Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/21.2.2.6
21.2.2.6 Overige vragen
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS369016:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
26 november 1996, VR 1998, 8.
NJ 2003, 268, r.o. 3.8.
R.o. 3.4.1.
Ook Asser/Hartkamp (I, nr. 674 en 674a) lijkt bij vaststelling van het aanvangsmoment van de relatieve termijn onderscheid te willen maken tussen louter toekomstige schade en schade die reeds direct deels wordt geleden, maar ook daar ontbreekt een rechtvaardiging voor dat onderscheid.
Klaassen, Akkermans (1998), p. 71 e.v. en Nieskens-Isphording e.a. (1993), p. 82 met rechtsvergelijkende opmerkingen.
Zie voorgaande noot.
Zie § 26.3.
Zie § 16.2.1.
Law Commission (2001), p. 44. Zie illustratief is ook de bespreking van het probleem in de nr. 12.33 — 12.43 van de Consultation Paper (Law Commission (1998)). In nr. 12.37 noemt de Law Commission een groot aantal Common Law-landen waar hetzelfde concept geldt.
Doorlopende en toekomstige schade
De verjaring van doorlopende schade zoals inkomensschade ten gevolge van een ongeval, begint te lopen zodra enige schade van deze soort bekend is.
Bijvoorbeeld: in een vonnis van de Rechtbank Zutphen1 heeft het slachtoffer een dwarslaesie opgelopen. Hij stelt zich op het standpunt dat de verjaring periodiek, namelijk gekoppeld aan zijn (uiteraard) periodiek te lijden inkomensschade, is gaan lopen. De rechtbank oordeelt anders: "nu gelet op de ernst en aard van het letsel de schadeposten reeds toen dat letsel bekend was, voorzienbaar waren". Deze motivering stemt overeen met de rechtspraak van de Hoge Raad. Hij overweegt in zijn arrest van 24 mei 2002:2
"[Het middel] klaagt dat het Hof geen aandacht heeft besteed aan de stelling van [eiser] dat zijn schade niet ineens is geleden, maar voortdurend van aard is, zodat de vordering van [eiser] niet is verjaard voor zover deze betrekking heeft op schade geleden binnen 5 jaar voor de aansprakelijkstelling. Het Hof heeft inderdaad aan deze stelling van [eiser] geen aandacht besteed. Niettemin kan ook dit onderdeel niet tot cassatie leiden. Het gaat hier om afzonderlijke elementen van de gehele door de onrechtmatige daad veroorzaakte — doorlopende — schade. In de feitelijke instanties is niet aangevoerd dat zich daarbij een of meer nieuwe — eerder niet voorziene — schadeposten voordoen. (...) (vgl. HR 19 oktober 2001, nr. C00/264, NJ 2001, 655)."
Er is een geval waarin de Hoge Raad ten aanzien van louter toekomstige schade heeft geoordeeld dat de termijn pas begint te lopen als de schade daadwerkelijk is geleden. Of die regel algemene gelding heeft is niet duidelijk.
In HR 10 oktober 20033 is het volgende aan de orde. Een belastingadviseur heeft getracht de eenmanszaak van zijn cliënt "geruisloos in te brengen" in een B.V. Die poging is mislukt, doordat de belastingsadviseur had verzuimd bij de belastingdienst een "verzoek om toepassing van artikel 18 Wet op de Inkomstenbelasting 1964 in te dienen". Dat had voor de cliënt schade tot gevolg in de vorm van belasting over stakingswinst en een desinvesteringsbetaling. Ter afwering van de vordering tot schadevergoeding van de cliënt beroept de belastingadviseur zich op verjaring, in welk kader de vraag naar het aanvangsmoment van de relatieve termijn rijst. De volgende feiten zijn in dat verband van belang.
Bij brief van 12 november 1990 heeft de Belastingdienst medegedeeld dat er problemen waren met de belastingsaangifte. Op 26 februari 1991 heeft bij de Belastingdienst een bespreking plaatsgevonden waarbij de belastingadviseur en zijn cliënt aanwezig waren; bij die gelegenheid is door de Belastingdienst duidelijk gemaakt dat de geruisloze inbreng niet zou worden geaccepteerd. Bij brief van 20 juli 1991 is door de belastingadviseur aan zijn cliënt geschreven dat de geruisloze inbreng niet zou worden geaccepteerd. Als sluitstuk van de besprekingen heeft de Belastingdienst op 26 juli 1991 een brief gezonden waarin wordt gewezen op de mogelijkheid van bezwaar. De definitieve aanslag over het relevante belastingjaar is gedagtekend 31 december 1991.
