Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/1.3.4
1.3.4 Kwalitatieve inhoudsanalyse
1
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713167:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor nadere informatie over de hier gehanteerde kwalitatieve methode: Bijlage I.
In een verkennend onderzoek in de database van De rechtspraak is gezocht op: ‘Babbel’ en ‘ECLI:NL:HR:1979:AH8595’ en ‘NJ 1980/34’ en ‘NJ 1980, 34’. Vervolgens heb ik de zoekresultaten gefilterd op: ‘civiel recht’, ‘gerechtshoven’ en ‘rechtbanken’. De zaken over toerekening van kennis heb ik terzijde geschoven. Ook de zaken waarin de gedaagde een publiekrechtelijk rechtspersoon of een particulier was, heb ik niet meegenomen. Ik heb voor het laatst gezocht op 30 augustus 2022. Ik heb slechts dertien uitspraken gevonden. Het ging om: Gerechtshof 23 augustus 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2909; Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 april 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:2959; Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 19 mei 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1583; Gerechtshof Amsterdam 3 november 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:2933; Rb. Zwolle-Lelystad 10 februari 2010, ECLI:NL:RBZLY:2010:BM3669; Rb. Oost-Brabant 16 februari 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:2529; Rb. Oost-Brabant 25 oktober 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:5625; Rb. Zeeland-West-Brabant 15 november 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:7468; Rb. Amsterdam 17 juni 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:3079; Rb. Zeeland-West-Brabant 4 mei 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:2275; Rb. Noord-Nederland 16 maart 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:1066; Rb. Amsterdam 18 mei 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2714. In een aantal van deze uitspraken ging het overigens ook niet om een onrechtmatigedaadsvordering.
Schaap heeft in haar dissertatie een feitenrechtspraakanalyse uitgevoerd naar de vaststelling van het daderschap van de rechtspersoon in het strafrecht (Schaap 2022). Uit haar onderzoek komen verschillende gevallen naar voren waarin de strafrechter expliciet dan wel impliciet stilstaat bij het daderschap van de rechtspersoon. Dit beeld is niet op deze manier terug te zien in het privaatrecht. Een reden hiervoor kan zijn dat het Wetboek van Strafrecht in art. 51 een bepaling kent over het daderschap van de rechtspersoon. Een andere mogelijke verklaring is het verschil in karakter tussen de rechtsgebieden (het strafrecht is vooral gericht op bestraffing, terwijl het buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht van oudsher vooral is gericht op compensatie). Verder is een mogelijk verschil dat de strafkamer van de Hoge Raad ten aanzien van het daderschap van de rechtspersoon nadere toepassingsregels heeft gegeven (het zogenaamde ‘Drijfmestkader’), terwijl de civiele kamer van de Hoge Raad ten aanzien van het daderschap van de rechtspersoon heeft volstaan met de verwijzing naar ‘het maatschappelijk verkeer’. Overigens komt Schaap tot de conclusie dat het lastig is gebleken op basis van de feitenrechtspraak duidelijke toepassingsregels te formuleren (p. 571).
Om deze reden ligt een kwantitatieve inhoudsanalyse niet voor de hand. Zie voor een overzicht van een kwantitatieve inhoudsanalyse: de standaardwerken van Neuendorff en Krippendorff: Neuendorf 2002; Krippendorff 2013. Zie voor (kwantitatieve en kwalitatieve) voorbeelden van inhoudsanalyses in de rechtswetenschappen: Van Wijk-Verhagen 2018; Wijntjens 2020; Mol 2022.
Schreier 2012, p. 1.
Hall & Wright, California Law Review 2008, p. 64; Hall 2011, p. 4.
Schreier 2012, p. 5-6.
Bijlage I.
Controleerbaarheid is immers een belangrijke kwaliteitseis voor (rechts)wetenschappelijk onderzoek: Tijssen 2009, p. 46 e.v; Snel 2016, p. 34.
Op deze manier wordt voorkomen dat de validiteit van het onderzoek slechts gelegen is in de status van de onderzoeker en niet zozeer in de methode. Vgl. Hall & Wright, California Law Review 2008, p. 79.
Schreier 2012, p. 24-25.
Voor een meer uitgebreide beschrijving van het opzetten van de kwalitatieve inhoudsanalyse, zie Bijlage I.
