Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.3.6.4.2
9.3.6.4.2 De vatbaarheid van een wilsrecht voor beslag
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648754:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Steneker 2019, nr. 126.
Dit betekent overigens niet dat de beslaglegger zelf bevoegd is om het wilsrecht tot conversie uit te oefenen. Hij is wel bevoegd om de obligatie, die nog niet geconverteerd is, over te dragen (executie). De verkrijger kan vervolgens het conversierecht uitoefenen. Zie Prinsen 2004, p. 96.
In geval van hoofdelijke aansprakelijkheid zijn de hoofdvordering en de 403-vordering separate zelfstandige vermogensrechten. Beide vorderingen zijn vatbaar voor afzonderlijk beslag. Wanneer een partij inningsbevoegd is ten aanzien van de ene vordering, dan vloeit daaruit niet de inningsbevoegdheid ten aanzien van de andere vordering voort, zie Steneker in zijn noot (sub 6) onder Rb. Amsterdam 13 mei 2009, JOR 2009/213. Dit maakt het leggen van effectief beslag ingewikkeld. Zie Biemans 2011, 5.8.3.1: “Is een derde slechts ten aanzien van een van beide vorderingen inningsbevoegd, dan zijn de rechtsgevolgen daarvan vanwege de kwalificatie van hoofdelijke aansprakelijkheid ingewikkeld. Zou de Hoge Raad ervoor gekozen hebben om de 403-vordering te kwalificeren als een vorm van borgtocht, dan was dit anders geweest. De les uit het arrest ING/Akzo Nobel is dat bij voorkeur beide vorderingen moeten worden bezwaard, beslagen of onder bewind gesteld.”
Echter, wanneer het wilsrecht is uitgeoefend, is geen sprake meer van een wilsrecht en is alsnog een zelfstandige vordering ontstaan waarop specifiek beslag zal moeten worden gelegd.
Wanneer de beslagene het wilsrecht zelf uitoefent, leidt dit tot het ontstaan van een vordering op de consoliderende rechtspersoon. Het wilsrecht vervalt. Betoogd wordt dat zowel voor als na het uitoefenen van het wilsrecht beslag kan worden gelegd op de vordering. Zie Steneker (2019) die verwijst naar artikel 475 lid 1 Rv: De vordering wordt rechtstreeks verkregen uit een reeds bestaande rechtsverhouding.
Met betrekking tot de vraag of het wilsrecht dat voortvloeit uit een 403-verklaring vatbaar is voor overdracht, wordt verwezen naar de voorgaande paragrafen.
Zie Asser/Steneker 2019. Zie voorts Van Emden, noot bij Gerechtshof Amsterdam 9 februari 2010, JOR 2010/171, die stelt dat beslag mogelijk is omdat voor de uitoefening van het wilsrecht sprake is van een reeds bestaande vordering onder opschortende voorwaarde. Anders: Biemans 2009, p. 99-100. Biemans stelt dat beslag op een wilsrecht, waarvan de uitoefening leidt tot een vorderingsrecht, niet mogelijk is omdat voor de uitoefening van het wilsrecht geen vordering en geen rechtsverhouding in de zin van art. 475 lid 1 Rv bestaat.
Alvorens de vraag te stellen of beslag op een wilsrecht, dat voortvloeit uit een 403-verklaring, mogelijk is, zal de vraag moeten worden gesteld of beslag op de hoofdvordering niet reeds beslag op wilsrecht om de consoliderende rechtspersoon aan te spreken omvat:1
“Denkbaar is voorts dat een beslag op een goed mede een aan dat goed verbonden wilsrecht omvat. In door de wet genoemde gevallen is de beslaglegger bevoegd om dat wilsrecht uit te oefenen. Zo kan de schuldeiser die beslag heeft gelegd op een vordering, onder omstandigheden het wilsrecht tot opzegging uitoefenen, om de vordering daarmee opeisbaar te maken (art. 477 lid 4 Rv). Ook als de beslaglegger niet bevoegd is om het wilsrecht uit te oefenen, is wel denkbaar dat het wilsrecht bij executoriale overdracht van het beslagen goed als nevenrecht (art. 6:142 BW) mee overgaat, zodat de executiekoper bevoegd wordt om het wilsrecht uit te oefenen.”
Zo wordt aangenomen dat beslag op converteerbare obligaties en royeerbare certificaten tevens het beslag omvat op het daaraan gekoppelde wilsrecht.2
Aangezien er geen jurisprudentie is op dit vlak, is niet met zekerheid te zeggen of beslag op de hoofdvordering tevens het beslag op de 403-vordering omvat wanneer sprake is van een wilsrecht. Wanneer ingevolge de regels van hoofdelijkheid sprake is van twee zelfstandige vermogensrechten, zoals thans de heersende leer is, dan is voor het leggen van een effectief beslag nodig dat alle hoofdelijke vorderingsrechten worden beslagen.3 Mogelijk kan die complexiteit worden voorkomen wanneer de wilsrechttheorie wordt aangenomen.4 Om praktische redenen is het dan verdedigbaar dat het beslag tevens het wilsrecht, dat uit een 403-verklaring voortvloeit, omvat. Zeker wanneer de beslaglegger niet wordt aangemerkt als een partij die zelfstandig een beroep kan doen op de 403-verklaring. Daarnaast is het ongewenst wanneer het wilsrecht niet onder het beslag valt als dat betekent dat de beslagen schuldenaar het wilsrecht behoudt en alsnog de consoliderende rechtspersoon aan kan spreken.5 Zo zou het eenvoudig zijn om het beslag te kunnen frustreren hetgeen afbreuk doet aan een juist verloop van het rechtsverkeer.
Wordt geoordeeld dat beslag op de hoofdvordering niet tevens beslag op het wilsrecht omvat, dan rijst de vraag of beslag op het wilsrecht kan worden gelegd. Betoogd wordt dat beslag op een wilsrecht mogelijk is wanneer het betreffende wilsrecht vatbaar is voor overdracht.6 Op deze zienswijze bestaat wel kritiek.7