Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/4.3.1
4.3.1 Positive Economics
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS387028:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
M. Friedman, ‘The Methodology of Positive Economics’, in M. Friedman (ed.), Essays In Positive Economics, Chicago: University of Chicago Press 1962 (1e druk 1953), p. 3-43.
In deze zin Fox 2009, p. 75-76: “This essay became a landmark, the most famous of several similar manifestos produced by mathematically inclined young economists in those days. These papers marked the definitive dismissal from the economic mainstream of the institutionalists and their skepticism of theory.”
J.M. Keynes, The General Theory of Employment, Interest and Money, New York: Harcourt 1964 (1e druk 1936).
Ibid, p. 257-309 (hoofstukken 19-21).
R. Skidelsky, Keynes: the return of the master, London: Penguin Books 2010 (1e druk 2009), p. 81-82.
Ibid, p. 81.
Friedman 1953, p. 4.
Ibid.
Ibid, p. 7.
Ibid, p. 10-14.
Ibid, p. 40.
Ibid, p. 9.
Popper zelf had reeds eerder in een serie artikelen in de jaren ’30 en ’40 – later uitgewerkt tot het boek The Poverty of Historicism betoogd dat in zijn visie een ‘unity of method’ zou (moeten) bestaan tussen de natuurwetenschappen en de sociale wetenschappen. Zie K.R. Popper, The Poverty of Historicism, London: Routledge 2002 (1e druk 1957), p. 120-131.
Friedman 1953, p. 14-15.
Ibid, p. 40 (onderstreping in origineel weergegeven als cursief).
Op deze plaats dient ook te worden gewezen op Samuelson die in zijn standaardwerk Foundations of Economic Analysis reeds de economische wetenschap als een vorm van toegepaste wiskunde had voorgesteld. Zie P.A. Samuelson, Foundations of Economic Analysis, enlarged edition, Cambridge (Mass.): Harvard University Press 1983 (1e druk 1947). Illustratief voor de invloed van dit boek is de volgende uitspraak van de Amerikaanse hoogleraar economieR.E. Lucas (University of Chicago): “I loved the ‘Foundations’ (…). Like so many in my cohort, I internalized its view that if I couldn’t formulate a problem in economic theory mathematically, I didn’t know what I was doing. I came to the position that mathematical analysis is not one of many ways of doing economic theory, it is the only way. Economic theory is mathematical analysis. Everything else is just pictures and talk.” Zie Cassidy 2009, p. 98.
Naast de monetaire economie en politieke theorie was er nog een derde wetenschapsgebied waarop het werk van Friedman van grote invloed is geweest, te weten de methodologie van de economische wetenschap. Zijn essay ‘The Methodology of Positive Economics’1 uit 1953 en latere daarop gebaseerde geschriften zouden van belangrijke invloed blijken voor de wijze van wetenschapsbeoefening in de economie.2 Friedman’s opvattingen over methode in de economische wetenschap markeerden een breuk met de indertijd dominante praktijk waarin de algemene economie vooral als normatieve wetenschap werd beoefend en economische theorievorming vooral tot stand werd gebracht op basis van tekstuele argumenten en logische redeneringen. Illustratief voor de toenmalige praktijk is The General Theory of Employment, Interest and Money, het standaardwerk van Keynes.3 De argumenten die Keynes in dit boek aan zijn economische theorieën ten grondslag legde waren in hoofdzaak niet kwantitatief, maar vooral verhalend van aard. Ook maakte Keynes in zijn verhandelingen – op de hoofdstukken in Book V over ‘Money, Wages and Prices’4 na – slechts spaarzaam gebruik van wiskundige formules om zijn theorieën modelmatig weer te geven. In beide gevallen berustte de methode van Keynes op een bewuste keuze. Zoals zijn biograaf Skidelsky later uiteen zou zetten, was Keynes sceptisch over het nut van econometrisch onderzoek (hier begrepen in de toenmalige zin van het met behulp van statistische technieken vaststellen van relaties tussen verschillende variabelen), met name omdat dergelijk kwantitatief onderzoek onvoldoende recht zou doen aan de weerbarstige en onzekere realiteit.5 Ook geloofde Keynes volgens Skidelsky niet in het reduceren van complexe relaties tot modelmatige weergaven omdat de modellen door gebruik van onrealistische assumpties of simplificaties te ver van de werkelijkheid af stonden. Skidelsky beschreef de houding van Keynes op dit punt als volgt: “Like any other economist, Keynes used models, but he rejected the ideal-type approach to model-building. Economic theorizing should study the world as it was, not invent a perfect world.”6
