Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/2.2.3.1
2.2.3.1 Inleiding
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS473178:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. HR 7 februari 1902, W 1902/7720; HR 21 januari 1926, NJ 1926/445, m.nt. P. Scholten; alsmede HR 25 januari 1929, NJ 1929/616, m.nt. P. Scholten (Bierbrouwerij) en HR 21 juni 1929, NJ 1929/1096 (Hakkers/Van Tilburg) voor de erkenning van respectievelijk de rechtsfiguren van eigendomsvoorbehoud, huurkoop en fiduciaire zekerheidsoverdracht van roerende zaken. Zie hierover ook C.J.H. Jansen 1999.
Vgl. Wiarda 1940, p. 1.
Vgl. C.J.H. Jansen 1999, p. 7-8. Vgl. ook W. Snijders 1970, p. 29, over een ontwikkeling die zich aanvankelijk op de lijn bevindt van Frankrijk en België (dat wil zeggen: ad hoc wettelijke regelingen afgestemd op concrete behoeftes), maar die uiteindelijk in de Duitse richting (dat wil zeggen: rechterlijke erkenning van nieuwe financieringsvormen) opschuift.
14. De verschaffing van zekerheid op toekomstige goederen wint aan aandacht en belang in het begin van de twintigste eeuw. De aandacht voor deze figuur werd vermoedelijk in het bijzonder gevoed door twee omstandigheden. In de eerste plaats kenmerkt het begin van de twintigste eeuw zich door een toenemende kredietbehoefte als gevolg van de industriële ontwikkelingen in Nederland. De toegenomen kredietbehoefte ging gepaard met de wens van financiers tot verruiming van de mogelijkheden om zekerheid te verwerven. Zo werden in de eerste helft van de twintigste eeuw nieuwe financieringsconstructies met succes beproefd, zoals het eigendomsvoorbehoud, de huurkoop en de fiduciaire zekerheidsoverdracht van roerende zaken.1 De wens om ook zekerheid op de toekomstige vermogensbestanddelen van een zekerheidsverschaffer te verkrijgen, past binnen deze tendens.2 In de tweede plaats zijn de juridische ontwikkelingen in naburige rechtsstelsels van invloed geweest op de ontwikkeling van de hiervoor genoemde nieuwe financieringsfiguren. Dit geldt in het bijzonder voor het Duitse recht. Het BGB was in 1900 in werking getreden en deze codificatie, alsmede de jurisprudentie van het Reichsgericht, vormden in deze periode een inspiratiebron voor de bewerking en ontwikkeling van het Nederlandse privaatrecht.3 De hiervoor genoemde nieuwe financieringsstructuren werden vaak rechtstreeks aan het destijds geldende Duitse recht ontleend. Ook voor de (zekerheids)overdracht van toekomstige goederen bood de Duitse jurisprudentie een voorbeeld. Alvorens een blik te werpen op het Duitse recht, wordt eerst aandacht besteed aan de ontwikkeling van het recht van Frankrijk en het recht van België, die destijds sterk verwant waren aan het Nederlandse recht.