De verjaring wordt bij brief van 26 augustus 1996 gestuit. Als de datum van de definitieve aanslag als moment van bekendheid met de schade wordt aangemerkt (31 december 1991 zijnde minder dat vijf jaar voor 26 augustus 1996), zou pas op dat moment de relatieve termijn aanvangen en zou dus de vordering niet zijn verjaard. Zou echter worden aangenomen dat alle afwijzende signalen van de Belastingdienst in de periode 12 november 1990 tot 26 juli 1991 reeds de bekendheid met de schade constitueren, dan zou de stuiting van 26 augustus 1996 (zijnde meer dan vijf jaar na 26 juli 1991) te laat zijn en zou de vordering dus wel zijn verjaard.
De A-G stelt bij beantwoording van de vraag naar het moment van bekendheid voorop dat "Het vereiste dat de benadeelde — daadwerkelijk — bekend is met zijn schade impliceert dat ook daadwerkelijk enige schade moet zijn geleden". Op die lijn voortredenerend gaat zij op zoek naar het antwoord op de vraag wanneer de materiële belastingschuld ontstaat en dat blijkt te zijn het moment waarop de aanslag is vastgesteld, zijnde 31 december 1991.
De Hoge Raad volgt de A-G in die redenering en in het oordeel dat dus het aanvangsmoment op 31 december is gelegen. Hij overweegt:4
"Een rechtsvordering als de onderhavige verjaart, voor zover thans van belang, door verloop van vijf jaren nadat de benadeelde de voor het instellen van de vordering benodigde wetenschap — daadwerkelijke bekendheid met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon — heeft verkregen. Voor het aanvangen van de vijfjarige verjaringstermijn is hier dus in elk geval vereist dat daadwerkelijk schade is ontstaan."
Afgezien van de inhoud van deze overweging, geeft haar redactie aanleiding tot vragen doordat de betekenis van de woorden "hier" en "dus" in de laatste zin zich niet goed laten doorgronden. "Hier" suggereert een beperkt toepassingsbereik van de door de Hoge Raad geformuleerde regel. Maar anderzijds wekt het gebruik van het woord "dus" in diezelfde zin de indruk van algemene gelding. Immers, met "dus" lijkt te zijn bedoeld dat de regel voortvloeit uit de parafrase van art. 3:310 lid 1 BW in de voorafgaande zin. Maar als dat zo zou zijn, is er geen reden de regel beperkte betekenis toe te kennen, omdat een algemene parafrase van de regeling van de relatieve termijn geen specifieke, op het concrete geval toegesneden gevolgtrekking kan rechtvaardigen. De woorden "hier" en "dus" zijn derhalve moeilijk met elkaar te verenigen. Het is om die reden niet duidelijk welke reikwijdte wij de regel moeten toekennen.
Bij de regel dat de relatieve termijn in geval van louter toekomstige schade pas aanvangt als de schade geleden is, kan men kanttekeningen plaatsen. Die kanttekeningen vloeien voort uit de gedachte dat de relatieve termijn behoort aan te vangen zodra van de benadeelde redelijkerwijze verlangd kan worden dat hij zijn vordering instelt, in combinatie met het besef dat men op grond van art. 6:105 BW ook toekomstige schade kan vorderen.
Zie wederom de ratio van de relatieve termijn: het belang van de debiteur eist dat de benadeelde zijn vordering instelt zodra dat redelijkerwijze van hem verwacht kan worden. Die situatie kan zich zeer wel voordoen voordat de schade geleden is, doordat art. 6:105 BW de mogelijkheid geeft ook toekomstige schade te vorderen. Te eisen dat de benadeelde van die mogelijkheid gebruik maakt ligt voor de hand, omdat uitstel de positie van de debiteur in voornoemde opzichten nodeloos bezwaart. Een discussie die nu plaats kan vinden, moet in het belang van de debiteur ook nu (althans binnen bekwame tijd) plaatsvinden.
Onduidelijk is ook waarom in geval van voortdurende schade de termijn voor toekomstige schade wel aanstonds begint te lopen, en bij louter toekomstige schade niet. Leest men de hierboven geciteerde conclusie voor HR 10 oktober 2003, dan is kennelijk de gedachte dat van doorslaggevend belang of reeds enige schade is geleden; als dat zo is, dan gaat direct bij het lijden van die schade ook de termijn voor de toekomstige schade lopen, maar als er daarentegen nog helemaal geen schade is, gaat de termijn voor de toekomstige schade nog niet lopen. Waarom zou dat zo zijn? Wie nu weet dat hij over tien jaar schade van een reeds gepleegde onrechtmatige daad zal ondervinden, moet zijn vordering te dier zake binnen bekwame tijd na verkrijging van die wetenschap instellen. Nu heeft immers de debiteur nog toegang tot de relevante feiten en houdt hij rekening met de vordering, dus nu moet de discussie gevoerd worden. Of de benadeelde als gevolg van dezelfde gebeurtenis ook reeds terstond enige schade lijdt, lijkt geen bijzondere betekenis te hebben.5
De hier verdedigde opvatting dat de relatieve termijn ook ten aanzien van louter toekomstige schade gaat lopen is ook elders in de doctrine aanvaard.6 Akkermans komt tot dat oordeel,7 mede vanuit de gedachte dat toekomstige schade zijn schaduw vooruit werpt en aldus in zekere zin direct schade constitueert.