Voor Friedman vormde deze stand van de methodologie in de economische wetenschap een onbevredigende situatie. Volgens hem leidde het relatief losse metholodogische fundament van de economische wetenschap tot een ongewenste vermenging van ‘positieve’ (d.w.z. feitelijke) observaties met normatieve opvattingen: “Laymen and experts alike are inevitably tempted to shape positive conclusions to fit strongly held normatieve preconceptions and to reject positive conclusions if their normative implications – or what are said to be their normative implications – are unpalatable.”7 Hij stond een meer ‘wetenschappelijke’ methode voor waarbij in plaats van subjectieve observaties juist gebruik zou worden gemaakt van data-analyse met behulp van statistische technieken. Het doel van de economische wetenschap bestond voor Friedman vooral in theorievorming. Uit de feitelijke observaties uit het verleden of heden over een bepaald economisch verschijnsel zou telkens de achterliggende theorie moeten worden afgeleid aan de hand waarvan vervolgens weer betrouwbare voorspellingen over toekomstige ontwikkelingen gedaan zouden kunnen worden.
Bij het formuleren van zijn methode ging Friedman er kennelijk impliciet van uit dat (i) achter elk verschijnsel een verklarende theorie schuilging en dat (ii) dergelijke theorieën in wezen dezelfde kenmerken vertoonden als de natuurwetten uit de ‘harde’ wetenschappen, zoals de natuurkunde en de wiskunde. Hij beoogde als het ware om uit historische gegevens over schaakpartijen de regels van het schaakspel te destilleren om vervolgens voorspellingen te kunnen doen over het verloop van toekomstige partijen. Dit is alleen mogelijk wanneer, zoals bij het schaakspel het geval is, aan de observeerbare gebeurtenissen een consistente en logische set regels ten grondslag ligt. Als de stukken volmaakt willekeurig over het bord bewegen en ook het bord zelf een willekeurige vorm aanneemt, vallen er immers weinig regels te ontwaren. Friedman’s benadering van de methodologie moet daarom impliciet van de veronderstelling zijn uitgegaan dat het economisch menselijk leven uiteindelijk door een set kenbare en relatief statische regels werd beheerst. Friedman stelde zijn onderzoeksgebied als volgt voor: “Positive economics is in principle independent of any particular ethical position or normative judgments. (…). Its task is to provide a system of generalizations that can be used to make correct predictions about the consequences of any change in circumstances. Its performance is to be judged by precision, scope, and conformity with experience of the predictions it yields. In short, positive economics is, or can be, an ‘objective’ science in precisely the same sense as any of the physical sciences.”8 Friedman betrok nadrukkelijk theorievorming in zijn conceptie van de positieve economische wetenschap: “The ultimate goal of a positive science is the development of a ‘theory’, or ‘hypothesis’ that yields valid and meaningful (i.e. not truistic) predictions about phenomena not yet observed.”9
Friedman erkende wel dat er in de vergelijking met de wis- en natuurkunde bij het economisch onderzoek complicaties optraden bij het formuleren van hypothesen en testen van de geldigheid ervan tegen data of andere feitelijke observaties (in de economie zijn immers geen gecontroleerde experimenten mogelijk).10 De oplossing voor deze problemen was voor Friedman gelegen in zorgvuldigheid: “The necessity of relying on uncontrolled experience rather than on controlled experiment makes it difficult to produce dramatic and clear- cut evidence to justify the acceptance of tentative hypotheses. Reliance on uncontrolled experience does not affect the fundamental methodological principle that a hypothesis can be tested only be the conformity of its implications or predictions with observable phenomena, but it does render the task of testing hypotheses more difficult and gives greater scope for confusion about the methodological principles involved. More than other scientists, social scientists need to be self-conscious about their methodology.”11
