mij direct en ongevraagd aan beide inzittenden. Ik verklaarde aan hen dat ik van de politie was. Ik vorderde van de bestuurder een geldig rij- en kentekenbewijs.
Ik zag dat de bestuurder mij een rijbewijs overhandigde en dat hij bleek te zijn:
* ** [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] ***
Ik, [verbalisant 2] , liep naar het bijrijdersportier en legitimeerde mij direct en ongevraagd aan beide inzittenden. Ik zag dat de bijrijder mij volledig uit eigen wil een paspoort overhandigde. Ik zag dat hij bleek te zijn:
* ** [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ***
Confrontatie
Ik, [verbalisant 1] , stapte uit mijn dienstvoertuig en liep naar [betrokkene 1] en [verdachte] toe die beiden bij mijn collega’s [verbalisant 2] en [verbalisant 3] stonden.
Aantreffen geladen vuurwapen en aanhouding [verdachte]
Hierop liep ik, [verbalisant 1] , naar [verdachte] , nog voordat ik hem iets kon vragen zei [verdachte] geheel uit eigen wil: “Mag ik het pakken, het zit bij mijn ballen”. Ik vroeg aan hem wat hij daar dan had. Ik hoorde dat [verdachte] aangaf dat hij een dubbel loops vuurwapen bij zijn ballen had. Ik hoorde dat hij mij verklaarde dat er patronen in het vuurwapen zaten en dat het een dubbelloops vuurwapen was. Hierop liet ik [verdachte] rechtop staan, tilde ik zijn t-shirt omhoog en zag een zwarte sok zitten bij zijn broeksband, net onder de navel en boven zijn geslachtsdeel. Ik pakte voorzichtig de sok uit zijn broeksband en legde deze op de motorkap van het voertuig. Ik voelde in zijn linker broekzak of er nog patronen of dergelijke in zaten en haalde hier een klein pakketje met geld uit.
HEUPTASJE MET GELD
Omdat ik reeds een vuurwapen had aangetroffen zou het kunnen zijn dat er nog ergens patronen waren. Hierop deed ik het heuptasje af welke hij om zijn middel had. Ik opende het heuptasje en zag dat hier een heel dik pak geld in zat. Daarnaast zat nog een kleiner pakketje met geld. Dit geld was met elastieken bij elkaar gebonden. De bundeltjes waren gestapeld en horizontaal voorzien van een briefje geld.
[verdachte] gaf tevens aan dat [betrokkene 1] niet wist dat hij een vuurwapen bij zich had omdat hij dat nooit had verteld.
BESLAG
Wij namen de volgende goederen in beslag.
- Geld, ongeveer 25.000,00 euro
- 3 mobiele telefoons
- Auto.
(...)
16) Het proces-verbaal van bevindingen, nummer PL0600-2021341796-48 (pagina’s 58 t/m 59), in de wettelijke vorm opgemaakt op 23 juli 2021 door [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , beiden hoofdagent, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van voornoemde verbalisanten:
AANLEIDING
Op 22 juli 2021 waren wij, [verbalisant 3] en [verbalisant 2] , belast met het indicatief tellen van geld wat aangetroffen was tijdens de fouillering van verdachte [verdachte] . Voor de bevindingen van het aantreffen van het geld verwijs ik naar het proces-verbaal van bevindingen zoals opgemaakt onder nummer PL0600-2021341796-2.
BROEKZAK
Het geld dat wij aantroffen in de linker broekzak van de verdachte bleek te zijn:
5 x 50,00 euro = 250,00 euro
10 x 20,00 euro = 200,00 euro
4 x 10,00 euro = 40,00 euro
HEUPTASJE HEEL DIK PAK GELD
Het geld dat wij aantroffen in het heuptasje werd omschreven als “heel dik pak geld”, dit bleek te zijn:
25 pakketjes, waarbij elk pakketje 20 briefjes van 50 euro bevatte totaal:
500 x 50,00 euro = 25.000,00 euro
HEUPTASJE KLEINER PAKKETJE MET GELD
Het geld dat wij aantroffen in het heuptasje wat werd omschreven als “kleiner pakketje met geld” bleek te zijn:
6 x 100,00 euro = 600,00 euro
8 x 50,00 euro = 400,00 euro
50 x 20,00 euro = 1.000,00 euro
TOTAAL BEDRAG
Het totaal aangetroffen bedrag betrof na indicatief tellen: EURO 27.490,00 euro.
17) Het proces-verbaal van bevindingen, nummer PL0600-2021341796-60 (pagina 71), in de wettelijke vorm opgemaakt op 3 augustus 2021 door [verbalisant 4] , hoofdagent, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van voornoemde verbalisant:
Op 23 juli 2021, omstreeks 14:30 uur, bevond ik mij samen met collega [verbalisant 5] in een verhoorkamer van het cellencomplex van het politiebureau aan de [a-straat 1] te [plaats] .
Collega [verbalisant 5] en verbalisant waren voornemens verdachte [verdachte] te horen over de aangetroffen en in beslag genomen goederen tijdens de huiszoeking in [plaats] . Voorafgaand aan het verhoor hoorde verbalisant dat [verdachte] tegen collega [verbalisant 5] en verbalisant vertelde: dat hij nu toch wel drie of vier jaar weg was. Dat er drugs waren aangetroffen in zijn huis, daar kon hij niet omheen en dat was ook al wel eens eerder gebeurd. Daarover wist hij wel ongeveer wat er stond te gebeuren. Maar omdat er nu ook witwassen bijkwam was hij toch zeker goed voor drie of vier jaar zeker.
Maar dat weten jullie beter. Hoelang ben ik nu weg?
Verbalisant hoorde [verdachte] vragen aan collega [verbalisant 5] en aan verbalisant zelf wat de strafduur was én met drugs én met witwassen.”
2.2.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring verder overwogen:
“Ten aanzien van het onder 3 primair en subsidiair tenlastegelegdeDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan opzet- of schuldwitwassen. Verdachte heeft verklaard dat het geld dat op 22 juli 2021 bij hem is aangetroffen van zijn broer en zus was. Hij had dat geld bij zich omdat zij een stuk grond in Turkije wilden kopen om daar een huis te bouwen voor hun moeder. Ter onderbouwing hiervan is verwezen naar de verklaringen van zijn broer en zus afgelegd bij de raadsheer-commissaris op 28 maart 2023. Uit de overgelegde pintransacties zou volgen dat zijn broer en zus geld hebben gepind. Verder heeft de zus van verdachte geld ingelegd dat zij op haar bruiloft heeft ontvangen. Deze bedragen komen overeen met het bedrag dat bij verdachte is aangetroffen. Hiermee geeft verdachte een onderbouwde verklaring met betrekking tot de herkomst en het doel van het geld. Niet gezegd kan worden dat het niet anders kan zijn dan dat de bij verdachte aangetroffen geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn. Verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde, aldus de raadsman.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Op 22 juli 2021 is verdachte met zijn medeverdachte aangehouden in verband met een defect remlicht. Verdachte is toen gefouilleerd en daarbij is een vuurwapen aangetroffen en een grote hoeveelheid contant geld (in totaal € 27.490,00). Bij de hierop volgende doorzoeking van de woning van verdachte zijn vervolgens drugs, nog een vuurwapen, munitie en een geldtelmachine aangetroffen. Bij de politie heeft verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen. Hij heeft alleen verklaard dat de medeverdachte, de bestuurder van de auto, er niks mee te maken had. Voorts heeft verdachte, blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 3 augustus 2021, op het politiebureau aan twee politieagenten gevraagd wat de te verwachten strafduur is voor drugs en witwassen. Zelf dacht verdachte wel drie à vier jaar weg te zijn.
Pas bij de rechtbank en later ook bij dit hof heeft verdachte verklaard dat hij het contante geld heeft ontvangen van zijn broer en zus teneinde hiermee grond te kopen in Turkije. Verdachte heeft hierbij afschriften van verschillende pintransacties overgelegd. Naar eigen zeggen heeft verdachte van zijn broer € 15.000,00 gekregen en van zijn zus € 10.000,00. Uit de pintransacties zou volgen dat zijn zus € 5.000,00 heeft gepind. De andere € 5.000,00 heeft zijn zus ontvangen op haar bruiloft. Eén en ander is door de broer en zus van verdachte bevestigd bij de raadsheer-commissaris op 28 maart 2023. Het resterende bedrag van € 2.490,00 was deels van verdachte en deels eerder geleend geld, aldus verdachte. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de verklaringen van verdachte en zijn broer en zus en de overgelegde pintransacties onvoldoende onderbouwd en concreet zijn om te dienen als een concrete, eenduidige, verifieerbare en op voorhand niet (hoogst) onwaarschijnlijke verklaring voor een legale herkomst van het aangetroffen contante geld. Uit de overgelegde pintransacties blijkt niet met welke bedoeling deze bedragen zijn gepind. Ook heeft verdachte dit pas op de zitting bij de rechtbank verklaard. Het hof hecht ook geen geloof aan de verklaring van verdachte, nu hij langere tijd met het grote bedrag op zak heeft gelopen terwijl hij in de tijd tussen de gestelde ontvangst van geld van zijn zus en broer naar eigen zeggen in Turkije is geweest maar – in plaats van het geldbedrag daarnaartoe te brengen en achter te laten – weer met het bedrag naar Nederland zou zijn teruggekomen. Bovendien heeft verdachte ook verklaard dat je naar Turkije niet meer dan € 10.000 contant mag meenemen, hetgeen niet lijkt te passen bij het bij verdachte aangetroffen bedrag. Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat verdachte met zijn verklaring onvoldoende tegenwicht aan het vermoeden van witwassen heeft geboden, waardoor dit vermoeden blijft bestaan. Het hof heeft daarbij ook gelet op de omstandigheden waaronder het geld bij verdachte is aangetroffen. Het verweer wordt verworpen.”
2.3
Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ (als bedoeld in artikel 420bis en volgende van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr)), kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.Als de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.Als de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.Als zo’n verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen over het bewijs. (Vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352.)
2.4.1
De verdediging heeft op de terechtzitting in hoger beroep gesteld dat het onder de verdachte aangetroffen contante geldbedrag een legale herkomst heeft. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte € 15.000 van zijn broer en € 10.000 van zijn zus had gekregen, dat de resterende € 2.490 deels van verdachte was en deels eerder geleend geld betrof en dat de verdachte met zijn broer en zus had afgesproken dat hij met dit contante geldbedrag een stuk bouwgrond zou kopen in Turkije. Ter ondersteuning van deze stellingen heeft de verdediging onder meer schermafdrukken van geldopnames van de broer en de zus van de verdachte overgelegd en is gewezen op verklaringen die door zijn broer en zus zijn afgelegd bij de raadsheer-commissaris.