Om de vraag te kunnen beantwoorden of de feitenrechter de hoedanigheid van ondernemer meeweegt bij zijn oordeel omtrent de onrechtmatigheid en de toerekenbaarheid, en, indien dit het geval is, wat het effect hiervan is (hoofdstuk 8), is de lagere rechtspraak systematisch in kaart gebracht. De kwalitatieve inhoudsanalyse is niet aangewend om de op basis van juridisch-dogmatisch onderzoek geformuleerde theorie (hoofdstuk 6, 7 en 8) te bewijzen of te falsificeren. Ook vormt het niet de bron van de theorie. Het doel is de beschrijving van de doorwerking van de hoedanigheid van ondernemer in de feitenrechtspraak en de signalering van eventuele leemtes.
Er is geen vergelijkbare systematische rechtspraakanalyse uitgevoerd naar de betekenis van de hoedanigheid van ondernemer bij het vaststellen van daad en daderschap (hoofdstuk 5). De reden daarvoor is dat de rechter doorgaans niet stilstaat bij de vereisten van daad en daderschap.2 Het daderschap van de rechtspersoon wordt in veel gevallen impliciet aangenomen of staat niet ter discussie. Een systematische rechtspraakanalyse van een zeer klein aantal uitspraken is mijns inziens vruchteloos. Het is lastig om op basis van een beperkt aantal uitspraken een overkoepelende theorie te formuleren.3
De onderzoeksvraag en de doelstelling vragen om een diepgaande interpretatie en analyse van de motivering van de rechter. Daarbij is minder van belang de kwantitatieve conclusie in hoeveel uitspraken de hoedanigheid van onderneming wordt meegenomen door de rechter bij zijn oordeelsvorming.4 Gelet op deze doelstelling, maakt dit proefschrift gebruik van een kwalitatieve inhoudsanalyse. Een kwalitatieve inhoudsanalyse is een methode om data systematisch te beschrijven, classificeren en analyseren aan de hand van verscheidene categorieën (samengevat in een codeerschema).5 Deze methode is bij uitstek geschikt voor het analyseren van materiaal dat om enige mate van interpretatie vraagt, zoals rechterlijke uitspraken. Rechtsoverwegingen zijn niet in alle gevallen even evident en inbedding van de door de rechter gekozen route in het juridisch discours vergt enige mate van interpretatie. De toepassing van de kwalitatieve inhoudsanalyse kan deze interpretatieverschillen tot een minimum beperken.
Een kwalitatieve inhoudsanalyse is nauw verwant aan juridisch-dogmatisch onderzoek. In beide gevallen gaat het om het lezen en interpreteren van (grote hoeveelheden) tekst, het vinden van overeenkomsten en verschillen, en het toedelen van betekenis aan een bepaalde rechtsoverweging of uitspraak.6 De meerwaarde van een kwalitatieve inhoudsanalyse is ten eerste gelegen in het systematische karakter van deze methode. Kwalitatieve inhoudsanalyse volgt dezelfde volgorde van stappen: het opstellen van een onderzoeksvraag; het selecteren van materiaal; het opstellen van een codeerschema; het verdelen van geselecteerd materiaal in verscheidene units of coding; de testfase van het codeerschema; de evaluatie van het codeerschema; het coderen van al het geselecteerde materiaal aan de hand van de herziene versie van het codeerschema; het interpreteren en presenteren van resultaten.7 Door middel van het systematisch vastleggen van de methodologische keuzes kan de consistentie binnen het onderzoek gewaarborgd blijven. Deze consistentie kan immers, gezien het grote aantal vonnissen dat voor analyse in aanmerking komt, een validiteitsrisico vormen voor dit onderzoek.8 Het tweede voordeel is dat het onderzoek aan de hand van de kwalitatieve inhoudsanalyse controleerbaar wordt. Door de doorlopen stappen nauwgezet te documenteren, kan het onderzoek in principe worden herhaald door een andere onderzoeker. Dit versterkt de validiteit van het onderzoek.9 De kwalitatieve inhoudsanalyse maakt het mogelijk om makkelijker bij te houden hoe rechtspraak is geselecteerd en voorkomt zo dat het selectieproces niet transparant (en daarmee niet herhaalbaar) is.10 Ten derde kenmerkt de kwalitatieve inhoudsanalyse zich door een inductieve kennisvergaring, waarbij de theorievorming geschiedt aan de hand van de data. De categorieën (‘codes’) worden dus niet vooraf aan de hand van andere theorieën opgesteld en vervolgens getoetst aan de data. De data fungeren eveneens als middel om de codes op te stellen. Op deze wijze ontstaat een meer organisch, flexibel proces.11 Dit wil echter niet zeggen dat bestaande theorieën of concepten niet gebruikt kunnen worden bij het opstellen van het codeerschema, maar dat deze niet per definitie leidend zijn.12