De positie van de vennootschap onder firma
Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/11.4.3:11.4.3 Conclusie
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/11.4.3
11.4.3 Conclusie
Documentgegevens:
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS384642:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als inbreuk wordt gemaakt op goederen die behoren tot de vennootschappelijke gemeenschap, dan wordt daarmee inbreuk gemaakt op een eigen recht van de VOF. De VOF kan dan zelf bij het EHRM klagen over schending van art. 1 EP. Dat de VOF geen rechtspersoonlijkheid heeft en daarom de iure geen rechthebbende is van de vennootschappelijke goederen, is voor het EHRM niet relevant. Doorslaggevend is het feit dat de VOF de goederen de facto beheerst: de vennootschappelijke goederen zijn afgescheiden van de privévermogens van de vennoten en ondergeschikt aan het doel van de vennootschap. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan een afzonderlijke vennoot náást of in plaats van de VOF ageren. Het moet dan voor de VOF zelf onmogelijk zijn (geweest) om een klacht in te dienen en/of de vennoot moet feitelijk zijn bedrijf hebben uitgeoefend via de VOF. Voorwaarde is dat niet het risico wordt gelopen dat er meningsverschillen ontstaan tussen vennoten onderling of tussen bestuurders en niet-bestuurders over of en hoe gereageerd moet worden op de vermeende schending. Dit risico op meningsverschillen is bij een VOF al snel aanwezig: omdat de VOF altijd bestaat uit twee of meer vennoten, bestaat in elk geval de kans dat zij anders over zaken denken. Daarnaast kan men moeilijk zeggen dat een vennoot zijn bedrijf via de VOF uitoefent: de vennoten oefenen een gezamenlijk bedrijf uit en een individuele vennoot neemt slechts deel in dit gezamenlijke bedrijf. De vehicle-exceptie lijkt een individuele vennoot dus niet snel te kunnen baten. Geconcludeerd kan worden dat het EHRM een VOF wel en een individuele vennoot waarschijnlijk niet snel ontvankelijk zal verklaren in een klacht over inbreuk op het genot van een vennootschappelijk goed.