2.4.2
Het hof heeft overwogen dat de verdachte met de verklaringen die door hem en ook zijn broer en zus zijn afgelegd, en met de door de verdachte overgelegde pintransacties, niet een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de legale herkomst van het in de bewezenverklaring genoemde geldbedrag. Dit oordeel is niet zonder meer begrijpelijk. De verdachte heeft immers concreet aangevoerd wat de herkomst is van het geldbedrag en de verdachte heeft in verband met deze verklaring diverse stukken overgelegd. Het cassatiemiddel klaagt daarover op zichzelf terecht.
2.4.3
Tot cassatie hoeft dit echter niet te leiden. Uit de overwegingen van het hof komt namelijk naar voren dat in deze zaak nader onderzoek naar de door de verdachte gegeven verklaring heeft plaatsgevonden, dat bestond uit het horen van de broer en de zus van de verdachte als getuige door de raadsheer-commissaris. Verder ligt in de bewijsoverwegingen besloten dat het hof – mede op basis van de resultaten van dat nader onderzoek – van oordeel is dat ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het betreffende geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Daarbij is mede van belang wat het hof heeft vastgesteld en overwogen over de omstandigheden waaronder het geldbedrag bij de verdachte is aangetroffen, het (late) stadium van de procedure waarin de verdachte de betreffende verklaring heeft afgelegd en over de onaannemelijkheid van het door de verdediging geschetste scenario dat de verdachte het geld eerst naar Turkije heeft gebracht maar daarna weer heeft meegenomen naar Nederland.
2.5
Het cassatiemiddel is tevergeefs voorgesteld.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.1
Het cassatiemiddel klaagt over de beslissing van het hof dat een inbeslaggenomen telefoon aan het verkeer onttrokken wordt verklaard.
4.2.1
Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezenverklaard dat:
“hij op of omstreeks 22 juli 2021 te [plaats], een afbeelding, te weten een foto en een gegevensdrager, te weten een mobiele telefoon, (Apple Iphone G2561574) bevattende een afbeelding in bezit heeft gehad en,
terwijl op die afbeelding een seksuele gedraging zichtbaar is, waarbij
een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken,
welke voornoemde seksuele gedraging – zakelijk weergegeven – bestond uit:
het geheel naakt (laten) poseren van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt, waarbij door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose nadrukkelijk de ontblote billen in beeld gebracht worden waarbij de afbeelding een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en strekt tot seksuele prikkeling;
(bestandsnaam: [bestandsnaam] jpg).”
4.2.2
Het hof heeft over de onttrekking aan het verkeer overwogen en beslist:
“Het onder 4 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot de hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven telefoon Apple iPhone. Deze telefoon zal aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.
(...)
Beslissing
Het hof:
(...)
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- een telefoon Apple Iphone (beslagcode: 2561574).”
4.3
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 36c Sr:
“Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn alle voorwerpen:
(...)
2° met betrekking tot welke het feit is begaan;
(...)
een en ander voor zover zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.”
- Artikel 240b lid 1 (oud) Sr:
“Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft degene die een afbeelding – of een gegevensdrager, bevattende een afbeelding – van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreidt, aanbiedt, openlijk tentoonstelt, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert, verwerft, in bezit heeft of zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe verschaft.”
4.4
Het hof heeft de inbeslaggenomen telefoon aan het verkeer onttrokken op grond van artikel 36c, aanhef en onder 2°, Sr en heeft in dit verband geoordeeld dat het ongecontroleerde bezit van deze telefoon in strijd is met de wet en het algemeen belang. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd, nu het hof heeft vastgesteld dat deze telefoon een afbeelding bevat van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken.
4.5
Het cassatiemiddel faalt.
5. Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
5.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
5.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 23 maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 oktober 2025.
Conclusie 01‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Veroordeling voor o.m. witwassen van geldbedrag van € 27.490,00 (art. 420bis Sr). M1. Geen concrete, eenduidige en verifieerbare verklaring herkomst geld? AG vindt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Verdachte hoeft niet aannemelijk te maken dat geld niet van misdrijf afkomstig is. Hof heeft niet gemotiveerd waarom de verklaring van de verdachte en de overgelegde stukken onvoldoende aanknopingspunten bieden voor het verrichten van nader onderzoek door het OM. M2. Falend middel m.b.t. overweging hof dat het in strafoplegging rekening houdt met de toepassing van de regeling van v.i. Het staat de rechter vrij om bij de strafoplegging rekening te houden met de wijze waarop de op te leggen straf ten uitvoer zal worden gelegd (ECLI:NL:HR:2010:BK9252). M3. Slagend middel t.a.v. onttrekking aan het verkeer van inbeslaggenomen telefoon waarop een kinderpornografische afbeelding is aangetroffen. Het hof heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het ongecontroleerde bezit van deze telefoon in strijd is met de wet of het algemeen belang (art. 36c lid 5). M4. Slagend middel over overschrijding inzendtermijn. Conclusie strekt tot gedeeltelijke vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/03550
Zitting 1 juli 2025
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is bij arrest van 8 september 20231.door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem wegens
1. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd”,2. “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”,3 (primair). “witwassen” en4. “een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben2.”
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd als bedoeld in art. 27 Sr. Daarnaast heeft het hof twee geldbedragen van respectievelijk € 2.490,00 en € 25.000,00 verbeurdverklaard en de onttrekking aan het verkeer bevolen van twee vuurwapens, twee stuks munitie, een hoeveelheid cocaïne van 342,68 gram en een telefoon (Apple iPhone). Ten aanzien van de overige inbeslaggenomen telefoons heeft het hof de teruggave gelast. Het hof heeft tot slot het op 10 maart 2023 geschorste, tegen de verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Advocaten N. van Schaik en H. Brentjes hebben vier middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen het onder 3 (primair) bewezenverklaarde witwassen. Het tweede middel heeft betrekking op een passage uit de strafmotivering, waarin het hof overweegt rekening te houden met de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling. Het derde middel klaagt over de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen telefoon (Apple iPhone). Het vierde middel ziet op de overschrijding van de inzendtermijn.
2. Het eerste middel
2.1
Het eerste middel komt op tegen de bewezenverklaring van het onder 3 (primair) tenlastegelegde witwassen, voor zover inhoudende dat het geldbedrag van € 27.490, - dat de verdachte voorhanden had “afkomstig was uit enig misdrijf”. Volgens de steller van het middel geeft (onder meer) de overweging van het hof dat “de verklaringen van verdachte en zijn broer en zus en de overgelegde pintransacties onvoldoende onderbouwd en concreet zijn om te dienen als een concrete, eenduidige, verifieerbare en op voorhand niet (hoogst) onwaarschijnlijke verklaring voor een legale herkomst van het aangetroffen contante geld” blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel ontoereikend gemotiveerd.
2.2
Het hof heeft ten aanzien van de verdachte onder 3 (primair) bewezenverklaard dat:
“hij op 22 juli 2021 te [plaats] , geld euro 27.490, voorhanden gehad,3.terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf”
2.3
De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“14) Het proces-verbaal van bevindingen, nummer PL0600-2021341796-2 (pagina’s 49 t/m 51), in de wettelijke vorm opgemaakt op 22 juli 2021 door [verbalisant 1] , brigadier, en [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , beiden hoofdagent, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van voornoemde verbalisanten:
AanleidingOp 22 juli 2021 omstreeks 20:45 uur zagen wij een Nederlands voertuig rijden voorzien van kenteken 27XHHV. Wij zagen dat het voertuig de A1 richting [plaats] opreed. Wij, [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , zagen dat het voertuig een defect remlicht had. Hierop besloten wij het voertuig aan een controle te onderwerpen.
ControleWij zetten het voertuig stil op verzorgingsplaats [A] gelegen langs de Rijksweg A1 ter hoogte van [plaats] .
Ik, [verbalisant 3] , liep naar het bestuurdersportier en legitimeerde mij direct en ongevraagd aan beide inzittenden. Ik verklaarde aan hen dat ik van de politie was. Ik vorderde van de bestuurder een geldig rij- en kentekenbewijs.
Ik zag dat de bestuurder mij een rijbewijs overhandigde en dat hij bleek te zijn:*** [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] ***Ik, [verbalisant 2] , liep naar het bijrijdersportier en legitimeerde mij direct en ongevraagd aan beide inzittenden. Ik zag dat de bijrijder mij volledig uit eigen wil een paspoort overhandigde. Ik zag dat hij bleek te zijn:*** [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ***
ConfrontatieIk, [verbalisant 1] , stapte uit mijn dienstvoertuig en liep naar [betrokkene 1] en [verdachte] toe die beiden bij mijn collega’s [verbalisant 2] en [verbalisant 3] stonden.
Aantreffen geladen vuurwapen en aanhouding [verdachte]Hierop liep ik, [verbalisant 1] , naar [verdachte] , nog voordat ik hem iets kon vragen zei [verdachte] geheel uit eigen wil: “Mag ik het pakken, het zit bij mijn ballen”. Ik vroeg aan hem wat hij daar dan had. Ik hoorde dat [verdachte] aangaf dat hij een dubbel loops vuurwapen bij zijn ballen had. Ik hoorde dat hij mij verklaarde dat er patronen in het vuurwapen zaten en dat het een dubbelloops vuurwapen was. Hierop liet ik [verdachte] rechtop staan, tilde ik zijn t-shirt omhoog en zag een zwarte sok zitten bij zijn broeksband, net onder de navel en boven zijn geslachtsdeel. Ik pakte voorzichtig de sok uit zijn broeksband en legde deze op de motorkap van het voertuig. Ik voelde in zijn linker broekzak of er nog patronen of dergelijke in zaten en haalde hier een klein pakketje met geld uit.
HEUPTASJE MET GELDOmdat ik reeds een vuurwapen had aangetroffen zou het kunnen zijn dat er nog ergens patronen waren. Hierop deed ik het heuptasje af welke hij om zijn middel had. Ik opende het heuptasje en zag dat hier een heel dik pak geld in zat. Daarnaast zat nog een kleiner pakketje met geld. Dit geld was met elastieken bij elkaar gebonden. De bundeltjes waren gestapeld en horizontaal voorzien van een briefje geld.
[verdachte] gaf tevens aan dat [betrokkene 1] niet wist dat hij een vuurwapen bij zich had omdat hij dat nooit had verteld.
BESLAGWij namen de volgende goederen in beslag.- Geld, ongeveer 25.000,00 euro- 3 mobiele telefoons- Auto.
15) Het is een feit van algemene bekendheid dat [plaats] , binnen [plaats] ligt.
16) Het proces-verbaal van bevindingen, nummer PL0600-2021341796-48 (pagina’s 58 t/m 59), in de wettelijke vorm opgemaakt op 23 juli 2021 door [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , beiden hoofdagent, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van voornoemde verbalisanten:
AANLEIDINGOp 22 juli 2021 waren wij, [verbalisant 3] en [verbalisant 2] , belast met het indicatief tellen van geld wat aangetroffen was tijdens de fouillering van verdachte [verdachte] . Voor de bevindingen van het aantreffen van het geld verwijs ik naar het proces-verbaal van bevindingen zoals opgemaakt onder nummer PL0600-2021341796-2.
