Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/3.4.6
3.4.6 Sub 2 en 5: ‘de kinderhandelaar en kinderuitbater’
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS384974:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook § 3.3.5 (uitbuiting van strafbare activiteiten) waarin onder meer zijn besproken Rb Midden-Nederland 9 juli 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:2679, Rb Gelderland 21 december 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:8040 en Rb Midden-Nederland 28 juli 2015, ECLI: NL:RBMNE:2015:5642.
Rb Midden-Nederland 9 juli 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:2679 (Supermarktdiefstal kleindochter). Naast sub 2 zijn in deze zaak ook sub 4 tweede deel en sub 6 bewezen verklaard.
De gestolen waarde betrof € 60,-.
Rb Den Haag 26 augustus 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:10605 (Woninginbraak met minderjarige jongens).
Rb Noord-Nederland 25 juni 2013, ECLI:NL:RBNNE:2013:3918, 3919, 3920 en 3921 (Gedwongen straatkrantverkoop I).
Gelet op de focus van deze dissertatie houd ik de bespreking van dit onderdeel daarom beperkt in vergelijking tot sub 2.
Alink & Wiarda 2010, p. 228.
Alink & Wiarda 2010, p. 228.
Van der Meij in T&C Sr, art. 273f Sr aant. 9h.
Het tweede sublid stelt strafbaar de persoon die een minderjarige werft, vervoert, overbrengt, huisvest of opneemt met het oogmerk van uitbuiting of de verwijdering van de organen van die minderjarige. Eenvoudig gesteld betreft het hier de kinderhandelaar. Het is een specialis van sub 1, alleen gericht op minderjarigen. Sub 2 is – net zoals sub 1 – in 2005 ingevoerd ter implementatie van het VN Protocol mensenhandel. Anders dan bij sub 1 hoeft bij dit onderdeel geen beïnvloedingsmiddel bewezen te worden. De handelaar in kinderen kan derhalve gemakkelijker aangepakt worden dan de handelaar in volwassenen. Dit komt tegemoet aan de internationale anti-mensenhandel verdragen (zie uitgebreid hierover § 5.3).
In de praktijk wordt dit sublid vaak naast andere subleden (onderdeel 4 en 6) ten laste gelegd. In diverse zaken leidde het onderdeel tot veroordelingen van mensenhandel omdat de verdachten minderjarigen hebben aangezet tot criminele activiteiten.1 Zo acht de Rechtbank Midden-Nederland bewezen dat verdachte zijn kleindochter heeft vervoerd en overgebracht met het oogmerk van uitbuiting.2 De verdachte heeft zijn kleindochter ertoe aangezet een diefstal in een Albert Heijn te begaan.3 Hier wordt duidelijk dat bij een ruime definitie van uitbuiting, snel tot een bewezenverklaring van dit sublid kan worden gekomen. Het vervoeren van een minderjarige naar de supermarkt zodat deze daar een diefstal kan plegen is voldoende (handeling en oogmerk van uitbuiting).
Ook de zaak van de Rechtbank Den Haag betreft uitbuiting van criminele activiteiten.4 Het gaat om een woninginbraak door de neefjes van verdachte, ten tijde van de inbraak respectievelijk 12 en 14 jaar oud. Verdachte heeft hen naar de betreffende woning gereden. De slachtoffers waren gelet op hun leeftijd, familierelatie, de onbekendheid met de omgeving en taal van het land (beiden Franstalig en woonachtig in België) in een kwetsbare en afhankelijke positie ten opzichte van verdachte.
Opvallend is dat in de zaken zowel sub 2 als sub 4 (tweede deel) is bewezen verklaard. Voor sub 4 is een beïnvloedingsmiddel vereist (in beide casu: misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie), maar hoeft het oogmerk van uitbuiting niet te worden bewezen. Voor sub 2 is nu juist het beïnvloedingsmiddel niet geboden, maar dient wel het oogmerk van uitbuiting aanwezig te zijn. De verschillende vereisten leiden tot dezelfde kwalificatie mensenhandel en zijn hier allebei ten laste gelegd en bewezen verklaard. Het was in deze twee zaken overigens óók mogelijk geweest de gedragingen strafbaar te stellen onder het doen plegen van een diefstal dan wel woninginbraak, artikel 47 lid 1 sub 1 Sr jo 310 resp. 311 Sr. De kleindochter en de neefjes zijn immers als willoos werktuig gebruikt in een eenmalige roof dan wel inbraak. Hoofdstuk 6 gaat hier nader op in.