Tot slot: als men aanneemt dat de relatieve termijn kan aanvangen ten aanzien van toekomstige schade, moet men logischerwijze ook aannemen dat men die verjaring kan stuiten. Zie in gelijke zin het na te bespreken8 vonnis van de Rechtbank Utrecht van 4 februari 2004.9
De benadeelde zag met recht af van het instellen van een vordering
Er zijn situaties denkbaar waarin de benadeelde "daadwerkelijk in staat is" zijn vordering in te stellen, maar hij hier aanvankelijk om een gegronde reden vanaf ziet. Mede afhankelijk van de overige omstandigheden van het geval is dan te verdedigen dat een beroep op verjaring krachtens de relatieve termijn in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.
Het criterium "daadwerkelijk in staat zijn" tot het instellen van een vordering sluit nauw aan bij de ratio van de relatieve termijn, in die zin dat welhaast steeds van degene die daadwerkelijk in staat is tot het instellen van een vordering, redelijkerwijze verwacht mag worden dat hij daartoe binnen bekwame tijd over gaat. Maar geheel naadloos is de aansluiting niet: er zijn gevallen waarin de benadeelde daadwerkelijk in staat is zijn vordering in te stellen, maar zulks redelijkerwijze niet van hem verwacht mag worden omdat hij een gegronde reden heeft om van het instellen van een vordering af te zien.
Bijvoorbeeld: Iemand wordt tot tien jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens moord. Nadat hij zes jaar heeft gezeten, blijkt uit DNA-onderzoek dat hij onschuldig is. Daadwerkelijk in staat tot het instellen van een vordering tegen de staat was hij direct na zijn veroordeling. Op dat moment kon echter van hem redelijkerwijze niet verwacht worden dat hij zijn vordering inderdaad instelde, omdat gelet op zijn strafrechtelijk veroordeling duidelijk was dat een civiele actie kansloos was. Om die reden lijkt zeer wel verdedigbaar de stelling dat het verjaringsberoep moet stranden op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Ter nadere onderbouwing is nog toe te voegen dat een van de twee belangen van de debiteur die normaal gesproken de verjaring rechtvaardigen, namelijk de teloorgang van bewijs, hier niet speelt: het DNA-onderzoek maakt iedere nadere feitelijke discussie overbodig.
Zoals steeds bij het aanwenden van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, is terughoudendheid geboden. Zou men het instrument lichtvaardig aanwenden, dan gaat dat ten koste van de rechtszekerheid die een feitelijk criterium als "daadwerkelijk in staat zijn" beoogt te verschaffen.
Het toenemende belang van de vordering
Het kan zich voordoen dat de schade zich aanvankelijk voordoet als niet al te ernstig, maar in de loop der tijd steeds serieuzere vormen aanneemt. De termijn behoort pas aan te vangen als de schade zich als zodanig ernstig laat kennen dat redelijkerwijze juridische actie verlangd mag worden.
Stel: een werknemer ontwikkelt in de zomermaanden van 2000 RSI. Hij heeft daar behoorlijke last van, maar slaagt er in zijn gebruikelijke werk- en privé-activiteiten te blijven verrichten. In de loop der tijd heeft hij in wisselende mate last van de aandoening. Pas in de winter van 2001 neemt de RSI zodanig ernstige vormen aan dat werkelijk substantiële functie-uitval plaatsvindt. Wanneer begint de verjaringstermijn te lopen?
De Engelsen kennen voor dit probleem een concept dat wordt aangeduid met the significance of the claim. De bepaling waarin het is neergelegd werd hiervoor geciteerd.10 Het wordt door de Law Commission in zijn Report als volgt toegelicht:
"The purpose of including knowledge of the significance of the claim in the definition of the date of knowledge is twofold. First, it delays the start of the limitation period to protect the claimant who has received an injury, or suffered damage or loss, which at first seems trivial when it later becomes clear that the injury, loss or damage is far more serious. Secondly, it reduces the pressure on a claimant who has received a trivial injury or loss to bring proceedings immediately, without waiting to see if the injury or loss gets worse, for fear of being time-barred. Without this assurance the amount of premature litigation could significantly increase."11
Het lijkt nauwelijks voor discussie dat in Nederland een vergelijkbaar concept moet gelden: zolang de schade onvoldoende ernstig is om het oordeel te rechtvaardigen dat van de crediteur redelijkerwijze juridische actie verlangd mag worden, moet de vijfjaarstermijn niet gaan lopen. Waar het omslagpunt ligt, is hogelijk casuïstisch.