BROEKZAKHet geld dat wij aantroffen in de linker broekzak van de verdachte bleek te zijn:5 x 50,00 euro = 250,00 euro10 x 20,00 euro = 200,00 euro4 x 10,00 euro = 40,00 euroHEUPTASJE HEEL DIK PAK GELDHet geld dat wij aantroffen in het heuptasje werd omschreven als “heel dik pak geld”, dit bleek te zijn:25 pakketjes, waarbij elk pakketje 20 briefjes van 50 euro bevatte totaal:500 x 50,00 euro = 25.000,00 euro
HEUPTASJE KLEINER PAKKETJE MET GELDHet geld dat wij aantroffen in het heuptasje wat werd omschreven als “kleiner pakketje met geld” bleek te zijn:6 x 100,00 euro = 600,00 euro8 x 50,00 euro = 400,00 euro50 x 20,00 euro = 1.000,00 euroTOTAAL BEDRAGHet totaal aangetroffen bedrag betrof na indicatief tellen: EURO 27.490,00 euro.
17) Het proces-verbaal van bevindingen, nummer PL0600-2021341796-60 (pagina 71), in de wettelijke vorm opgemaakt op 3 augustus 2021 door [verbalisant 4] , hoofdagent, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van voornoemde verbalisant:Op 23 juli 2021, omstreeks 14:30 uur, bevond ik mij samen met collega [verbalisant 5] in een verhoorkamer van het cellencomplex van het politiebureau aan de [a-straat 1] te [plaats] . Collega [verbalisant 5] en verbalisant waren voornemens verdachte [verdachte] te horen over de aangetroffen en in beslag genomen goederen tijdens de huiszoeking in [plaats] . Voorafgaand aan het verhoor hoorde verbalisant dat [verdachte] tegen collega [verbalisant 5] en verbalisant vertelde: dat hij nu toch wel drie of vier jaar weg was. Dat er drugs waren aangetroffen in zijn huis, daar kon hij niet omheen en dat was ook al wel eens eerder gebeurd. Daarover wist hij wel ongeveer wat er stond te gebeuren. Maar omdat er nu ook witwassen bij kwam was hij toch zeker goed voor drie of vier jaar zeker. Maar dat weten jullie beter. Hoelang ben ik nu weg? Verbalisant hoorde [verdachte] vragen aan collega [verbalisant 5] en aan verbalisant zelf wat de strafduur was én met drugs én met witwassen.”
2.4
De verdachte heeft tijdens de terechtzitting in hoger beroep als volgt verklaard over de herkomst van het geld:
Het geldbedrag van € 27.490,00 dat op 22 juli 2021 bij mij is aangetroffen heb ik van mijn broer en zus gekregen. Wij wilden een stuk grond in Turkije kopen om daar een huis te bouwen voor onze moeder. Mijn broer en zus hebben dat ook verklaard bij de raadsheer-commissaris. Mijn zus was voordat ik naar Turkije ging getrouwd. Op Turkse bruiloften wordt heel veel geld gegeven. De bruidsschat betreft enkele tien duizenden euro’s.
Van mijn zus heb ik € 10.000,00 gekregen. Zij heeft mij € 5.000,00 van haar bruidsschat gegeven. De andere € 5.000,00 heeft zij eerder gepind en aan mij geleend. Zij heeft mij vaker geld geleend. Het klopt dat mijn zus eerder naar Turkije is gegaan. Ik ging later met familie. Mijn zus nam geen geld mee. Zij was bang en angstig om zoveel geld mee nemen. Je mag ook maar € 10.000,00 aan contact geld meenemen. Ik zou een week later dan mijn zus naar Turkije gaan en het geld meenemen. Mijn broer en ik vliegen niet. Ik ben zelfs een keer met de trein naar Turkije geweest. Ik rij dan met iemand mee die zijn rijbewijs heeft. Van mijn broer heb ik € 15.000,00 ontvangen. Uit de pintransacties volgt dat mijn zus € 5.000,00 heeft gepind. De andere € 5.000,00 heeft mijn zus zoals gezegd ontvangen op haar bruiloft. Het bedrag van € 27.490,00 was deels van mij en deels eerder geleend.
U houdt mij voor dat uit het proces-verbaal van bevindingen van 3 augustus 2021 (dossier pg 71) naar voren komt dat ik aan verbalisanten zou hebben gevraagd hoelang ik zou moeten zitten voor drugs en witwassen. Dat is een fabel. Dat hebben zij uit hun duim gezogen. Zij hebben geen recht van spreken om dit over mij te zeggen. Ik heb hen alleen gevraagd wat witwassen is. Zij hebben mij dat uitgelegd. Ik vind het heel raar wat de verbalisanten zeggen. Ik heb helemaal niets gezegd. Ik heb mij op mijn zwijgrecht beroepen. Ik heb afstand gedaan van het geld omdat ik had begrepen dat dan de wettige eigenaar het geld kan ophalen en dat de aanklacht voor witwassen zou vervallen
Tegen mij is gezegd: ”Als je witwassen wil voorkomen, dan moet je aftekenen”. Dan is het toch raar dat ik zo’n uitspraak zou hebben gedaan zoals verbalisanten zeggen. Ik heb begrepen dat als je 10% van het geld betaalt de aanklacht vervalt.
In mijn tasje zat € 25.000,00 cash geld: € 10.000,00 van mijn zus en € 15.000,00 van mijn broer. Mijn zus heeft eigenlijk iets meer betaald. Zij had mij daarvoor ook al geld geleend.
Het is veiliger om zoveel geld bij je te hebben dan om het thuis te laten liggen. Niemand verwacht namelijk dat je € 25.000,00 op zak hebt. Ik was niet bang om het te verliezen. Natuurlijk niet. Ik heb het geld niet op de bank gezet, omdat het veel te veel geld kost als je dit soort bedragen via de bank laat lopen. De wisselkoersen zijn te hoog.
Ik was in Turkije geweest om de boel te bekijken. Ik ben uit Turkije teruggekomen voor het huwelijk van mijn zus. Zij is de week voor mijn aanhouding in Nederland getrouwd. Ik zou enkele dagen na mijn aanhouding weer vertrekken. Ik was met de trein naar Turkije gegaan en ik ben teruggereisd met de auto. Het is een volle dag, een kleine 22 uur, rijden. De heenreis duurde drie dagen. Ik ben een aantal dagen in Turkije geweest. Ik weet niet meer precies wanneer ik het geld van mijn broer heb gekregen.
Het stuk grond in Turkije is bij de begraafplaats waar mijn recent overleden broer is begraven. Mijn moeder kan er niet mee leven dat haar kind in Turkije ligt. Zij is twee maanden geleden in Turkije geweest en zij wil nu weer gaan. Het bedrag voor het stuk grond in Turkije was een koopje. Ik ben er erheen gegaan om de verkoper te spreken.”
2.5
De raadsman van de verdachte heeft het hof op de terechtzitting van 25 augustus 2023 verzocht de verdachte vrij te spreken van het onder 3 tenlastegelegde opzet- en schuldwitwassen, omdat zich geen situatie voordoet waarin het niet anders kan dan dat het aangetroffen geldbedrag van enig misdrijf afkomstig is. Blijkens de aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitnotitie heeft de raadsman de onder 2.4 weergegeven verklaring van de verdachte, kort gezegd inhoudende dat het geld grotendeels afkomstig is van zijn broer en zus, herhaald en onderbouwd met enkele stukken. Deze stukken omvatten onder meer pintransacties waaruit blijkt dat de zus en de broer van de verdachte in de periode van 19 tot en met 24 juni 2021 respectievelijk € 5000,- en € 15.000,00 hebben opgenomen van hun bankrekeningen. De raadsman heeft verder kopieën verstrekt van de jaaropgave over 2021 van de zus van de verdachte en van een loonbijschrijving en de aangifte inkomstenbelasting van de broer van de verdachte. Over de veroordeling voor witwassen in eerste aanleg heeft de raadsman in zijn pleidooi onder meer het volgende naar voren gebracht:
“De rechtbank heeft bewezenverklaard dat cliënt een geldbedrag van in totaal € 27.490 heeft witgewassen. Volgens de rechtbank zijn de verklaring van cliënt over het kopen van grond in Turkije en de overgelegde pintransacties onvoldoende onderbouwd en concreet om te dienen als een concrete, eenduidige, verifieerbare en op voorhand niet (hoogst) onwaarschijnlijke verklaring voor een legale herkomst van het aangetroffen geld.
De rechtbank overweegt dat uit de overgelegde pintransacties niet blijkt met welke bedoeling deze bedragen zijn gepind; bovendien heeft cliënt niet nader uiteengezet en onderbouwd wie de personen zijn die gepind hebben. Daar komt volgens de rechtbank bij dat cliënt zijn verklaring voor het eerst ter terechtzitting heeft gegeven.
In de visie van de verdediging snijden deze overwegingen geen hout. Ten eerste is het in beginsel niet relevant met welke bedoeling de bedragen zijn gepind. Het gaat bij witwassen immers om de herkomst van het geld, niet om de bestemming ervan. Ten tweede vermag ik niet in te zien wat het ertoe doet wie de betreffende bedragen gepind heeft, het gaat er veeleer om van welke rekening(en) de bedragen afkomstig zijn.”
2.6
Het bestreden arrest houdt over het bewijs van het onder 3 (primair) bewezenverklaarde witwassen het volgende in:
“Ten aanzien van het onder 3 primair en subsidiair tenlastegelegdeDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan opzet- of schuldwitwassen. Verdachte heeft verklaard dat het geld dat op 22 juli 2021 bij hem is aangetroffen van zijn broer en zus was. Hij had dat geld bij zich omdat zij een stuk grond in Turkije wilden kopen om daar een huis te bouwen voor hun moeder. Ter onderbouwing hiervan is verwezen naar de verklaringen van zijn broer en zus afgelegd bij de raadsheer-commissaris op 28 maart 2023. Uit de overgelegde pintransacties zou volgen dat zijn broer en zus geld hebben gepind. Verder heeft de zus van verdachte geld ingelegd dat zij op haar bruiloft heeft ontvangen. Deze bedragen komen overeen met het bedrag dat bij verdachte is aangetroffen. Hiermee geeft verdachte een onderbouwde verklaring met betrekking tot de herkomst en het doel van het geld. Niet gezegd kan worden dat het niet anders kan zijn dan dat de bij verdachte aangetroffen geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn. Verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde, aldus de raadsman.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.Op 22 juli 2021 is verdachte met zijn medeverdachte aangehouden in verband met een defect remlicht. Verdachte is toen gefouilleerd en daarbij is een vuurwapen aangetroffen en een grote hoeveelheid contant geld (in totaal € 27.490,00). Bij de hierop volgende doorzoeking van de woning van verdachte zijn vervolgens drugs, nog een vuurwapen, munitie en een geldtelmachine aangetroffen. Bij de politie heeft verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen. Hij heeft alleen verklaard dat de medeverdachte, de bestuurder van de auto, er niks mee te maken had. Voorts heeft verdachte, blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 3 augustus 2021, op het politiebureau aan twee politieagenten gevraagd wat de te verwachten strafduur is voor drugs en witwassen. Zelf dacht verdachte wel drie à vier jaar weg te zijn.
