Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/4.3.3
4.3.3 Verdere ontwikkeling in finance en econometrie
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS384575:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Een illustratie van de tegenstelling tussen macro-economisch rationeel handelen en micro- economisch rationeel handelen is de zogeheten ‘paradox of thrift’ zoals gepopulariseerd door Keynes en reeds in 1714 verwoord door Mandeville in The Fable of the Bees. Kort gezegd komt de paradox erop neer dat het in tijden van recessie of depressie voor individuele huishoudens op micro-economisch niveau wellicht een rationele keuze lijkt om meer te gaan sparen, maar dat deze toename van spaargelden op microniveau er juist voor kan zorgen dat de economie op macroniveau verder in het slop raakt (minder groei en minder consumptie), waardoor vervolgens de totale hoeveelheid spaargelden in de economie weer in waarde afneemt. Zie Keynes 1936, p. 358-371.
J.F. Muth, ‘Rational Expectations and the Theory of Price Movements’, Econometrica 1961, p. 315-335.
Te beginnen bij R.E. Lucas, ‘Expectations and the Neutrality of Money’, Journal of Economic Theory 1972, p. 103-124.
In deze zin Cassidy 2009, p. 100 (tevens verwijzend naar Friedman 1953, p. 15).
Vergelijk de volgende terugblik op deze periode van gedragseconoom R.H. Thaler, ‘From Homo Economicus To Homo Sapiens’, Journal of Economic Perspectives 2000, p. 133-141, in het bijzonder p. 134: “Eventually, the models came to include agents that detractors called ‘hyperrational’. The aesthetic in the field became that if the agents in Model A were smarter than the agents in Model B, then Model A is better than Model B. The IQ of Homo Economicus became bounded only by the IQ of the smartest economic theorist!”
Bijvoorbeeld R.A. Posner, The Problem of Jurisprudence, Cambridge (Mass.): Harvard University Press 1990, p. 353: “The basic assumption of economics that guides the economic analysis of law that I shall be presenting is that people are rational maximizers of their satisfactions – all people (with the exception of small children and the profoundly retarded) in all of their activities (except when under the influence of psychosis or similarly deranged through drug or alcohol abuse) that involve choice.”
De verdere theorievorming vond met name in de jaren ’70 en ’80 plaats. Gebruik makend van voortschrijdende technieken uit de wiskunde en de statistiek bouwden economische wetenschappers steeds complexere modellen en ontwierpen zij steeds meer geavanceerde methoden om deze modellen te testen. Veel van deze modellen gingen uit van een top-down benadering waarin aan de hand van macro-economische factoren (bijvoorbeeld monetair beleid) een bruikbare benadering van de werking van een economie als geheel kan worden verkregen. Hiervoor is wel vereist dat alle micro-economische actoren (bijvoorbeeld kopers en verkopers op kapitaalmarkten) in het gegeven model op macro-economisch rationele wijze handelen,1 althans dat het gedrag van de individuele micro-economische actoren kan worden gegeneraliseerd naar een macro-economisch effect. Zo hadden Arrow en Debreu bij de formulering van hun model voor een ‘competitive equilibrium’ (macro-economie) de assumptie opgenomen dat het gedrag van de individuele actoren in het model (consumenten en producenten, micro-economie) door louter utilitaristische drijfveren werd geleid. De assumpties ten aanzien van het gedrag van individuele actoren in macro-economische modellen zouden in de jaren erna in de econometrie nog verder worden uitgewerkt, nota bene via wiskundige benaderingen. Een voorbeeld is de ‘rational expectations hypothesis’ zoals begin jaren ‘60 ontwikkeld door Muth2 en daarna verfijnd en uitgebouwd door Lucas.3 Deze hypothese bestond erin dat individuele actoren hun gedrag door volmaakt rationele toekomstverwachtingen lieten leiden. Hoewel deze aanname niet met de werkelijkheid overeenkwam, werd de ‘rational expectations hypothesis’ volop gebruikt als bouwsteen in latere econometrische modellen.4 In algemene zin beklijfde de voorstelling van de individuele actor in een economisch model als de ‘homo economicus’: een volstrekt rationeel wezen, gedreven door zuiver economisch rationele motieven, voorzien van alle informatie en behept met een volledig rationeel verstand.5 Deze voorstelling van rationele actoren zou ook nadrukkelijk als uitgangspunt in de law & economics-literatuur doorwerken.6