Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/V.J.2
V.J.2. De eerste trap: de doctrine
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS407172:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
PERRICK,WPNR (20 0 6) 6678, is in zijn bespreking van het preadvies KNB (2006) van Mellema-Kranenburg (terecht) heel stellig: 'Er bestaat geen enkele twijfel over dat art. 4:171 BW aan de testateur de bevoegdheid geeft om de bevoegdheid van de bewindvoerder uit te breiden tot beschikkingshandelingen.' De stelling van Mellema-Kranenburg dat een afwikkelingsbewindvoerder met maximale bevoegdheden het erfgenaamschap denatureert, roept bij hem de vraag op wat het standpunt is van Mellema over de wettelijke verdeling en over testamenten die een ouderlijke boedelverdeling tot stand brengen en die zij in het verleden ongetwijfeld regelmatig gepasseerd zal hebben.
WG. HUIJGEN, Verdeling door de executeur-bewindvoerder?, WPNR (2004) 6587 ,WM. KLEIJN,Wat zijn de mogelijkheden voor een afwikkelingsbewindvoerder om zelf te verdelen?, JBN 2003 nr. 24 en nr. 29 en T.J. MELLEMA-KRANENBURG, Preadvies KNB(2006), p. 209. Anders B.M.E.M. SCHOLS, De quasi-wettelijke verdeling als 'Teilungsanordnung' (I en II),WPNR (2004), 6571 en 6572. Maar ook: C.A. KRAAN, Verdeling door de bewindvoerder, WPNR (2003) 6544, M.J.A. VAN MOURIK, Verdeling door de executeur, WPNR (2004) 6560, FWJ.M. SCHOLS, Preadvies KNB (2004), p. 60-65, H.C.F. SCHOORDIJK, Reactie Verdeling door de executeur-bewindvoerder,WPNR (2004) 6603, J.H.M. TER HAAR, Het testamentair minderjarigenbewind,WPNR (2006) 6692, alsmede PERRICK,WPNR (20 0 6) 6672.
W.D. KOLKMAN, Verdeling door de afwikkelingsbewindvoerder, Tijdschrift Nieuw Erfrecht 2004, nr. 5. Hij wijst terecht ook op de houdbaarheidsdatum van afwikkelingsbewind. Blijkens art. 4:180 BW vijf jaar. Zijn conclusie is dat de waslijst aan waarborgen het tegenwicht vormt voor de vergaande bevoegdheden van de afwikkelingsbewindvoerder, waardoor een evenwicht ontstaat. In dit kader stelt hijdan ook de retorische vraag: 'Wat kan dan toch de reden zijn een zelfstandig verdelingsbevoegde afwikkelingsbewindvoerder niet toe te staan?'
Over de rechtsbron doctrine met betrekking tot de onderhavige rechtsvraag, is de rechtbank kort en bondig. Er wordt zelfs gesproken van 'de heersende opvatting' die het standpunt van de executeur-afwikkelingsbewindvoerder ondersteunt. Bronnen worden echter door de rechtbank niet vermeld. De klassieke drie erfrechtelijke handboeken, Klaassen-Luijten-Meijer (2002), Pitlo/ Van der Burght-Ebben (2004) en Asser-Perrick 6B (2005) zijn het zoals hiervoor reeds opgemerkt met elkaar eens. Gelet op het belang een overzicht.
a. Klaassen-Luijten-Meijer (2002), p. 253:
'Later heeft men hier ook het zogenaamde afwikkelingsbewind ondergebracht, waarvan gesproken wordt als de erflater een bewind heeft ingesteld waarbij aan de bewindvoerder slechts is opgedragen in het belang van de gezamenlijk rechthebbenden de nalatenschap voor verdeling gereed te maken of zelfs ook nog zelf de verdeling tot stand te brengen.'
En op p. 274:
'Thans heeft men de vrijheid van de erflater om de taak van de bewindvoerder nader te regelen niet meer begrensd. Ook een eventuele belanghebbende kan volledig buiten spel gezet worden door een in de uiterste wil opgenomen regeling.'
b. Pitlo/Van der Burght, Ebben (2004), p. 367 e.v.:
'De erflater kan bijvoorbeeld (de) bewindvoerder bevoegd verklaren tot het verrichten (van) alle rechtshandelingen zonder enige toestemming van de rechthebbende of machtiging van de kantonrechter. [...]. Deze mogelijkheid van de erflater om het bewindnaar eigen inzicht in te richten is zeer belangrijk. De testateur mag afwijken van de bepalingen in art. 4:153-170. Hij is daarbij niet gebonden aan een wettelijk kader [...].
