Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.6.2
9.6.2 Garantstelling is in lijn met de Europese Richtlijn maar Nederlands recht wijkt daarvan af
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648750:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 3 april 2015, NJ 2015/255, r.o. 3.6.3. De Hoge Raad heeft bepaald dat de Europese regelgeving niet van invloed is op de uitleg van de Nederlandse groepsvrijstellingsregeling. Echter, bij de toepassing van het nationale recht, ongeacht of het daarbij gaat om bepalingen die dateren van een eerdere of latere datum van de richtlijn, dient de rechter deze zoveel mogelijk uit te leggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijn, zodat het hiermee beoogde resultaat wordt bereikt, zie HvJ EG 13 november 1990, nr. C-106/89, Jur. 1990, I-4135, r.o. 8. Ook al dateert de Nederlandse regeling van vóór de Europese richtlijn, dan dient het beginsel van richtlijnconforme uitlegging juist in het bijzonder te worden toegepast, zie HvJ EG 16 december 1993, nr. C-334/92, Jur. 1993, I-6911, r.o. 21.
HR 3 april 2015, NJ 2015/255 (Bia Beheer), r.o. 3.6.3. Deze stelling lijkt mij niet juist. De Nederlandse groepsvrijstellingsregeling bestond reeds voordat de Europese variant het daglicht zag.
Evenzo: Bartman 2015, p. 811.
Meerdere malen is door Kamerleden en de minister gesproken over ‘garantstelling door de moedermaatschappij’ (welke bewoordingen niet zijn weersproken): Handelingen II 1970/71, 10689, p. 2973. Vgl. Kamerstukken II 1969/70, 10689, nr. 3 (MvT), p. 14-15. Zie ook Beckman 1995, p. 71.
In hoofdstuk 8 is de vrijstellingsregeling zoals neergelegd in de Zevende Richtlijn aan de orde geweest. Artikel 43 richtlijn schrijft onder meer het volgende voor:
“c. de moederonderneming heeft zich garant verklaard voor de door de dochteronderneming aangegane verplichtingen;”
De Europese richtlijn stelt als vereiste dat de moederonderneming zich garant dient te verklaren voor de door de dochter aangegane verplichtingen. De Hoge Raad heeft bepaald dat de Nederlandse vrijstellingsregeling op zichzelf staat. Artikel 2:403 BW dient niet richtlijnconform te worden geïnterpreteerd, zo kan uit een arrest van de Hoge Raad uit 2015 worden opgemaakt.1 De Hoge Raad oordeelde daarin dat “de Nederlandse wetgever ervoor [heeft] gekozen om de in de Europese richtlijnen bedoelde garantie uit te werken in een vereiste van hoofdelijke aansprakelijkheid”.2
De wetgever heeft er bij het opstellen van de groepsvrijstellingsregeling voor gekozen om de term ‘hoofdelijk’ op te nemen hoewel in de parlementaire geschiedenis wordt gesproken over garantstellen. Of de keuze voor hoofdelijkheid een bewuste en weloverwogen keuze is geweest, valt te betwijfelen. Blijkens de parlementaire geschiedenis heeft de wetgever in het geheel niet over hoofdelijkheid en de consequenties daarvan nagedacht.3 Er werd daarentegen wel gesproken over een door de moeder te verstrekken garantstelling voor het geval de dochtermaatschappij in gebreke blijft.4