Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/3.4.3:3.4.3 Structuurregeling
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/3.4.3
3.4.3 Structuurregeling
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS607844:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De structuurregeling is bedoeld als een vorm van bestuur en toezicht in grote ondernemingen waarin de ava te weinig tegenwicht kan bieden aan het bestuur. Door de regeling verschuift de zeggenschap van de ava naar de RvC. Werknemersmedezeggenschap is een ander belangrijk doel. In art. 2:262 (152) BW en volgende is de regeling voor de BV en NV uitgewerkt. In de regeling spelen verschillende verbondenheidsbegrippen een rol, namelijk de ‘afhankelijke maatschappij’, ‘groepsmaatschappijen’ en ‘deelnemingen’, de joint venture en de eenmans-BV.
Afhankelijke maatschappij
Bij de beantwoording van de vraag of is voldaan aan de criteria van art. 2:263 (153) lid 2 BW, wordt het aantal werknemers en de ondernemingsraad van de rechtspersoon zelf in acht genomen, alsmede die van de maatschappijen die van haar afhankelijk zijn. In dit verband heeft het begrip ‘afhankelijke maatschappij’ naar mijn mening een obligatoire functie, en met name een vereenzelvigingsfunctie.
Er is sprake van een ‘afhankelijke maatschappij’ in de zin van art. 2:262 (152) onderdeel a BW bij het bezit van ten minste 50% van het geplaatste kapitaal. Er is dus niet gekozen voor aansluiting bij de begrippen ‘dochtermaatschappij’ of ‘groep’ in de zin van art. 2:24a en 2:24b BW. Overigens duidt het formeel-juridische 50%-criterium op het belang van financiële verbondenheid voor de omschrijving van verbondenheid.
Op basis van art. 2:263 (153) lid 3 onderdeel a BW geldt voor een afhankelijke maatschappij zelf een vrijstelling van de structuurregeling. Bartman en Dorresteijn (2006) spreken in dit verband van de ‘dochtervrijstelling’. Hierin kan naar mijn mening ook een facilitaire functie van het begrip ‘afhankelijke maatschappij’ worden herkend.
Groepsmaatschappijen en deelnemingen
In art. 2:263 (153) lid 3 onderdeel b BW is een vrijstelling van de structuurregeling opgenomen voor vennootschappen die zich uitsluitend bezighouden met het beheer en financiering van ‘groepsmaatschappijen’ en ‘deelnemingen’. Bartman en Dorresteijn noemen dit de ‘holdingvrijstelling’. Dit getuigt eveneens van een facilitaire functie van de begrippen ‘groep’ en ‘deelneming’.
Overigens is opvallend dat voor de toepassing van deze holdingvrijstelling weer wel wordt aangesloten bij de terminologie van art. 2:24b en 2:24c BW.
Joint venture
Voorts geldt op basis van art. 2:263 (153) lid 3 onderdeel d BW een vrijstelling van het structuurregime voor joint ventures; dit is de ‘joint venture’-vrijstelling. Van een ‘joint venture’ is sprake indien een vennootschap ten minste 50% van het geplaatste kapitaal verschaft, op basis van een onderlinge regeling tot samenwerking. Het begrip kent een facilitaire functie.
Eenmans-BV
Op basis van art. 2:265a (155a) lid 1 onderdeel a BW geldt voor de toepassing van de structuurregeling een verplicht regime ten aanzien van een vennootschap waarin een natuurlijk persoon het gehele aandelenkapitaal verschaft. Op basis van dit verlichte regime blijft de ava bevoegd om bestuurders te benoemen en te ontslaan. De uitzondering geldt ook in situaties waarin het gehele kapitaal in het kader van een samenwerkingsovereenkomst wordt verschaft door twee of meer natuurlijke personen. Dit duidt op organisatorische verbondenheid, en op een facilitaire functie.
Op basis van art. 2:265a (155a) lid 2 BW wordt de echtgenoot of geregistreerde partner gelijkgesteld met een aandeelhouder in de zin van art. 2:265a (155a) lid 1 BW. Voorts kunnen de bloedverwanten in de rechte lijn worden gelijkgesteld met een aandeelhouder, mits zij met de aandeelhouder een samenwerkingsovereenkomst zijn aangegaan. Hierin kan ook een aangrijpingspunt worden gevonden voor verbondenheid tussen natuurlijke personen. Tegelijkertijd kan hierin een vereenzelvigingsfunctie van de genoemde verbonden personen worden herkend.