Bij het vertalen van de economie naar een ‘harde’ wetenschap wat betreft methode bracht Friedman twee noemenswaardige nuances aan. Ten eerste hanteerde hij een niet al te absolute test voor de tentatieve aanvaardbaarheid van hypothesen: “[T]he only relevant test of the validity of a hypothesis is comparison of its predictions with experience. The hypothesis is rejected if its predictions are contradicted (‘frequently’ or more often than predictions from an alternative hypothesis); it is accepted if its predictions are not contradicted; great confidence is attached to it if it has survived many opportunities for contradiction.”12 Deze test vertoont een sterke gelijkenis met het concept van falsificatie zoals ontwikkeld door Popper,13 maar is in feite minder rigide. Hoewel Friedman in lijn met Popper accepteerde dat de geldigheid van een hypothese nooit volledig bewezen kon worden, was voor het verwerpen ervan anders dan bij Popper een enkele afwijkende observatie voor Friedman niet voldoende. Vereist was dat de door de hypothese ingegeven voorspellingen ‘frequently’ niet aan de werkelijkheid beantwoordden of althans dat deze voorspellingen vaker niet met feitelijke observaties overeenkwamen dan voorspellingen die door een alternatieve hypothese werden gegenereerd. Deze passage zou ook zo gelezen kunnen worden dat een oude hypothese/theorie pas definitief verworpen dient te worden wanneer een nieuwe, betere, hypothese/theorie is gevonden waarvan de voorspellingen beter met de werkelijkheid overeenstemmen. Deze benadering onderstreept het belang van theorievorming bij Friedman: een opgebouwde theorie moet niet te snel worden afgebroken.
De tweede door Friedman aangebrachte nuance betrof het gebruik van assumpties bij het formuleren van hypothesen. Op dit punt ging Friedman tegen Keynes en vele andere economen in door te stellen dat hypothesen niet slechts op met de werkelijkheid overeenkomende assumpties mochten berusten. Friedman betoogde juist het tegenovergestelde: om tot een deugdelijke abstractie te komen moest een hypothese juist op assumpties berusten die niet met de werkelijkheid overeenkwamen: “A hypothesis is important if it ‘explains’ much by little, that is, if it abstracts the common and crucial elements from the mass of complex and detailed circumstances surrounding the phenomena to be explained an permits valid predictions on the basis of them alone. To be important, therefore, a hypothesis must be descriptively false in its assumptions; it takes account of, and accounts for, none of the many other attendant circumstances, since its very success shows them to be irrelevant for the phenomena to be explained. To put this point less paradoxically, the relevant question to ask about the ‘assumptions’ of a theory is not whether they are descriptively ‘realistic’, for they never are, but whether they are sufficiently good approximations for the purpose in hand. And this question can be answered only by seeing whether the theory works, which means whether it yields sufficiently accurate predictions.”14
Aan het slot van zijn essay vatte Friedman zijn positie over het gebruik van assumpties in de economische methodologie als volgt samen: “It is frequently convenient to present such a hypothesis by stating that the phenomena it is desired to predict behave in the world of observation as if they occurred in a hypothetical and highly simplified world containing only the forces that the hypothesis asserts to be important.”15 Hiermee gaf Friedman impliciet een aansporing tot het ontwikkelen van economische modellen met een beperkt aantal variabelen waarbij de overige factoren als een constante – als het ware een ceteris paribus assumptie – worden voorgesteld. Bij het bepalen welke variabelen in een bepaald model relevant waren en welke als constante konden worden ‘weggeassumeerd’ konden statistische technieken een belangrijke rol spelen, terwijl voor het weergeven van onderlinge interacties tussen variabelen met name op concepten uit de wiskunde en econometrie kon worden teruggevallen. Zo kon de economie worden voorzien van een zelfde ‘rigor’ als de harde natuurwetenschappen. Hiermee leverden Friedman en de economen die in zijn voetspoor volgden een belangrijke bijdrage aan de verdere ontwikkeling van de economie als kwantitatief-wetenschappelijk vakgebied.16