Einde inhoudsopgave
Artikel 6 EVRM en de civiele procedure (BPP nr. 10) 2008/4.3.4.4
4.3.4.4 Proceswaarborgen bij uitsluiting
Mr. P. Smits, datum 06-03-2008
- Datum
06-03-2008
- Auteur
Mr. P. Smits
- JCDI
JCDI:ADS304882:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Burg. Rv (Wesseling-van Gent), art. 27, aant. 1: de bevoegdheid van de rechter om de deuren te sluiten of slechts bepaalde personen toe te laten, is facultatief. Niet eens ben ik het met de opvatting van Von Schmidt auf Altenstadt (2002), p. 9, dat de rechter een behandeling met gesloten deuren (imperatief) behoort toe te staan indien partijen daarom eenstemmig verzoeken. Beide partijen kunnen er immers belang bij hebben zekere aspecten van een geschil buiten de schijnwerpers te houden die het daglicht niet kunnen verdragen - dat hoeft (zeker) niet altijd in het belang van de openbaarheid te zijn. Het Europees Hof spreekt van een 'public interest'; zie par. 43.5 hieronder over de afstand van het recht op een openbare behandeling.
HR 20 mei 1988, NJ 1989, 676 (EAA).
Zie ook De Moor (1990), p. 54, en A-G van Soest in HR 1 november 1985, NJ 1986, 277.
Zie uitgebreid over het begrip rolbeschikking A-G Asser in zijn conclusie (onder 2) vóór HR 10 september 1993, NJ 1994, 507 (HJS), alsmede in zijn conclusie (onder 2.12) vóór HR 30 juni 1995, NJ 1996, 200 (HER).
Terzijde zij opgemerkt dat het bewijs dat een zitting in het openbaar is gehouden volgens de Hoge Raad niet expliciet geleverd hoeft te worden. Aangenomen wordt dat de terechtzitting in het openbaar is gehouden, indien uit de gedingstukken niet het tegendeel blijkt, met name als uit het proces-verbaal der zitting niet van de sluiting der deuren blijkt (HR 31 maart 1989, NJ 1989, 509). Overigens geeft bij tegenstrijdigheid tussen de gedingstukken niet het p-v der zitting, maar de op schrift gestelde uitspraak de doorslag (HR 2 december 1988, NJ 1988, 301).
Zie Bosch-Boesjes ( TSCRv), art. 838, aant. 7.
Art. 6 EVRM geeft niet aan of, en zo ja, welke proceswaarborgen ten overstaan van partijen, laat staan ten overstaan van derden (zoals pers en publiek), in acht genomen moeten worden bij de uitsluiting van openbare behandeling. Evenmin zegt de nationale wetgeving daar iets over. De rechter 'beveelt' de uitsluiting (ik ga hier voorbij aan de bijzondere uitsluitingen van de openbaarheid waar een bevel achterwege wordt gelaten. De rechter behandelt dan 'gewoon' met gesloten deuren). Niet aangegeven wordt
of de rechter dit bevel slechts op verzoek van partijen kan doen of dat hij daartoe ambtshalve kan overgaan,
noch of hij partijen over zijn voornemen tot gesloten behandeling moet horen, en
of tegen een bevel tot sluiting op enigerlei wijze opgekomen kan worden.
Ten slotte is de vraag welke sanctie op besloten behandeling staat indien daaraan geen rechterlijk bevel vooraf is gegaan.
Ik loop deze vragenreeks af, met in het achterhoofd dat de rechtspraak op deze punten schaars en niet expliciet is.