Pas bij de rechtbank en later ook bij dit hof heeft verdachte verklaard dat hij het contante geld heeft ontvangen van zijn broer en zus teneinde hiermee grond te kopen in Turkije. Verdachte heeft hierbij afschriften van verschillende pintransacties overgelegd. Naar eigen zeggen heeft verdachte van zijn broer € 15.000,00 gekregen en van zijn zus € 10.000,00. Uit de pintransacties zou volgen dat zijn zus € 5.000,00 heeft gepind. De andere € 5.000,00 heeft zijn zus ontvangen op haar bruiloft. Eén en ander is door de broer en zus van verdachte bevestigd bij de raadsheer-commissaris op 28 maart 2023. Het resterende bedrag van € 2.490,00 was deels van verdachte en deels eerder geleend geld, aldus verdachte. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de verklaringen van verdachte en zijn broer en zus en de overgelegde pintransacties onvoldoende onderbouwd en concreet zijn om te dienen als een concrete, eenduidige, verifieerbare en op voorhand niet (hoogst) onwaarschijnlijke verklaring voor een legale herkomst van het aangetroffen contante geld. Uit de overgelegde pintransacties blijkt niet met welke bedoeling deze bedragen zijn gepind. Ook heeft verdachte dit pas op de zitting bij de rechtbank verklaard. Het hof hecht ook geen geloof aan de verklaring van verdachte, nu hij langere tijd met het grote bedrag op zak heeft gelopen terwijl hij in de tijd tussen de gestelde ontvangst van geld van zijn zus en broer naar eigen zeggen in Turkije is geweest maar - in plaats van het geldbedrag daarnaartoe te brengen en achter te laten - weer met het bedrag naar Nederland zou zijn teruggekomen. Bovendien heeft verdachte ook verklaard dat je naar Turkije niet meer dan € 10.000 contant mag meenemen, hetgeen niet lijkt te passen bij het bij verdachte aangetroffen bedrag. Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat verdachte met zijn verklaring onvoldoende tegenwicht aan het vermoeden van witwassen heeft geboden, waardoor dit vermoeden blijft bestaan. Het hof heeft daarbij ook gelet op de omstandigheden waaronder het geld bij verdachte is aangetroffen. Het verweer wordt verworpen.
Voor het overige is het hof van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 3 primair en subsidiair tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.”
2.7
In zijn arrest van 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352 heeft de Hoge Raad over het bewijs van het bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, zoals dat voorkomt in de witwasbepalingen (art. 420bis Sr e.v.), het volgende overwogen:
“2.3.2. Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf”, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
2.3.3.
Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs.”4.
2.8
In cassatie wordt niet betwist dat het bij de verdachte aangetroffen geld een vermoeden van witwassen doet ontstaan, zodat van de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring mag worden verlangd over de legale herkomst van het geldbedrag. In dit kader heeft de verdachte verklaard dat het aangetroffen geld bestemd was voor de aankoop van een stuk grond in Turkije en dat een aanzienlijk deel daarvan, € 25.000 -, afkomstig is van zijn broer en zus. Hij heeft daarbij toegelicht dat een deel van dat geldbedrag komt uit de bruidsschat van zijn zus en dat het overige deel (€ 20.000, -) door zijn broer en zus contant is opgenomen vanaf hun bankrekeningen. Het overige gedeelte (€ 2490,00) zou deels van de verdachte zelf zijn en deels eerder geleend geld betreffen. Deze verklaring is door de verdachte in hoger beroep onderbouwd met enkele afschriften van pintransacties en stukken die inzicht geven in de inkomsten van zijn broer en zus. De verklaring van de verdachte is door zijn broer en zus bevestigd in het verhoor bij de raadsheer-commissaris.
2.9
Het hof heeft overwogen dat de verklaringen van de verdachte en diens broer en zus en de overgelegde pintransacties onvoldoende onderbouwd en concreet zijn om te dienen als een concrete, eenduidige, verifieerbare en op voorhand niet (hoogst) onwaarschijnlijke verklaring voor een legale herkomst van het aangetroffen geld, dat uit de pintransacties niet blijkt met welke bedoeling deze bedragen zijn gepind en dat de verdachte met zijn verklaring onvoldoende tegenwicht heeft geboden aan het vermoeden van witwassen, waardoor dit vermoeden is blijven bestaan. Deze overwegingen wekken de indruk dat het hof niet heeft getoetst of de verklaring van de verdachte concreet, verifieerbaar en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijk is, maar of deze verklaring dusdanig onderbouwd is, dat deze het vermoeden van witwassen kan ontkrachten. Het oordeel van het hof gaat in zoverre uit van een onjuiste rechtsopvatting: van de verdachte mag een verklaring over de legale herkomst van het geld worden gevergd, maar de verdachte hoeft niet aannemelijk te maken dat het geld niet van misdrijf afkomstig is. Dat het hof tevens heeft overwogen geen geloof te hechten aan de verklaring van de verdachte, doet aan het voorgaande niet af. Immers diende het hof in dit stadium te beoordelen of de verklaring van de verdachte ‘niet hoogst onwaarschijnlijk’ is, hetgeen een ander criterium betreft dan de beoordeling van de ‘geloofwaardigheid’ van de verklaring.5.Daarbij komt dat de omstandigheden die het hof blijkens de bewijsmotivering ongeloofwaardig vindt, betrekking hebben op de bestemming van het geldbedrag en de omgang van de verdachte met dat bedrag, en niet op de herkomst van het geldbedrag.
2.10
Het oordeel is ook niet zonder meer begrijpelijk, in aanmerking genomen dat de verdachte geconcretiseerd heeft welke delen van het aangetroffen geldbedrag van zijn broer en zus afkomstig zijn en hij ter onderbouwing van deze stelling stukken heeft overgelegd, terwijl het hof niet heeft gemotiveerd waarom de verklaring en die stukken onvoldoende aanknopingspunten bieden voor het verrichten van nader onderzoek door het openbaar ministerie.6.
2.11
Het eerste middel slaagt.
Het tweede middel
3. Het tweede middel houdt in dat de strafmotivering berust op een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is, omdat het hof in de strafoplegging ‘rekening houdt’ met de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, terwijl beslissingen daarover zijn voorbehouden aan het openbaar ministerie.
3.1
Het hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd:
“Oordeel van het hofHet hof is van oordeel dat de hierna te melden strafoplegging in overeenstemming is met de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
(…)
Bij de bepaling van de strafmaat is ook gelet op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 8 juli 2023 waaruit blijkt dat verdachte bij thans onherroepelijke uitspraken eerder ter zake van (soortgelijke) strafbare feiten is veroordeeld. Dit heeft verdachte er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Op 10 maart 2023 heeft dit hof de voorlopige hechtenis van verdachte geschorst. Het hof heeft daarbij acht geslagen op de in raadkamer gestelde persoonlijke belangen en op het feit dat de reclassering in het rapport van 2 januari 2023 heeft aangegeven een eventuele schorsing te kunnen ondersteunen en daartoe voorwaarden heeft geformuleerd.
Mede gelet op straffen die in andere, vergelijkbare zaken voor soortgelijke delicten worden opgelegd, alsmede gelet op de ernst van de feiten is het hof met de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Nu de reclassering heeft aangegeven dat terugkeer in detentie voor verdachte geen meerwaarde heeft, acht het hof, een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, passend en geboden. Daarbij houdt het hof rekening met de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling.
Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof geen meerwaarde in het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde. Deelname aan het penitentiair programma acht het hof voldoende.”
3.2
Uit de strafmotivering maak ik op dat het hof kennelijk – in aansluiting op het reclasseringsadvies – een straf heeft willen opleggen waarmee het, gelet op het bepaalde in art. 27 Sr en de regeling van de voorwaardelijke invrijheidsstelling, onwaarschijnlijk is dat de verdachte nog moet terugkeren in detentie.
3.3
Deze interpretatie van de overwegingen van het hof wordt gesterkt door een blik in de justitiële documentatie: daaruit blijkt dat de verdachte in onderhavige zaak zo’n 20 maanden in voorarrest heeft doorgebracht (van 16 juli 2021 tot en met 10 maart 2023). Bij oplegging van een gevangenisstraf van 24 maanden zou de verdachte op grond van art. 6:2:10 lid 1 onder a Sv dus direct in aanmerking kunnen komen voor toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling. Over de verlening van de voorwaardelijke invrijheidsstelling beslist het openbaar ministerie (ex art. 6:2:12 Sv).
3.4
In de zaak die aanleiding gaf tot het arrest van de Hoge Raad van 23 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9252 had het hof in de strafoplegging eveneens rekening gehouden met de regeling van de voorwaardelijke invrijheidsstelling: in het arrest verwees het hof naar de destijds net ingevoerde Wet voorwaardelijke invrijheidsstelling,7.waarmee het regime van de vervroegde invrijheidstelling werd vervangen door het stelsel van voorwaardelijke invrijheidstelling. Het hof beschouwde het stelsel van de voorwaardelijke invrijheidsstelling als een zwaarder regime dan de vervroegde invrijheidsstelling en hield daarmee rekening door de verdachte een lagere gevangenisstraf op te leggen. In cassatie werd hierover geklaagd door het openbaar ministerie. Bij de beoordeling van het middel stelde de Hoge Raad voorop:
“enerzijds dat geen rechtsregel eraan in de weg staat dat de rechter bij de strafoplegging rekening houdt met de manier waarop de op te leggen straf zal worden ten uitvoer gelegd, de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling daaronder begrepen, en anderzijds dat niet enige rechtsregel de rechter voorschrijft daarmee wel rekening te houden. De keuze van factoren die voor de strafoplegging van belang zijn te achten, is immers voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, terwijl die keuze geen motivering behoeft.”8.
3.5
Uit deze vooropstelling volgt dat de rechter de toepassing van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidsstelling in de strafoplegging mag betrekken. In het onderhavige geval heeft de rechter daarnaast toegelicht dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en dat hij een strafduur van 24 maanden passend en geboden acht. De strafoplegging geeft hiermee geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet ontoereikend gemotiveerd.
3.6
Het tweede middel faalt.
4. Het derde middel
4.1
Het derde middel klaagt over het oordeel van het hof dat de telefoon (Apple iPhone) vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer.