Een ander voorbeeld betreft het vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland waarin een bewezenverklaring volgt van onderdeel 1, 2, 4 eerste deel en onderdeel 6.5 Het Roemeense minderjarige slachtoffer werd gedwongen zes lange dagen per week kranten te verkopen op straat (ongeacht de weersomstandigheden) waarvan zij de opbrengsten moest afstaan aan verdachten en in de avonden huishoudelijk werk te verrichten. In dit geval was het ‘ruimere’ sub 2 dus zelfs ten laste gelegd naast sub 1, terwijl beide bepalingen zijn gericht op ‘de handelaar’ (en de specialis voor kinderen in sub 2 meer geëigend is). Ten aanzien van het minderjarige slachtoffer was gebruik gemaakt van beïnvloedingsmiddelen, te weten dwang, bedreiging, misleiding en misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie.
De vraag is wat sub 2 in de praktijk daadwerkelijk toevoegt aan sub 1. Vaak zal het bij minderjarige slachtoffers namelijk niet heel lastig zijn om – gelet op de jeugdige leeftijd van het slachtoffer – misbruik van een kwetsbare of afhankelijke positie te bewijzen. Sub 2 is eigenlijk ingevoerd om de handelaar in kinderen nog gemakkelijker te kunnen vervolgen, maar dit heeft in de praktijk nauwelijks betekenis. In de zaken die zijn gewezen, was het onderdeel niet noodzakelijk om tot een bewezenverklaring te komen. De zaken hadden eveneens enkel op basis van sub 1 tot een veroordeling kunnen leiden. In hoofdstuk 6 wordt hierop teruggekomen.
Sub 5 behelst de situatie waarin de dader een minderjarige ertoe brengt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling of zijn organen tegen betaling ter beschikking te stellen dan wel enige handeling onderneemt waarvan hij weet (opzet) of redelijkerwijs moet vermoeden (culpa) dat de minderjarige zich hiertoe beschikbaar stelt. Dit sublid richt zich op de strafbaarstelling van de kinderuitbater. Het is gebaseerd op de oude Nederlandse strafbaarstelling van mensenhandel uit 1994 en naar aanleiding van de implementatie van het VN Protocol mensenhandel uitgebreid met orgaanverwijdering. Dit onderdeel betreft de specialis van sub 4, enkel gericht op minderjarigen.
Net zoals bij de strafbaarstelling van de ‘kinderhandelaar’ (sub 2) ontbreekt hier de eis van het gebruik van dwangmiddelen zodat kinderen in het bijzonder tegen uitbuiting – meer specifiek seksuele uitbuiting of orgaandonatie – kunnen worden beschermd. De wetgever heeft de strafbepaling beperkt tot het verrichten van seksuele handelingen en het beschikbaar stellen van organen.6 Anders dan de verwante sub 4, valt de overige uitbuiting er buiten.7 De reikwijdte zou anders te groot zijn. Al het werk waartoe een minderjarige wordt bewogen zou dan immers kunnen worden gekwalificeerd als mensenhandel, hetgeen niet in overeenstemming is met de ratio van de strafbepaling. Alleen de uitbating van een kind in de seksuele dienstverlening en orgaandonatie kwalificeert de wetgever als uitbuiting. Voor de overige vormen van dienstverlening kan worden teruggevallen op onderdeel 4°, waarbij een beïnvloedingsmiddel dient te zijn ingezet.8 Het bewegen van kinderen tot het hebben van seks ‘zonder betaling’ valt niet onder sub 5 en is strafbaar onder de artikelen 247 en 250 Sr. Het bewegen van een kind om zijn organen ‘om niet’ ter beschikking te stellen valt buiten het bereik van mensenhandel.9 Om optimale bescherming te kunnen bieden is de omstandigheid dat het slachtoffer de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt geobjectiveerd.10 Een dader kan zich dus niet verweren door te stellen dat hij niet wist dat hij met een minderjarig slachtoffer van doen had. Hij wordt geacht hiervan op de hoogte te zijn.
Net zoals sub 2 ten opzichte van sub 1 van weinig betekenis is, geldt dat ook voor dit onderdeel ten opzichte van sub 4. Het is bij minderjarige slachtoffers – gelet op de jeugdige leeftijd – eenvoudiger tot een bewezenverklaring te komen van misbruik van een kwetsbare positie. Een vereist beïnvloedingsmiddel zou in de praktijk dus niet per se belemmerend hoeven te werken.