De turboliquidatie van de Besloten Vennootschap
Einde inhoudsopgave
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/1.4:1.4 Methodologie en normatief kader
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/1.4
1.4 Methodologie en normatief kader
Documentgegevens:
mr. S. Renssen, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. S. Renssen
- JCDI
JCDI:ADS389880:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ter beantwoording van de onderzoeksvragen wordt eerst een algemene beschrijving van de turboliquidatie, de procedure alsmede de betrokken actoren gegeven. Het begrip ‘eenvoudig’ zoals in de eerste onderzoeksvraag gehanteerd, is een open norm die op verschillende wijzen kan worden geïnterpreteerd. In mijn onderzoek doel ik met de term ‘eenvoudig’ op de vraag of – gelet op de enige voorwaarde die aan de turboliquidatie lijkt te zijn gesteld door de wetgever alsmede de snelheid waarmee een BV wordt ontbonden – een rechtsgeldig ontbindingsbesluit op grond van artikel 2:19 lid 4 BW kan worden genomen door slechts de stappen te doorlopen die volgen uit artikel 2:19 lid 4 BW, namelijk het concluderen tot het ontbreken van baten ten tijde van het ontbindingsbesluit en het doen van opgaaf hiervan aan de Kamer van Koophandel.
Ook het begrip ‘voldragen’ zoals in de tweede onderzoeksvraag gehanteerd, is een open norm die op verschillende wijzen kan worden geïnterpreteerd. In mijn onderzoek doel ik met de term ‘voldragen’ op de vraag of het huidige artikel 2:19 lid 4 BW zodanig is geformuleerd dat de uitwerking ervan in de praktijk aansluit bij hetgeen de wetgever bij invoering van de bepaling heeft beoogd.
Bij de beantwoording van de eerste en tweede vraag zal worden ingegaan op de haken en ogen verbonden aan de turboliquidatie van een BV: de wettelijke gebreken en leemten en de misverstanden in de jurisprudentie en literatuur zullen hierbij aan de orde worden gesteld. Bovendien resulteert de beantwoording van deze vragen in een aantal aanbevelingen. De beantwoording van de derde vraag wordt gebaseerd op de resultaten van de eerste twee vragen. De beantwoording van de vierde vraag resulteert tot slot in een aantal aanbevelingen, voor zowel de rechtspraktijk als de wetgever.