De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV
Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/10.6.5:10.6.5 Mogelijke verklaringen voor terughoudende opstelling
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/10.6.5
10.6.5 Mogelijke verklaringen voor terughoudende opstelling
Documentgegevens:
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS376992:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de literatuur is de afgelopen decennia ook de nodige aandacht besteed aan de terughoudende opstelling van de A-G in het enquêterecht.
Zo schrijft Ficq in 1982 dat het niet de onbekendheid van de A-G is met het enquêterecht, maar ‘veeleer de juridische en praktische onmogelijkheid’ om zich in het algemeen een beeld te kunnen vormen over de feiten en omstandigheden van de klachten en signalen die hem bereiken. Dit klemt te meer omdat de A-G vooraf concreet zijn bezwaren tegen het beleid van de rechtspersoon moet formuleren.1
Wortel betoogt in 1998 dat de verklaring voor de terughoudende opstelling van de A-G in de eerste plaats ligt in het geringe aantal klachten dat de A-G bereikt. Volgens Wortel vloeit de gedragslijn van de A-G niet alleen voort uit de subsidiariteitsgedachte (toentertijd geldend), maar ook uit de opvatting dat een optreden van de A-G alleen aangewezen zou zijn indien de situatie binnen de onderneming nog te saneren is.2 Voorts wijst hij op het feit dat er voor de A-G onvoldoende ruimte is om zich de specifieke kwesties van een bedrijfstak eigen te maken, gelettfmk op het ontvankelijkheidsvereiste van art. 2:349 lid 1 BW. Waar het volgens Wortel met name aan schort is te weinig mankracht en ondersteuning om in alle opzichten bevredigend werk af te leveren.3
Schmieman concludeert in zijn onderzoek naar de bevoegdheden van de A-G in het enquêterecht, dat het verzoeken van een enquête of voorzieningen binnen het ressortsparket geen prioriteit heeft. Dit blijkt volgens hem ten eerste uit het feit dat de A-G die zich bezighoudt met bevoegdheden uit het enquêterecht, niet met minder strafzittingen wordt belast. Daarnaast heeft het OM te kennen gegeven dat er in het kader van de bezuinigen bij het OM (destijds) geen ruimte bestaat voor een actief gebruik van de enquêtebevoegdheid, aangezien dat noopt tot de ontwikkeling van beleid.4 Schmieman is voorts van mening dat de terughoudende opstelling een gevolg is van het feit dat de A-G, als strafrechtelijk georiënteerde jurist, over weinig kennis van het ondernemingsrecht beschikt. De A-G heeft volgens hem geen zicht op wat zich afspeelt in het bedrijfsleven.5