4.2
De bestreden uitspraak houdt hierover het volgende in:
“Het onder 4 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot de hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven telefoon Apple iPhone. Deze telefoon zal aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.
Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, de artikelen 24, 33, 33a, 36b, 36c, 57, 240b en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie
(…)
Beslissing
(…)
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- een telefoon Apple Iphone (beslagcode: 2561574).”
4.3
Met betrekking tot feit 4 heeft het hof ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij op of omstreeks 22 juli 2021 te [plaats] , een afbeelding, te weten een foto en een gegevensdrager, te weten een mobiele telefoon, (Apple Iphone G2561574) bevattende een afbeelding in bezit heeft gehad enterwijl op die afbeelding een seksuele gedraging zichtbaar is, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken,welke voornoemde seksuele gedraging - zakelijk weergegeven - bestond uit:het geheel naakt (laten) poseren van een persoo)n die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt, waarbij door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose nadrukkelijk de ontblote billen in beeld gebracht worden waarbij de afbeelding een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en strekt tot seksuele prikkeling;(bestandsnaam: [bestandsnaam] )”
4.4
Art. 36c Sr luidt:
“Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn alle voorwerpen:
1°. die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het feit zijn verkregen;2°. met betrekking tot welke het feit is begaan;3°. met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid;4°. met behulp van welke de opsporing van het feit is belemmerd;5°. die tot het begaan van het feit zijn vervaardigd of bestemd;
een en ander voor zover zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.”
4.5
Uit de bewezenverklaring van feit 4 volgt dat de kinderpornografische afbeelding is aangetroffen op de iPhone van de verdachte. Daarmee is de telefoon een voorwerp met betrekking tot welke het feit is begaan (art. 36c onder 2°. Sr), zo overweegt ook het hof in de strafmotivering (zie onder 4.2). Uit art. 36c Sr vloeit voort dat een voorwerp kan worden onttrokken aan het verkeer indien het voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit, al dan niet in samenhang met het redelijkerwijze te verwachten gebruik daarvan, juist in verband met die aard in strijd is met de wet of het algemeen belang.9.Ook de gezamenlijkheid van voorwerpen kan aanleiding geven tot het oordeel dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.10.
4.6
Het hof heeft vastgesteld dat het onder 4 bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot de inbeslaggenomen iPhone en heeft beslist dat deze telefoon aan het verkeer zal worden onttrokken, omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet. Dit oordeel is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk: het feit dat met de telefoon een strafbaar feit is begaan, kan niet zelfstandig leiden tot het oordeel dat het voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of het algemeen belang.11.Een telefoon is geen voorwerp dat intrinsiek gevaarlijk of crimineel is en het arrest houdt niet in dat het telefoon vanwege het specifieke (te verwachten) gebruik van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of het algemeen belang.
4.7
Het derde middel slaagt.
5. Het vierde middel
5.1
Het vierde middel klaagt over de overschrijding van de inzendtermijn in de cassatiefase.
5.2
Blijkens de cassatieakte is op 11 september 2023 namens de verdachte cassatieberoep ingesteld. De stukken van het geding zijn op 3 juli 2024 op de griffie van de Hoge Raad ontvangen. De inzendtermijn van 8 maanden is daarmee met iets meer dan 7 weken overschreden; dit dient volgens de gebruikelijke maatstaf tot strafvermindering te leiden.
5.3
Het vierde middel slaagt.
6. Slotsom
6.1
Het eerste, derde en vierde middel slagen. Het tweede middel faalt en kan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.
6.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 3 ten laste gelegde en de strafoplegging, met uitzondering van de beslissingen tot onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen vuurwapens (beslagcode: 2561509), de stuks munitie (beslagcode 2561511), de hoeveelheid cocaïne (342,68 gram) en de beslissing tot teruggave van de overige inbeslaggenomen telefoons, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 01‑07‑2025
Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep voor zover dat gericht is tegen de beslissing van de rechtbank over het onder 4 tenlastegelegde bezit van twee kinderpornografische afbeeldingen op de Samsung-telefoon, omdat de verdachte door de rechtbank van dit gedeelte van de tenlastelegging is vrijgesproken.
AG TS: ik begrijp ‘voorhanden heeft gehad’.
HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, NJ 2019/298, m. nt. N. Rozemond, rov. 2.3.2 en 2.3.3. Zie ook (onder meer): HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1005, rov. 2.3.2 en 2.3.3 en HR 6 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:167, rov. 2.3.
Vgl. M.R.J. van Wel, “Het stappenplan in witwaszaken: grote stappen, snel thuis? Een analyse van knelpunten uit de praktijk”, DD 2025/31, p. 469.
Vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, NJ 2019/298, m. nt. N. Rozemond en HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1005.
Wet van 6 december 2007 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten in verband met de wijziging van de vervroegde invrijheidstelling in een voorwaardelijke invrijheidstelling, Stb. 2007, 500, in werking getreden op 1 juli 2008.
HR 23 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9252, NJ 2010/393, m. nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.5.
Zie HR 8 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7626, rov. 3.5.1.
HR 23 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1882, NJ 2000, 444 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), rov. 4.1 en 4.3 en HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2488, rov. 3.3.
Vgl. HR 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2644, rov. 2.2.2 en 2.3 en de daaraan voorafgaande conclusie van ambtgenoot Aben, onder 53, HR 30 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:116, NJ 2018, 147 m. nt. P.A.M. Mevis, rov. 4.2 en 4.4 met de daaraan voorafgaande conclusie van ambtgenoot Harteveld, onder 6.3 en HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1901, rov. 3.2.2 en 3.3. en de daaraan voorafgaande conclusie van ambtgenoot Harteveld, onder 5.5.
Beroepschrift 13‑09‑2024
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
SCHRIFTUUR HOUDENDE VIER MIDDELEN VAN CASSATIE
van: mrs. N. van Schaik & H. Brentjes
inzake:
de heer [verdachte], geboren d.d. [geboortedatum] 1988, requirant van cassatie van het te zijnen laste door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, op 8 september 2023, onder parketnummer 21-000606-22, gewezen arrest.
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt, in het bijzonder schending van artikel 420bis Wetboek van Strafrecht (Sr) en de artikelen 350 en 359 Wetboek van Strafvordering (Sv)
- a)
doordat de bewezenverklaring van het feit onder .3, witwassen, berust op de rechtsopvatting dat het aan requirant is om het in beginsel gerechtvaardigde vermoeden van witwassen te ontzenuwen en/of onaannemelijk te maken en/of zijn verklaring met stukken te onderbouwen,
terwijl het recht slechts de eis kent dat de verdachte jegens wie een in beginsel gerechtvaardigd vermoeden van witwassen bestaat een concrete, verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke stelling poneert met betrekking tot de legale herkomst van het potentiële witwasvoorwerp;
en/of
- b)
doordat het oordeel van het Hof dat de door requirant geponeerde stelling met betrekking tot de herkomst van de witwasvoorwerpen, niet voldoende concreet is en/of onvoldoende onderbouwd is, onbegrijpelijk is, althans ontoereikend gemotiveerd is,
nu de door requirant gegeven verklaring over de herkomst van het witwasvoorwerp bezwaarlijk anders dan als ‘concreet’ kan worden begrepen, en het voorts niet aan requirant was om die stelling van nadere, feitelijke onderbouwing te voorzien.
De bewezenverklaring van het feit onder .3, en de strafoplegging, kunnen derhalve niet in stand blijven.
Toelichting:
1.
Het Hof heeft ten laste van requirant bewezenverklaard dat:
‘hij op 22 juli 2021 te [a-plaats], in de gemeente [gemeente] geld euro 27.490, voorhanden gehad [sic], terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was uit enig misdrijf’1.
2.
Namens requirant is door de verdediging als volgt verweer gevoerd (met behoud van voetnoten):
‘De rechtbank heeft bewezenverklaard dat cliënt een geldbedrag van in totaal € 27.490 heeft witgewassen. Volgens de rechtbank zijn de verklaring van cliënt over het kopen van grond in Turkije en de overgelegde pintransacties onvoldoende onderbouwd en concreet om te dienen als een concrete, eenduidige, verifieerbare en op voorhand niet (hoogst) onwaarschijnlijke verklaring voor een legale herkomst van het aangetroffen geld.
De rechtbank overweegt dat uit de overgelegde pintransacties niet blijkt met welke bedoeling deze bedragen zijn gepind; bovendien heeft cliënt niet nader uiteengezet en onderbouwd wie de personen zijn die gepind hebben. Daar komt volgens de rechtbank bij dat cliënt zijn verklaring voor het eerst ter terechtzitting heeft gegeven.
In de visie van de verdediging snijden deze overwegingen geen hout. Ten eerste is het in beginsel niet relevant met welke bedoeling de bedragen zijn gepind. Het gaat bij witwassen immers om de herkomst van het geld, niet om de bestemming ervan. Ten tweede vermag ik niet in te zien wat het ertoe doet wie de betreffende bedragen gepind heeft, het gaat er veeleer om van welke rekening(en) de bedragen afkomstig zijn. Voor wat het waard is, mag worden aangenomen dat de zus en de broer van cliënt de bedragen hebben gepind, aan gezien het geld van hun rekeningen is gehaald. Er is geen enkele aanwijzing dat iemand anders het geld heeft gepind. Maar zelfs als dat wel gebeurd zou zijn, verandert dat niets aan de herkomst van het geld -daarover later meer.
Verder mag het cliënt niet voor de voeten geworpen worden dat hij voor het eerst ter terechtzitting een verklaring heeft afgelegd over de herkomst van het geld. De zus van cliënt heeft reeds op 24 september 2021 een screenshot van haar geldopname aan de toenmalige advocaat van client gestuurd (bijlage 1), zoals zij bij de raadsheer-commissaris heeft verklaard, maar die heeft daar kennelijk niets mee gedaan. Naar ik heb begrepen, heeft de volgende advocaat van cliënt de betreffende stukken ook al ruimschoots voor de inhoudelijke zitting ontvangen, maar ook hij heeft daar vervolgens niets mee gedaan.
Dat zijn opeenvolgende raadslieden de betreffende stukken niet naar het OM hebben gestuurd en geen afspraak hebben gemaakt voor een verhoor over de witwasverdenking, kan cliënt niet verweten worden en mag mijns inziens in ieder geval in hoger beroep niet worden gebruikt om naar een bewezenverklaring van witwassen te redeneren.
In hoger beroep zal alsnog een vrijspraak voor witwassen moeten volgen. Hierbij stel ik voorop dat niet bewezen kan worden dat dit geldbedrag uit een brondelict afkomstig is. Uit het dossier blijkt althans niet dat cliënt even daarvoor een kilo cocaïne heeft verkocht. Het feit dat al zijn telefoons grondig zijn onderzocht en daar desondanks geen enkele aanwijzing voor is gevonden, is veelzeggend. Bovendien heeft cliënt desgevraagd ter terechtzitting in eerste aanleg ontkend dat geld afkomstig is van cocaïne die hij heeft verkocht. Een ander gronddelict valt overigens evenmin uit het dossier te destilleren.