Met ander(e) woorden: de wet laat hier de teugels vieren en de erflater kan op dit stuk zijn fantasie de vrije loop laten. In de praktijk pakt dit alles natuurlijk weer veel minder avontuurlijk uit: de notaris zal de testateur bij de hand nemen!'
c. Asser-Perrick 6B (2005), p. 162:1
'Is er in de terminologie van art. 4:155 lid 4 sprake van een bewind over goederen of aandelen in goederen die gemeenschappelijk beheerd dienen te worden, dan kan de erflater de bewindvoerder bevoegd verklaren om de gemeenschap te verdelen zonder dat daarvoor de toestemming van de deelgenoten is vereist. De erflater zal deze bevoegdheden willen toekennen aan de executeur van wie hij wenst dat hij ook als afwikkelingsbewindvoerder kan optreden.'
En enkele regels verder:
'Zo kan de erflater de bewindvoerder bevoegd verklaren beschikkingshandelingen te verrichten zonder toestemming van de rechthebbende en zonder machtiging van de kantonrechter.'
En in noot 359:
'Anders Huijgen,WPNR 6587 (2004) wiens beroep op de wetsgeschiedenis niet kan overtuigen. Hij maakt niet duidelijk hoe zijn opvatting en de steun die hij daarvoor zoekt in de wetsgeschiedenis zich verhoudt tot de opvatting van de minister te vinden in Parl. Gesch. Invoeringswet; p. 2132 (volgende noot: ontwerp 17 141 TK stuk 9, p. 17). De erflater gaat zijn bevoegdheden eerst te buiten wanneer hij alle eigenaarsbevoegdheden aan de bewindvoerder toekent. Zie Parl. Gesch. Vaststellingswet Boek 3, p. 540 (Nota van Wijziging). Daarvan is geen sprake in het geval de erflater gedurende het bewind zelfstandige beschikkingsbevoegdheid ten aanzien van het aan het bewind onderworpen vermogen toekent.'
Ten aanzien van de verplichtende variant van de 'quasi-wettelijke verdeling' waar gewerkt wordt met testamentaire lasten als bedoeld in artikel 4:130 BW, leert de nieuwe'Asser'op pagina 112 als volgt:
'De executeur moet de hem opgelegde testamentaire lasten uitvoeren. Zie ook art. 4:130 lid 2, tweede zin op grond waarvan de aan de executeur opgelegde verplichting mede rust op de gezamenlijke erfgenamen tenzij uit de aard van de last of uit de uiterste wil iets anders voortvloeit. Deze last kan bestaan in het verdelen van de nalatenschap.'
In zoverre kan dan ook door de rechtbank zonder nadere bronvermelding 'alleen al'op grondvan de klassiekers verantwoordvan een heersende leer gesproken worden. Er zijn immers maar weinig erfrechtelijke leerstukken waar de doctrine zo eensgezind is en driemaal is nu eenmaal scheepsrecht. Wel wordt door de rechtbank opgemerkt dat duidelijk is dat in de literatuur discussie bestaat over het antwoordop de vraag. De rechtbank doelt hier onge-twijfeldop het met name door Huijgen geventileerde tegengeluid.2 En voor wie nog zou twijfelen over de door de rechtbank gesignaleerde heersende leer.Van Mourik ziet het in zijn monografie Nieuw Erfrecht (2004), p. 168 als volgt:
'De parlementaire geschiedenis biedt steun voor de opvatting dat de bewindvoerder in beginsel de bevoegdheid tot verdeling kan worden gegeven.'
En ook niet onvermeldwil ik laten Kolkman3 die zich eveneens bij de heersende leer aansluit en heel uitgebalanceerd onder verwijzing naar de erfrechtelijke waarborgen en 'checks en balances' de nadruk legt op het feit dat 'de afwikkelingsbewindvoerder geen carte blanche bezit':
'Hij dient zich als goed bewindvoerder te gedragen, hij moet ''behoorlijk communiceren'', hij kan worden ontslagen en hij is rekenplichtig'.
Zo is het. Het goederenrechtelijke (afwikkelings)bewind is omkleed met belangrijke verbintenisrechtelijke waarborgen die een zelfstandige verdelingsbevoegdheid rechtvaardigen.