Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie
Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/4.4.4:4.4.4 De Hoge Raad in Staleman/Van de Ven
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/4.4.4
4.4.4 De Hoge Raad in Staleman/Van de Ven
Documentgegevens:
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS349741:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360 m.nt. J.M.M. Maeijer en JOR 1997/29 (Staleman/Van de Ven).
R.o. 3.3.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Hoge Raad1 overwoog in cassatie vervolgens:
“Middel I is gericht tegen ’s Hofs oordeel (rov. 19) dat aan de directie in beginsel ‘een ernstig verwijt van onbehoorlijke taakvervulling kan worden gemaakt in de zin van art. 2:9 BW’. De door onderdeel 1 van het middel aangevoerde rechtsklacht betreft de maatstaf die behoort te worden gehanteerd bij de beantwoording van de vraag of een bestuurder die, zoals Staleman en Richelle, een natuurlijk persoon is en zijn taak in dienstbetrekking vervult, zozeer in een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak is tekortgeschoten dat hij krachtens art. 2:9 BW tegenover de rechtspersoon aansprakelijk is voor de schade welke deze als gevolg van die tekortkoming lijdt. Zoals het Hof en ook het onderdeel terecht tot uitgangspunt nemen, is voor aansprakelijkheid op de voet van art. 2:9 vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of in een bepaald geval plaats is voor een ernstig verwijt als hier bedoeld, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval.
Tot de in aanmerking te nemen omstandigheden behoren onder meer de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico’s, de taakverdeling binnen het bestuur, de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen, de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen, alsmede het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult.
In ’s Hofs overwegingen ligt besloten dat het Hof van de hier aangegeven maatstaf is uitgegaan. De rechtsklacht kan derhalve niet tot cassatie leiden. Zoals het Hof en ook het onderdeel terecht tot uitgangspunt nemen, is voor aansprakelijkheid op de voet van art. 2:9 BW vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt.”2
Uit het arrest van de Hoge Raad blijkt dat de term ‘ernstig verwijt’, die in de cassatieklacht werd gebruikt en die kort werd aangehaald door de A-G onder verwijzing naar Van Schilfgaarde’s Debrot-analogie, ineens een dragende term werd voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van de bestuurder. Hierna zal ik daar verder op ingaan.