Het lijkt vrij evident dat de rechter niet een verzoek van partijen hoeft af te wachten vooraleer tot een gesloten behandeling over te gaan. Hij kan ook zelf tot het inzicht komen dat één van de in art. 6 EVRM genoemde gronden zich voordoen en ambtshalve tot niet-openbare behandeling besluiten (ambtshalve uitsluiting zal in de praktijk meer voorkomen dan uitsluiting op verzoek).1
Het lijkt echter evenzeer voor de hand te liggen dat hij partijen daarover hoort, of althans hen de gelegenheid geeft hun standpunt daaromtrent kenbaar te maken. Een bepaling als art 269 lid 2 tweede zin Sv wordt in de civiele procedure node gemist ('De rechtbank geeft het bevel (tot uitsluiting, P.S.) niet dan na het openbaar ministerie, de verdachte en andere procesdeelnemers, zondig met gesloten deuren, hieromtrent te hebben gehoord.'). Thans stelt de Hoge Raad2 zich op het standpunt dat, zo partijen openbaarheid wensen, zij zich daar tijdig op moeten beroepen. Verzet een partij zich niet tijdens de behandeling tegen de niet-openbaarheid, dan kan hij zich niet later op nietigheid van de uitspraak beroepen. Hij wordt dan geacht afstand te hebben gedaan van zijn recht op openbare behandeling.3 Wél geeft art. 4 Wet RO aan dat de rechter zijn bevel moet motiveren: in het proces-verbaal der zitting moeten de gewichtige redenen tot uitsluiting der openbaarheid vermeld worden. Wordt het bevel niet op een zitting gegeven, dan moet mijns inziens de rechter bij aparte uitspraak de niet-openbare behandeling van de procedure motiveren.
Tegen de beslissing van de rechter tot niet-openbare behandeling staat geen rechtsmiddel open. Het rechterlijk bevel kan men karakteriseren als een (rol)beschikking waartegen geen beroep openstaat.4 Een aantal praktische argumenten pleit hiervoor. Zou men hoger beroep tegen een bevel tot sluiting der deuren mogelijk achten, dan zou dit beroep niet alleen moeten openstaan voor partijen, maar ook voor pers en publiek. Maar wordt daarmee niet te zeer in de procesautonomie van partijen getreden? Bovendien laat zich de vraag stellen bij welke instantie dan appel ingesteld zou kunnen worden: appel bij een hogere rechter heeft het bezwaar dat voor een betrekkelijk eenvoudige vraag een rechtsgang bij twee instanties nodig zou zijn, appel bij dezelfde rechter zou een - vrijwel algemeen verworpen - intern appel creëren. Ten slotte draagt een appelmogelijkheid ten aanzien van sluiting der deuren het gevaar in zich van vertragingstactieken. Kortom, het moet bij één enkele gemotiveerde rechterlijke afweging blijven, hoe belangrijk het beginsel der openbaarheid op zich ook is.
Indien een zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden zonder dat daaraan een rechterlijk bevel vooraf is gegaan, dan is de sanctie daarop de nietigheid, zo blijkt uit art. 4 Wet RO. A-G Franx vraagt zich in HR 2 december 1988, NJ 1989, 301, af 'of de nietigheidssanctie van art. 20 Wet RO (de voorganger van het huidige art. 4 Wet RO, P.S.) ... onverkort van toepassing is, zonder dat wordt onderzocht of er een redelijk belang door het niet in acht nemen van de door de wet voorgeschreven openbaarheid is geschaad.' De A-G beantwoordt die vraag terecht ontkennend: de nietigheidssanctie moet niet automatisch op onterechte niet-openbare behandeling staan, maar de ernst van dat gebrek moet daarbij - alle belangen in ogenschouw nemend - in overweging worden genomen.5
De opgeworpen vragenreeks (a t/m d) ziet in eerste instantie op de uitsluiting van openbare (fysieke) behandeling. Ten aanzien van de vrijgave van processtukken zijn de antwoorden minder evident. Stel dat vijf jaar na afloop van een in het openbaar verlopen procedure een journalist afgifte van c.q. inzage in de betreffende processtukken wenst. Rechterlijke toetsing van de aanvraag tot afgifte inzage is dan geïndiceerd, maar volgens art. 838 Rv komt die er niet aan te pas: dit wetsartikel (dat een ruimere strekking heeft dan art. 28 Rv, dat uitsluitend ziet op afschrift van uitspraken in civiele zaken) stelt in het bijzonder niet de eis dat een der partijen moet worden gehoord of geïnformeerd alvorens de griffie tot het verstrekken van een afschrift of uittreksel van een processtuk (bijvoorbeeld een ingediende conclusie) overgaat; de enige manier waarop dit voorkomen kan worden is een verbod in kort geding.6