Op zoek naar de heilige graal
Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/7.8.2:7.8.2 Toetsing rsli’s-faciliteiten onroerende-zaakbelasting
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/7.8.2
7.8.2 Toetsing rsli’s-faciliteiten onroerende-zaakbelasting
Documentgegevens:
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633547:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals besproken in paragraaf 7.8.1.3 oordeelde Hof Den Haag in een zaak dat een gebouw waarin activiteiten werden verricht met een spiritueel karakter die gericht waren op persoonlijke groei en bezinning, maar een levensbeschouwing als grondslag ontbeerden, niet voor de eredienstuitzondering in aanmerking kwam. Omdat spiritualiteit een redelijk jong fenomeen is, moeilijk te omlijnen is, nog niet historisch is ingebed en spirituele initiatieven zelden geformaliseerd zijn, kan het in de praktijk voor spirituele instellingen lastiger zijn om met betrekking tot gebouwen waar spiritualiteit wordt beoefend, een geslaagd beroep op de eredienstuitzondering te doen. De rechter kan dan eisen dat er een meeromvattende levensbeschouwing aannemelijk wordt gemaakt.
Verder blijkt uit de wetsgeschiedenis van de eredienstuitzondering dat deze uitzondering is bedoeld voor onroerende zaken die bestemd zijn voor bijeenkomsten ter beleving van en bezinning op de levensovertuiging die ten grondslag ligt aan geestelijke genootschappen. Het bestaan van een geestelijk genootschap is af te leiden uit een formele structuur en een levensbeschouwing kan blijken uit een samenstel van principes, regels of tradities met een historische inbedding en herkenbaarheid. Voor spirituele bewegingen – die in de praktijk zelden geformaliseerd zijn – kan de doorslag geven dat de betreffende instelling die gebruik maakt van gebouwen waarin spiritualiteit wordt beoefend, een formele structuur en een meeromvattende levensbeschouwing aannemelijk kan maken door bijvoorbeeld te verwijzen naar een samenstel van principes, filosofieën en tradities die ten grondslag liggen aan de spirituele activiteiten waardoor deze activiteiten verder gaan dan slechts een individuele zelfontplooiing.
De vraag rijst of dit een verschil in behandeling tussen religieuze en levensbeschouwelijke instellingen enerzijds en spirituele instellingen anderzijds oplevert. Voor de beantwoording van deze vraag is allereerst van belang of er sprake is van gelijke gevallen. Zoals ik in hoofdstuk 1 Inleiding heb uiteengezet, is voor mijn onderzoek sprake van gelijke gevallen bij rsli’s als de ten grondslag liggende levensbeschouwing voldoet aan de EHRM-vereisten van een bepaalde mate van overtuigingskracht, ernst, samenhang en belang. Dus voor zover een rsli geen geestelijk genootschap vormt met een daaraan ten grondslag liggende levensovertuiging die voldoet aan de EHRM-vereisten, is er voor mijn onderzoek geen sprake van gelijke gevallen en dus ook niet van een onderscheid in fiscale behandeling.
Ik constateer bij de toetsing van de anbi-faciliteiten ozb alleen een verschil in de fiscale behandeling van rsli’s en andere anbi’s en onderzoek hierna de rechtvaardigingsgronden daarvoor.
7.8.2.1 Het onderscheid7.8.2.2 Rechtvaardigingsgronden