Aangezien er geen concreet gronddelict vastgesteld kan worden, zullen de (overige) zes stappen —zoals die in de jurisprudentie over witwassen zijn ontwikkeld— doorlopen moeten worden. De eerste stap is gezet, aangezien er in dit geval geen direct bewijs is voor een specifiek gronddelict. Op basis van de feiten en omstandigheden van dit geval kan ook wel gesteld worden dat er een vermoeden van witwassen is, waarmee stap twee ook is gezet. Daarom mag van cliënt, conform stap drie, worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van dit bedrag. Deze verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn -stap vier.
Cliënt heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat het geld dat hij op 22 juli 2021 bij zich had van zijn broer en zus was, om grond in Turkije te kopen.
De (half)zus van cliënt heeft op 28 maart 2023 bij de raadsheer-commissaris verklaard dat ze een stuk grond in Turkije zouden kopen om daar een huis te bouwen. Naar eigen zeggen heeft ze een bedrag ter grootte van € 5000 van haar bruidsschat en een bedrag ter grootte € 5000 dat afkomstig is van haar loon (uit een PGB-budget) aan cliënt gegeven.
De broer van client heeft op 28 maart 2023 bij de raadsheer-commissaris verklaard dat hij € 15.000 heeft gegeven aan cliënt voor een huis dat ze zouden gaan bouwen in Turkije.
Naar eigen zeggen heeft cliënt zelf € 2500 ingelegd. Dat was volgens hem vakantiegeld en spaargeld, zo heeft hij ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard. Cliënt heeft een WAJONG uitkering, daar kan hij in de loop der jaren vast wel iets van gespaard hebben. Daarnaast is het een feit dat ook mensen met een uitkering vakantiegeld krijgen.
De verklaringen die cliënt, zijn zus en zijn broer hebben afgelegd, zijn ten eerste concreet. Ten tweede zijn de verklaringen over de herkomst van het geld verifieerbaar. De raadsman van cliënt in eerste aanleg heeft daartoe meerdere bankafschriften (details van geldopnames) overgelegd.
Uit die afschriften blijkt ten eerste dat mevrouw [zus van verdachte] op 24 juni 2021 een bedrag van € 5000 heeft gepind (bijlage 2). Ik heb een jaaropgave van de Belastingdienst over 2021 van haar bijgevoegd, waaruit genoegzaam blijkt dat zij een legaal inkomen heeft (bijlage 3).
De zus van cliënt heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard dat ze cliënt nog € 5000 in contanten uit haar bruidsschat heeft gegeven. Dat kan weliswaar niet meer geverifieerd worden, maar dat de zus van cliënt getrouwd is wel en in de Turkse cultuur krijgt iedereen die trouwt een bruidsschat.
Verder zijn er in eerste aanleg verscheidene bankafschriften van het broertje van cliënt overgelegd (bijlage 4). Hierbij merk ik op dat er weliswaar telkens ‘Betaalverzoek’ op die transactiedetails vermeld staat, maar dat er ook staat:
Van Hr [verdachte]
Naar Geldautomaat Almeloplein 61 Den Haag (zie bijlage 3)
Daaruit blijkt mijns inziens genoegzaam dat deze bedragen inderdaad gepind zijn.
De broer van cliënt heeft een normale baan: hij is werkzaam als verkoop-/magazijnmedewerker in een tapijtzaak in [a-plaats]. Ik heb een transactiedetail bijgevoegd van de laatste loonstorting van de broer van cliënt, van het bedrijf [A] (de handelsnaam) (bijlage 5) en een jaaropgave van de Belastingdienst, waaruit blijkt dat hij werkt bij [B] (bijlage 6). Duidelijk is dat de broer van cliënt een reguliere baan heeft en dat ook zijn geld dus middellijk noch onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig is.
Bovendien zijn de verklaringen van cliënt, zijn broer en zijn zus niet op voorhand volstrekt onaannemelijk. Zowel de legale inkomens van de broer en de zus van cliënt als de geldopnames in de periode voorafgaand aan de inbeslagneming worden onderbouwd met documenten.
Opvallend is dat alle bedragen zijn gepind in een relatief kort tijdsbestek: tussen 19 en 25 juni 2021. Dat wekt de indruk dat deze geldopnames verband met elkaar houden. Cliënt is ongeveer een maand later aangehouden, waarbij contant geld is aangetroffen en in beslag is genomen. Het grootste pakket geld komt overeen met het bedrag dat in totaal de broer en zus van cliënt aan cliënt gegeven hebben: € 25.000 (p. 58). Zo bezien is het niet volstrekt onaannemelijk dat het geld dat bij cliënt is aangetroffen, grotendeels bestaat uit het geld dat zijn broer en zijn zus gepind hebben en voor de rest uit geld dat hij zelf heeft gespaard, teneinde een stuk grond in Turkije te kopen en daar een huis te bouwen.
Daarbij merk ik op dat het sowieso niet aannemelijk is dat geld dat van de bank wordt gepind, uit misdrijf afkomstig is. Er zijn maar weinig criminelen die hun verdiende geld op de bank storten, omdat tegenwoordig de alarmbellen bij de bank afgaan als er contant geld wordt gestort en er dan meteen uitleg wordt verlangd over de herkomst van het geld. Aangezien zowel de broer als de zus van client een legaal inkomen heeft en naar het zich laat aanzien een normaal leven leidt, is het bovendien onaannemelijk dat zij als geldezel of iets dergelijks hebben gefungeerd.
Verder verdient het opmerking dat het op Turkse bruiloften gebruikelijk is dat het bruidspaar een envelop met contant geld krijgt voor de bruidsschat. Dan staat er een man met een microfoon die de envelop opent en omroept welk bedrag de betreffende gever heeft geschonken. Iedereen die wel eens op een Turkse bruiloft is geweest, zal dat kunnen beamen. De verklaring van de zus van client over haar bruidsschat is dan ook zonder meer aannemelijk.
Bovendien hebben veel Turkse families in Nederland een (vakantie)woning in Turkije. Zo bezien is het op voorhand niet volstrekt onaannemelijk dat het geld daarvoor bestemd was.
Client heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat je in Turkije contant moet betalen en niet via de bank, omdat er daar veel dingen fout gaan (p. 4, pv ter terechtzitting). De zus van dient heeft verklaard dat de wisselkoers dusdanig ongunstig is dat het veel geld kost om in Turkije te pinnen. Daar komt nog bij dat veel Turken uit Europa contante euro's meenemen naar Turkije vanwege de gierende inflatie in Turkije. Lira's zijn simpelweg vrijwel niets meer waard als betaalmiddel. Het was voor cliënt, zijn zus en zijn broer in alle opzichten voordeliger om het geld contant te hebben dan dit in Turkije op te nemen of over te laten schrijven. Ook zo bezien is het niet volstrekt onaannemelijk dat het geld dat op 22 juli in beslag is genomen, van de broer en zus van client was en bestemd was om een stuk grond in Turkije te kopen, teneinde daar een vakantiewoning te bouwen.
Onder de gegeven omstandigheden had het op de weg van het Openbaar Ministerie gelegen om nader onderzoek te laten doen naar de herkomst van het geld. De Hoge Raad zegt hier namelijk het volgende over:
De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte, mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op. de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.2.
Men heeft echter geen nader onderzoek naar de verklaringen van cliënt, zijn broer en zijn zus gedaan, terwijl dat wel had gekund en ook had gemoeten. Daardoor blijft de mogelijkheid open dat het geld inderdaad een legale herkomst heeft. Zie in dit verband bijvoorbeeld een uitspraak van de rechtbank in Maastricht, waarin het volgende is overwogen:
De rechtbank is van oordeel dat het openbaar ministerie meer onderzoek naar de gestelde alternatieve herkomst van het geld had kunnen en ook moeten verrichten om de verklaring omtrent de herkomst van het geld te ontzenuwen. Nu dit onderzoek achterwege is gebleven, kan niet met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat het bedrag een legale herkomst heeft.3.
Onder de gegeven omstandigheden moet het ervoor gehouden worden dat de verklaring van cliënt, zijn broer en zijn zus over de herkomst van het geld niet zo onwaarschijnlijk is dat deze bij de vorming van het bewijsoordeel zonder meer terzijde behoren te worden gesteld. Dat nader onderzoek ook na de verhoren bij de raadsheer-commissaris achterwege is gebleven, heeft consequenties voor deze zaak. Dientengevolge doet er zich namelijk geen situatie voor waarin het niet anders kan dan dat de op 22 juli 2022 bij cliënt aangetroffen geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn. Dat betekent dat zowel opzet- als schuldwitwassen niet bewezen kan worden. Daarom verzoek ik u cliënt vrij te spreken van het onder 3 tenlastegelegde.’4.
3.
Ten aanzien van het onder .3 tenlastegelegde heeft het Hof als volgt overwogen:
‘De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan opzet- of schuldwitwassen. Verdachte heeft verklaard dat het geld dat op 22 juli 2021 bij hem is aangetroffen van zijn broer en zus was. Hij had dat geld bij zich omdat zij een stuk grond in Turkije wilden kopen om daar een huis te bouwen voor hun moeder. Ter onderbouwing hiervan is verwezen naar de verklaringen van zijn broer en zus afgelegd bij de raadsheer-commissaris op 28 maart 2023. Uit de overgelegde pintransacties zou volgen dat zijn broer en zus geld hebben gepind. Verder heeft de zus van verdachte geld ingelegd dat zij op haar bruiloft heeft ontvangen. Deze bedragen komen overeen met het bedrag dat bij verdachte is aangetroffen. Hiermee geeft verdachte een onderbouwde verklaring met betrekking tot de herkomst en het doel van het geld. Niet gezegd kan worden dat het niet anders kan zijn dan dat de bij verdachte aangetroffen geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn. Verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde, aldus de raadsman.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Op 22 juli 2021 is verdachte met zijn medeverdachte aangehouden in verband met een defect remlicht. Verdachte is toen gefouilleerd en daarbij is een vuurwapen aangetroffen en een grote hoeveelheid contant geld (in totaal € 27.490,00). Bij de hierop volgende doorzoeking van de woning van verdachte zijn vervolgens drugs, nog een vuurwapen, munitie en een geldtelmachine aangetroffen. Bij de politie heeft verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen. Hij heeft alleen verklaard dat de medeverdachte, de bestuurder van de auto, er niks mee te maken had. Voorts heeft verdachte, blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 3 augustus 2021, op het politiebureau aan twee politieagenten gevraagd wat de te verwachten strafduur is voor drugs en witwassen. Zelf dacht verdachte wel drie a vier jaar weg te zijn.
