Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures
Einde inhoudsopgave
Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures (IVOR nr. 129) 2023/8.7:8.7 Conclusie
Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures (IVOR nr. 129) 2023/8.7
8.7 Conclusie
Documentgegevens:
mr. H.J. de Kloe, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. H.J. de Kloe
- JCDI
JCDI:ADS708421:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoewel een WHOA-akkoord een forse inbreuk kan maken op de (eigendoms)rechten van schuldeisers, hebben schuldeisers onder de WHOA weinig formele bevoegdheden om invloed uit te oefenen op de totstandkoming van het akkoord. Schuldeisers kunnen slechts, naast het uitbrengen van hun stem, verzoeken om de aanstelling en het ontslag van een herstructureringsdeskundige en om afwijzing van de homologatie van het akkoord. Omdat schuldeisers die geraakt worden door een afkoelingsperiode, ook de bevoegdheid hebben een zienswijze te geven op een verlengingsverzoek, te verzoeken de afkoelingsperiode op te heffen en om voorzieningen te vragen, kunnen schuldeisers meer bevoegdheden naar zich toe trekken door een faillissementsverzoek in te dienen. Mede om die reden is het naar mijn mening wenselijk dat schuldeisers hoe dan ook de bevoegdheid hebben te verzoeken tot het treffen van voorzieningen. Een van de voorzieningen die getroffen kan worden, is de instelling van een schuldeiserscommissie. Onder omstandigheden kan de instelling van een schuldeiserscommissie een positieve en legitimerende bijdrage leveren aan de totstandkoming van een akkoord.
Schuldeisers kunnen bezwaren tegen een voorgelegd akkoord voorleggen aan de akkoordaanbieder, die dan de mogelijkheid heeft een artikel 378-verzoek in te dienen bij de rechtbank. Gaat de akkoordaanbieder niet over tot de indiening van een artikel 378-verzoek, dan kan de schuldeiser verzoeken de homologatie van het akkoord te weigeren. Met name voor kleinere schuldeisers is het verschuldigde griffierecht een te hoge drempel, maar een ander bezwaar is dat de rechtbank het akkoord uitsluitend kan homologeren of de homologatie kan weigeren. Een (formele) tussenweg is er niet. Dat terwijl het mogelijk is dat een schuldeiser terechte bezwaren opwerpt tegen het akkoord, terwijl hij geen belang heeft bij weigering van de homologatie. Ik heb twee alternatieve voorstellen gedaan om dit alles-of-niets karakter van het akkoord weg te nemen. Ten eerste kan de bevoegdheid om een artikel 378-verzoek in te dienen ook worden toegekend aan schuldeisers en ten tweede kan de rechtbank de mogelijkheid worden toegekend mede op verzoek van schuldeisers pas te beslissen op een homologatieverzoek nadat een gewijzigd akkoord conform aanwijzingen van de rechtbank kan worden voorgelegd.
Om mijn aanbevelingen over te nemen is een wetswijziging nodig. Om schuldeisers de bevoegdheid te geven een verzoek in te dienen tot het treffen van voorzieningen, moet die bevoegdheid worden toegevoegd aan artikel 379 Fw. Een wetswijziging is ook nodig om schuldeisers de bevoegdheid toe te kennen een artikel 378-verzoek in te dienen of om de rechtbank de mogelijkheid te bieden aan de akkoordaanbieder een gewijzigd akkoord voor te leggen voordat wordt beslist op het homologatieverzoek. Een wetswijziging is gewenst om duidelijk te maken dat alle schuldeisers, dus ook schuldeisers die niet hebben verzocht om de homologatie van het akkoord te weigeren, een schriftelijke zienswijze in kunnen dienen over het homologatieverzoek en ter zitting mondeling hun standpunt over het homologatieverzoek kenbaar kunnen maken. Tot slot moet de Wgbz worden gewijzigd om voor het indienen van verzoek tot afwijzing van het homologatieverzoek lagere griffierechten te heffen.