Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/3.3.6.5:3.3.6.5 Slotsom
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/3.3.6.5
3.3.6.5 Slotsom
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS495410:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hiervoor heb ik stilgestaan bij de ratio en de reikwijdte van art. 90 lid 2 Btw-richtlijn. Ik heb vastgesteld dat de ratio van deze afwijkingsbepaling moet worden gevonden in de mogelijke onzekerheid over de oninbaarheid van een vordering. Ik heb betoogd dat lidstaten alleen dan een van art. 90 lid 1 Btw-richtlijn afwijkende bepaling mogen implementeren als deze beantwoordt aan de ratio van art. 90 lid 2 Btw-richtlijn en wanneer de beginselen van de btw worden gerespecteerd. Hetzelfde geldt voor modaliteiten die in dat verband zouden worden gesteld; deze mogen geen afbreuk doen aan bijvoorbeeld het neutraliteits- en het evenredigheidsbeginsel. Met betrekking tot de reikwijdte van art. 90 lid 2 Btw-richtlijn heb ik betoogd dat lidstaten een keuzemogelijkheid hebben. Zij mogen niet-betaling geheel uitsluiten of dienen art. 90 lid 1 Btw-richtlijn met huid en haar te implementeren. Dit laatste veronderstelt dat lidstaten zowel in gevallen waarin de vordering definitief oninbaar is als die waarin de oninbaarheid onzeker is, moeten voorzien in een verlaging van de maatstaf van heffing. Lidstaten mogen de verlaging van de maatstaf van heffing dan niet beperken tot gevallen waarin de niet-betaling definitief is. Een nationale regeling, op grond waarvan bepaalde (onzekere) gevallen van de herziening worden uitgesloten, moet dan ook in strijd worden geacht met de Btw-richtlijn. In die gevallen mogen lidstaten de herziening bij niet-betaling wel uitstellen (dus niet onmiddellijk te laten plaatsen), mits (wederom) voornoemde beginselen worden geëerbiedigd. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het stellen van een redelijke termijn. Lidstaten die desondanks willen uitsluiten dat zij in onzekere gevallen ten onrechte overgaan tot het verlagen van de maatstaf van heffing, lijken een alternatief achter de hand te hebben. Dit alternatief bestaat in een verhoging van de maatstaf van heffing wanneer op een later moment alsnog wordt betaald. Ik heb beargumenteerd dat dit evenwel op gespannen voet staat met het wezen van art. 90 Btw-richtlijn en het rechtszekerheidsbeginsel als beginsel van primair Unierecht.