Pas bij de rechtbank en later ook bij dit hof heeft verdachte verklaard dat hij het contante geld heeft ontvangen van zijn broer en zus teneinde hiermee grond te kopen in Turkije. Verdachte heeft hierbij afschriften van verschillende pintransacties overgelegd. Naar eigen zeggen heeft verdachte van zijn broer € 15.000,00 gekregen en van zijn zus € 10.000,00. Uit de pintransacties zou volgen dat zijn zus € 5.000,00 heeft gepind. De andere € 5.000,00 heeft zijn zus ontvangen op haar bruiloft. Eén en ander is door de broer en zus van verdachte bevestigd bij de raadsheer-commissaris op 28 maart 2023. Het resterende bedrag van € 2.490,00 was deels van verdachte en deels eerder geleend geld, aldus verdachte. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de verklaringen van verdachte en zijn broer en zus en de overgelegde pintransacties onvoldoende onderbouwd en concreet zijn om te dienen als een concrete, eenduidige, verifieerbare en op voorhand niet (hoogst) onwaarschijnlijke verklaring voor een legale herkomst van het aangetroffen contante geld. Uit de overgelegde pintransacties blijkt niet met welke bedoeling deze bedragen zijn gepind. Ook heeft verdachte dit pas op de zitting bij de rechtbank verklaard. Het hof hecht ook geen geloof aan de verklaring van verdachte, nu hij langere tijd met het grote bedrag op zak heeft gelopen terwijl hij in de tijd tussen de gestelde ontvangst van geld van zijn zus en broer naar eigen zeggen in Turkije is geweest maar — in plaats van het geldbedrag daarnaartoe te brengen en achter te laten — weer met het bedrag naar Nederland zou zijn teruggekomen. Bovendien heeft verdachte ook verklaard dat je naar Turkije niet meer dan € 10.000 contant mag meenemen, hetgeen niet lijkt te passen bij het bij verdachte aangetroffen bedrag. Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat verdachte met zijn verklaring onvoldoende tegenwicht aan het vermoeden van witwassen heeft geboden, waardoor dit vermoeden blijft bestaan. Het hof heeft daarbij ook gelet op de omstandigheden waaronder het geld bij verdachte is aangetroffen. Het verweer wordt verworpen.
Voor het overige is het hof van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 3 primair en subsidiair tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.’5.
4.
Wij herhalen het ‘witwasstappenplan’ zoals Uw Raad het in HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, rechtsoverweging 2.3.3 formuleerde:
‘Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs.’
5.
Daarbij is van belang dat hoewel van een verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft als er sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen, doch niet dat hij deze stelling aannemelijk maakt (HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787, r.o. 2.6.). Het Hof Amsterdam begrijpt daaruit — terecht — dat een andere opvatting, waarbij op enigerlei wijze nadere onderbouwing, bijv. middels stukken, de onschuldpresumptie geweld aan zou doen:
‘De verdachte heeft bij het politieverhoor, ter terechtzitting in eerste aanleg en ter terechtzitting in hoger beroep verklaringen afgelegd over de herkomst van de overige geldbedragen. Het hof zal elke afzonderlijke verklaring van de verdachte over de herkomst bespreken en telkens beoordelen of de gegeven verklaring als voldoende concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is aan te merken. Indien dit het geval is, kan in beginsel niet met recht van de verdachte worden verlangd dat hij de juistheid van de desbetreffende verklaring(en) (met bewijsstukken of anderszins) aantoont. Dit zou in strijd zijn met de onschuldpresumptie. Het is in dat geval aan het openbaar ministerie om onderzoek te doen naar die verklaringen. Indien uit dat onderzoek blijkt dat de verklaringen onjuist zijn, zou kunnen worden geconcludeerd dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen uit misdrijf afkomstig zijn, waarmee het bewijs van het tenlastegelegde rond zou kunnen komen.’6.
Ad a)
6.
De eerste deelklacht van dit middel richt zijn pijlen op de volgende overwegingen die het hierboven geciteerde gedeelte besloten liggen:
- a)
‘Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de verklaringen van verdachte en zijn broer en zus en de overgelegde pintransacties onvoldoende onderbouwd en concreet zijn om te dienen als een concrete, eenduidige, verifieerbare en op voorhand niet (hoogst) onwaarschijnlijke verklaring voor een legale herkomst van het aangetroffen contante geld.’
- b)
‘Het hof hecht ook geen geloof aan de verklaring van verdachte, nu hij langere tijd met het grote bedrag op zak heeft gelopen terwijl hij in de tijd tussen de gestelde ontvangst van geld van zijn zus en broer naar eigen zeggen in Turkije is geweest maar — in plaats van het geldbedrag daarnaartoe te brengen en achter te laten — weer met het bedrag naar Nederland zou zijn teruggekomen.’
- c)
‘Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat verdachte met zijn verklaring onvoldoende tegenwicht aan het vermoeden van witwassen heeft geboden, waardoor dit vermoeden blijft bestaan.’
7.
De onder a) geciteerde overweging geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het Hof ermee tot uitdrukking brengt dat op requirant een plicht rustte om zijn verklaring te onderbouwen. Voorts brengt het Hof tot uitdrukking dat de verklaring ‘eenduidig’ moet zijn. Wat het Hof daarmee bedoelt, kan in het midden blijven, omdat het Hof er in ieder geval een eis mee stelt die het recht niet kent.
8.
De onder b) geciteerde overweging geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het criterium voor de beoordeling van verklaringen van een verdachte op dit punt in de beoordeling van een witwasverdenking niet is of de deze verklaringen geloofwaardig zijn, doch of ze hoogst onwaarschijnlijk zijn, ‘(on)geloofwaardig’ is een ander — en ook lichter — criterium dan ‘(niet) hoogst onwaarschijnlijk.’7.
9.
De onder c) geciteerde overweging berust op de onjuiste rechtsopvatting dat het aan requirant is om zijn verklaring van enig gewicht te laten zijn, anders dan dat deze verklaring verifieerbaar, concreet en niet hoogst onwaarschijnlijk is. De verklaring moet, indien waar, het witwasvermoeden weliswaar ontzenuwen, maar de maatstaf voor of die verklaring dat doet is — qua ‘gewichtigheid’ — of deze ‘niet hoogst onwaarschijnlijk’ is.
Ad b)
10.
Indien Uw Raad van oordeel is dat het Hof met het een en ander geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, leidt het een en ander niettemin tot een onbegrijpelijke bewezenverklaring. Wij lichten dat nader toe.
11.
Het Hof heeft (onder meer) als volgt overwogen:
‘Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de verklaringen van verdachte en zijn broer en zus en de overgelegde pintransacties onvoldoende onderbouwd en concreet zijn om te dienen als een concrete, eenduidige, verifieerbare en op voorhand niet (hoogst) onwaarschijnlijke verklaring voor een legale herkomst van het aangetroffen contante geld.’
12.
Als deze overweging niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, is hij in ieder geval onbegrijpelijk. Het was niet aan requirant om deze stelling nader te onderbouwen — door pintransacties over te leggen heeft requirant reeds meer gedaan dan van hem verwacht kon worden — en een blik op wat het Hof heeft vastgesteld als door requirant afgelegde verklaring laat zien dat zijn oordeel over de concreetheid van die stelling evenmin begrijpelijk is:
‘Pas bij de rechtbank en later ook bij dit hof heeft verdachte verklaard dat hij het contante geld heeft ontvangen van zijn broer en zus teneinde hiermee grond te kopen in Turkije. Verdachte heeft hierbij afschriften van verschillende pintransacties overgelegd. Naar eigen zeggen heeft verdachte van zijn broer € 15.000,00 gekregen en van zijn zus € 10.000,00. Uit de pintransacties zou volgen dat zijn zus € 5.000,00 heeft gepind. De andere € 5.000,00 heeft zijn zus ontvangen op haar bruiloft. Eén en ander is door de broer en zus van verdachte bevestigd bij de raadsheer-commissaris op 28 maart 2023. Het resterende bedrag van € 2.490,00 was deels van verdachte en deels eerder geleend geld, aldus verdachte.’
13.
Bezwaarlijk kan de stelling ‘ik heb € 15.000 van persoon A en € 10.0000 van persoon B geleend’ anders worden begrepen dan als een ‘concrete’ stelling. Uw Raad oordeelde — HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352 — dat de stelling van een verdachte dat hij ‘130.000 tot 140.000 euro’ verdiende, met daarnaast nog ‘30.000 tot 40.000 bruto aan neveninkomsten’, ‘een concrete verwijzing naar zijn inkomsten’ was. De onderhavige stelling is onmiskenbaar ‘concreter,’ reeds omdat deze stelling exacte geldsommen en de precieze herkomst daarvan uitdrukt.
14.
Dat het Hof de stelling van requirant daarbij ‘niet geloofwaardig’ acht, is verder irrelevant, zolang die ongeloofwaardigheid niet is vanwege het feit dat de stelling ‘hoogst onwaarschijnlijk’ is. Dat heeft het Hof echter niet vastgesteld — het Hof zag het probleem immers in de concreetheid en de onderbouwing van de verklaring — zodat de ongeloofwaardigheid van requirant zijn verklaring geen (begrijpelijke) steun biedt voor het oordeel dat requirant er niet in is geslaagd om een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven die het witwasvermoeden ontzenuwt.
15.
Het had dus op de weg van het Openbaar Ministerie gelegen om nader onderzoek naar de stellingen van requirant te doen, en het Hof had daarna de vraag moeten beantwoorden of dat nadere onderzoek de verklaring van requirant voldoende weerlegd heeft. Nu het een en ander niet is geschied, is de bewezenverklaring onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd.
16.
Wij merken in het verlengde daarvan nog op dat de verklaring van requirant uit meerdere onderdelen bestaat en dat uit HR 6 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:167, r.o. 2.4. kan worden afgeleid dat — in beginsel — over elk onderdeel van de verklaring die een verdachte over de herkomst van het witwasvoorwerp gegeven heeft, door de rechter een oordeel moet worden geveld. Omgekeerd betekent dit logischerwijs dat indien de overwegingen van het Hof met betrekking tot een deel van gegeven verklaring onbegrijpelijk zijn, cassatie moet volgen.
Middel II
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt, in het bijzonder schending van de artikelen 350, 359, 6:2:10 en 6:2:12 Wetboek van Strafvordering,
doordat de strafmotivering van het Hof op een onjuiste rechtsopvatting berust, althans onbegrijpelijk is,
nu het Hof in de strafoplegging ‘rekening houdt’ met de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, terwijl beslissingen over voorwaardelijke invrijheidstelling niet aan het Hof zijn.
Het arrest kan daarom wat de strafoplegging betreft niet in stand blijven.
Toelichting:
17.
