Vastgoedtransacties in de Europese btw
Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.6.5:7.6.5 Conclusie
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.6.5
7.6.5 Conclusie
Documentgegevens:
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291670:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op grond van art. 135 lid 2 Btw-richtlijn moeten lidstaten een aantal verhuurdiensten uitzonderen van de vrijstelling voor de verhuur van onroerend goed. Vanuit het oogpunt van de interneutraliteit is het wenselijk dat deze uitsluitingen in alle lidstaten gelden. Wat in het licht van de interneutraliteit niet wenselijk is, is dat lidstaten bij de uitsluiting van het verstrekken van accommodatie in het hotelbedrijf of in sectoren met een soortgelijke functie beschikken over een beoordelingsruimte. Hierdoor kan de reikwijdte van deze uitzondering immers verschillen van lidstaat tot lidstaat. Vanuit het oogpunt van de interneutraliteit is het evenmin wenselijk te noemen dat lidstaten over de vrijheid beschikken ook andere verhuurdiensten dan de in art. 135 lid 2 Btw-richtlijn genoemde diensten uit te zonderen. Hierdoor kan de reikwijdte van de vrijstelling van art. 135 lid 1, onderdeel l Btw-richtlijn immers per lidstaat anders zijn.
Dit laat onverlet dat er gelet op de ratio van de vrijstelling en het beginsel van de fiscale neutraliteit veel voor te zeggen valt om méér verhuurdiensten uit te zonderen dan art. 135 lid 2 Btw-richtlijn doet. Zoals in paragrafen 7.3 en 7.5 is geconstateerd, is er op grond van de wezenlijke kenmerken van de btw geen rechtvaardiging voor het vrijstellen van de bedrijfsmatige verhuur die niet in art. 135 lid 2 Btw-richtlijn genoemd worden. Daarnaast leidt het vrijstellen van de niet-bedrijfsmatige verhuur van bedrijfsvastgoed aan aftrekgerechtigde huurders tot cumulatie van btw-heffing. Dit ‘cumulatiegevaar’ kan worden afgewend door de optieregeling, maar de optieregelingen in de lidstaten laten zien dat de mogelijkheden om te opteren voor belaste verhuur soms zeer beperkt zijn waardoor cumulatie van btw-heffing soms maar in (zeer) beperkte mate wordt voorkomen (zie paragraaf 7.7.4). Bovendien leidt de optieregeling in diverse lidstaten ertoe dat soortgelijke verhuurdiensten verschillend worden behandeld naar gelang (de omvang van) het aftrekrecht van de huurder (zie paragraaf 7.4.4), hetgeen naar mijn mening in strijd is met de concurrentieneutraliteit. Vanuit het oogpunt van het beginsel van de fiscale neutraliteit is een imperatieve uitzondering op de vrijstelling voor de verhuur van onroerend goed daarom te prefereren boven een facultatieve.
De imperatieve uitzonderingen op de ‘verhuurvrijstelling’ die thans in de verschillende lidstaten gelden zijn naar mijn mening dan ook gerechtvaardigd. Zij leiden namelijk tot een resultaat dat (iets) meer in overeenstemming is – of beter gezegd: (iets) minder in strijd is – met de door het Hof van Justitie geformuleerde ratio van de vrijstelling van de verhuur van onroerend goed en het beginsel van de fiscale neutraliteit (zie paragraaf 7.3). Het beperkte aantal uitgesloten verhuurdiensten alsmede het feit dat sommige lidstaten in het geheel geen gebruikmaken van de bevoegdheid die hun op grond van art. 135 lid 2, laatste zin Btw-richtlijn toekomt, laat echter zien dat er op dit punt nog veel te winnen valt.