Het Hof heeft requirant veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. Het heeft daar (mede) de volgende overwegingen aan ten grondslag gelegd:
‘Mede gelet op straffen die in andere, vergelijkbare zaken voor soortgelijke delicten worden opgelegd, alsmede gelet op de ernst van de feiten is het hof met de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Nu de reclassering heeft aangegeven dat terugkeer in detentie voor verdachte geen meerwaarde heeft, acht het hof, een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, passend en geboden. Daarbij houdt het hof rekening met de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling.’8.
18.
Met de verwijzing naar het standpunt van de reclassering ‘dat terugkeer in detentie voor verdachte geen meerwaarde heeft’, bedoelt het Hof klaarblijkelijk tot uitdrukking te brengen dat de strafoplegging in hoger beroep niet tot hernieuwde (onvoorwaardelijke) detentie moet leiden.
19.
Deze interpretatie van de overwegingen van het Hof komt ook overeen met de tijd die requirant blijkens het uittreksel justitiële documentatie d.d. 18 juli 2023, dat zich in het dossier bevindt, reeds in voorarrest heeft doorgebracht (te weten: van 26 juli 2021 tot en met 10 maart 2023). Requirant heeft immers om en nabij de 20 maanden in detentie doorgebracht, zodat requirant gelet op het bepaalde in artikel 6:2:10, eerste lid, onder a, Sv direct in aanmerking zou komen voor voorwaardelijke invrijheidsstelling. Daarop heeft de overweging ‘dat het hof rekening houdt met de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling’ kennelijk betrekking.
20.
Het probleem is echter dat het Hof geen rekening kan houden met voorwaardelijke invrijheidsstelling. Het is immers ingevolge artikel 6:2:12 Sv aan het Openbaar Ministerie om daarover een beslissing te nemen.
21.
Zodoende is de strafoplegging onbegrijpelijk.
22.
Indien het Hof aan requirant een straf had willen opleggen die geen nieuwe vrijheidsbeneming met zich meebrengt, had het kunnen beslissen om een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk op te leggen. Bij die modaliteit speelt de voorwaardelijke invrijheidstelling immers geen rol.
Middel III
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt, in het bijzonder schending van artikelen 36b en 36c Wetboek van Strafrecht (Sr),
doordat de onttrekking aan het verkeer door het Hof van ‘een telefoon Apple iPhone (beslagcode: 2561574)’ onbegrijpelijk is,
nu zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet inzichtelijk is waarom het ongecontroleerde bezit van die telefoon naar aard, al dan niet in samenhang met het redelijkerwijs te verwachten gebruik, in strijd is met de wet of het algemeen belang.
Het arrest kan wat betreft de beslissing van de onttrekking aan het verkeer van de voornoemde telefoon niet in stand blijven.
Toelichting:
23.
Het Hof heeft een inbeslaggenomen ‘Apple iPhone’ aan het verkeer onttrokken. Het Hof heeft daartoe het volgende overwogen:
‘Het onder 4 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot de hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven telefoon Apple iPhone. Deze telefoon zal aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet’
24.
Het onder 4 bewezenverklaarde is — kort gezegd — het in bezit hebben van een afbeelding waarvoor geldt dat het in bezit hebben daarvan in strijd is met (thans) artikel 252 Sr.
25.
Uw Raad overwoog in het arrest van 8 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7626, het volgende:
‘3.5.1.
De onttrekking aan het verkeer is als strafrechtelijke maatregel in het Wetboek van Strafrecht opgenomen bij de Wet van 22 mei 1958, houdende wijziging van de bepalingen betreffende verbeurdverklaring en inbeslagneming (Stb. 1958, 296). Bij deze wet is in art. 36c Sr als voorwaarde voor de onttrekking aan het verkeer gesteld dat de desbetreffende voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Daaruit volgt dat het moet gaan om een voorwerp waarvan de aard relevant is in die zin dat het ongecontroleerde bezit, al dan niet in samenhang met het redelijkerwijze te verwachten gebruik daarvan, juist in verband met die aard in strijd is met de wet of het algemeen belang.’
26.
Dit is, gelet op HR 14 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:225, r.o. 2.3.2, nog altijd geldend recht. Advocaat-Generaal mr. A.E. Harteveld concludeerde in zijn conclusie vóór HR 30 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:116 tot vernietiging van een onttrekking aan het verkeer van (meerdere) gegevensdragers in relatie tot een vergelijkbaar strafbaar feit. Uw Raad volgde die conclusie, doch met een apodictische motivering. De A-G motiveerde zijn conclusie als volgt:
‘6.4.
In casu zijn bij verdachte (onder meer) twee camera's (beslaglijstnummers 11 en 15) en twee mobiele telefoons (beslaglijstnummers 14 en 16) inbeslaggenomen. Deze vier voorwerpen, waartoe de klacht in het middel is beperkt, zijn door het hof, in combinatie met een groot aantal andere voorwerpen, onttrokken aan het verkeer. Noch uit het arrest, noch uit de processen-verbaal van terechtzitting kan worden afgeleid dat met behulp van deze specifieke voorwerpen het bewezenverklaarde is begaan of voorbereid. Uit het arrest en de processen-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep blijkt immers wel dat de verdachte foto's heeft gemaakt van kinderen, maar niet kan worden afgeleid dat dit ook deze camera's of telefoons betreffen, temeer daar ook andere camera's en telefoons zijn onttrokken aan het verkeer. Over de andere goederen klaagt het middel echter niet. Bovendien zijn de voorwerpen, zelfs al zou het voorgaande zijn vastgesteld, niet van dusdanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.29 Derhalve getuigt het oordeel van het hof dat de voorwerpen op grond van art. 36c Sr vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is dit niet toereikend gemotiveerd.
[…]
[voetnoot] 29: zie voor voorwerpen waarvoor dat in het kader van een bewezenverklaring van art. 240b Sr wel gold HR 4 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5741.’
27.
Volgens de A-G zijn gegevensdragers — zoals in casu en in die casus, telefoons — ‘zelfs al’ bevatten ze strafbaar pornografisch materiaal, niet noodzakelijk van dusdanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan — de telefoon, uiteraard, niet het materiaal — in strijd is met het algemeen belang (of de wet, komt ons voor). Zoals gezegd, casseerde Uw Raad ook op grond van het voorgestelde middel, maar de A-G noemt meerdere redenen die tot die beslissing geleid kunnen hebben. Ook A-G Paridaens lijkt zich in haar conclusie vóór HR 9 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:248, randnummer 32, impliciet aan te sluiten bij de gedachte dat relevant kan zijn wat de kwantiteit strafbaar pornografisch materiaal is. In randnummer 32 benoemt zij tweemaal dat het gaat om een ‘grote hoeveelheid.’
28.
In het door de A-G aangehaalde arrest van 4 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5741, ging het om een verdenking van deelname aan een criminele organisatie met als oogmerk — kort gezegd — verspreiden van materiaal dat in strijd kwam met het (toen geldende) artikel 240b Sr. Wat voor voorwerpen het in die zaak precies om gaat, is niet helder, maar het betreft in ieder geval deels ‘banden,’ zo blijkt uit de conclusie A-G vóór het arrest. Uit context begrijpen wij: ‘videobanden.’ Het spreekt voor zich waarom het ongecontroleerde bezit in strijd is met de wet, in samenhang met de overige — onopgehelderd gebleven — aan het verkeer onttrokken voorwerpen.
29.
In HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2488 oordeelde Uw Raad de onttrekking van o.a. twee computers aan het verkeer wel begrijpelijk. Uw Raad deed dat echter met de overweging dat deze computers onderdeel waren van het Hof in die zaak had opgevat als gezamenlijkheid van voorwerpen (te weten: 2 computers, 14 foto's, 42 videobanden, 28 cd-roms, 9 dvd's en 98 diskettes). Het gaat er dan om dat de verdachte in kwestie die spullen, als gezamenlijkheid, op bepaalde wijze placht te gebruiken (vgl. HR 23 mei 2000, NJ 2000/444).
30.
In het onderhavige geval gaat het echter om één telefoon, met daarop één afbeelding het bezit waarvan strafbaar is. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet helder waarom het ongecontroleerde bezit van de telefoon — na het wissen van de afbeelding voorafgaand aan de teruggave van die telefoon — naar aard, in samenhang met het te verwachten gebruik, in strijd komt met het algemeen belang of de wet. De telefoon is ook niet — kenbaar — onderdeel van een gezamenlijkheid van voorwerpen waarvan het ongecontroleerde bezit in strijd is met de wet of het algemeen belang.
Middel IV
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt, in het bijzonder van artikel 6 EVRM, nu de redelijke termijn in de cassatiefase is geschonden, te weten (in ieder geval) de inzendtermijn. Het bestreden arrest kan hierdoor niet in stand blijven.
Toelichting:
1.
Namens requirant is op 11 september 2023 cassatie ingesteld tegen het bestreden arrest. Uit de mededeling betekening van de aanzegging blijkt dat de stukken van het geding op 3 juli 2024 ter griffie van Uw Raad zijn ontvangen.
2.
In (o.m.) HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, is bepaald dat onder overschrijding van de redelijke termijn, mede is begrepen de overschrijding van de termijn voor het inzenden van de stukken naar de Hoge Raad nadat beroep in cassatie is ingesteld. Die inzendingstermijn is hier gesteld op acht maanden, aangezien requirant voor deze zaak niet in voorlopige hechtenis verblijft.
3.
In casu bedraagt de inzendingstermijn bijna tien maanden. De redelijke termijn is aldus met bijna twee maanden overschreden.
4.
Regel is dat de overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de in laatste feitelijke instantie opgelegde straf. Uit HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rechtsoverweging 3.6.2–3.6.3, volgt dat in de gevallen waarin de redelijke termijn met minder dan zes maanden is overschreden, Uw Raad de opgelegde straf reduceert met 5%. Wij verzoeken Uw Raad daarom de opgelegde straf conform deze maatstaf te verminderen.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mrs. N. van Schaik & H. Brentjes, advocaten te Utrecht, aldaar kantoorhoudende aan de Catharijnesingel 70 (3511 GM), die verklaren tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door requirant van cassatie.
Utrecht, 13 september 2024
N. van Schaik
H. Brentjes
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 13‑09‑2024
Arrest Hof, p. 6.
HR 18 december 2018, NJ 2019/218, m.nt. N. Rozemond
Rechtbank Limburg 1 december 2021, RBLIM:2021:8961.
Pleitnota Hof, p. 1–6.
Arrest Hof, p. 4–5.
Hof Amsterdam 30 november 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:3719
‘Geloofwaardig’ lijkt qua zwaarte in beginsel overeen te stemmen met ‘waarschijnlijk.’ Evenwel hebben de woorden een geheel andere betekenis: iemand zal eerder geloofwaardig geacht worden door vrienden dan door vreemden. ‘Geloofwaardigheid’ heeft dan ook betrekking op een persoon, terwijl ‘waarschijnlijkheid’ betrekking heeft op de stelling zelf.
Arrest Hof, p. 9.